Protocol Voorzieningen UWV 2024
Gelet op het bepaalde in de artikelen 34a, 35 en 36 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 2:22 en 2:23 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 19a Wet overige OCW-subsidies, artikel 3a.1.1. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de artikelen 7 en 10g Participatiewet en het Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen;
Besluit:
Artikel 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van aanvragen om voorzieningen, zoals de intermediaire activiteit w.o. een tolkvoorziening, vervoers- en computervoorziening in de werk- en onderwijssituatie, meeneembare voorzieningen alsmede voor de subsidieregeling werkgever en de pilot en het experiment ‘subsidie Generieke werkgeversvoorzieningen’ de uitgangspunten zoals weergegeven in het Protocol Voorzieningen UWV 2024 dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 2
Het Protocol Voorzieningen UWV 2021 (besluit van 16 november 2021, gepubliceerd in Staatscourant 49481 van 15 december 2021) wordt ingetrokken.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024.
Artikel 4
Dit besluit wordt aangehaald als: Protocol Voorzieningen UWV 2024.
Protocol voorzieningen uwv 2024
Begripsbepalingen
Hoofdstuk 1. Inleiding
In opdracht van het Ministerie van SZW draagt UWV verantwoordelijkheid voor de re-integratie van werkzoekenden. In dat kader heeft UWV onder meer de wettelijke taak om aan werkzoekenden met structurele functionele beperkingen voorzieningen te verstrekken. Deze werkvoorzieningen hebben tot doel de cliënt te ondersteunen bij het aan het werk komen of aan het werk blijven.
Daarnaast heeft UWV – in opdracht van het Ministerie van OCW – de taak om voor cliënten die belemmeringen ondervinden bij het volgen van onderwijs voorzieningen te verstrekken. De inzet van een onderwijsvoorziening maakt het mogelijk dat een cliënt onderwijs volgt of kan volgen.
Mocht een cliënt, als gevolg van auditieve beperkingen, belemmeringen ondervinden in zijn leefsituatie, dan kan UWV in opdracht van het Ministerie van VWS een tolkvoorziening verstrekken. De bevoegdheid betreft enkel en uitsluitend de tolkvoorziening.
Het Protocol voorzieningen bevat o.a. de aanvullende bepalingen op de wetsartikelen uit de Wajong, WIA, Wmo en de WOOS en daarmee verband houdende uitvoeringsbesluiten- en regelingen van de Ministers van SZW, OCW en VWS. Deze Beleidsregel – het Protocol Voorzieningen – bevat enkel en uitsluitend het nadere beleid met betrekking tot de in dit Protocol Voorzieningen opgenomen voorzieningen. Alleen als nodig is om het beleid te verduidelijken zijn de bepalingen uit eerder genoemde wet- en regelgeving op hoofdlijnen beschreven. Op deze manier wordt een totaaloverzicht geboden binnen welke kaders UWV voorzieningen kan inzetten.
Hierna is een overzicht van de betreffende wetsartikelen en Ministeriële Besluiten en Regelingen opgenomen. De bepalingen in deze wet- en regelgeving vormen de grondslag voor de beleidsbepalingen in dit Protocol. Het gaat om:
UWV hanteert voor de in dit Protocol Voorzieningen opgenomen voorzieningen normbedragen. Deze bedragen staan in het Besluit normbedragen voorzieningen UWV, hierna te noemen Normbedragenbesluit. Op grond van artikel 54 Wet SUWI kunnen alle gegevens bij werknemer en werkgever worden opgevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het toekennen van een voorziening.
Deel a. Algemene regels met betrekking tot voorzieningen
Hoofdstuk 2. Uitgangspunten
In dit hoofdstuk zijn de algemene bepalingen met betrekking tot de inzet van de werk-, onderwijs- de tolkvoorziening in het leefdomein en werkgeversvoorzieningen opgenomen. Het gaat hier om algemene, voor alle voorzieningen geldende, beoordelingscriteria. Mocht voor een bepaald type voorziening een van de hierna volgende uitgangspunten afwijken dan wel niet aan de orde zijn, dan is deze informatie in het betreffende hoofdstuk over de voorziening zelf opgenomen.
2.1. Werking van het Protocol
Dit Protocol heeft uitsluitend betrekking op de voorzieningen die UWV in het kader van zijn wettelijke opdracht verstrekt op grond van de artikelen 34a, 35 en 36 WIA, de artikelen 2:22 en 2:23 Wajong, artikel 19a WOOS, artikel 3a.1.1. Wmo 2015 en de artikelen 7 en 10g P-wet.
2.2. Doelgroep
2.2.1. Doelgroep werkvoorzieningen en werkgeversvoorzieningen
Voor de toekenning van werkvoorzieningen en werkgeversvoorzieningen is het vereist dat de cliënt die de voorziening aanvraagt, dan wel voor wie de voorziening bestemd is, structureel functionele beperkingen heeft. Deze structureel functionele beperkingen zijn door UWV vastgesteld evenals de noodzaak tot het inzetten van een voorziening.
Is er sprake van structureel functionele beperkingen dan gelden als aanvullende voorwaarden voor het toekennen van een werkvoorziening dat:
2.2.2. Doelgroep onderwijsvoorzieningen
Om voor een onderwijsvoorziening in aanmerking te komen, dient een leerling belemmeringen te ondervinden bij het volgen van initieel onderwijs. Deze belemmeringen duren naar verwachting tenminste 3 maanden.
Voorts moet de leerling ingezetene zijn als bedoeld in de Wajong en:
Als studerend als bedoeld in de Wajong wordt aangemerkt de persoon:
2.2.3. Doelgroep tolkvoorziening in het leefdomein
Om voor een tolkvoorziening in het leefdomein in aanmerking te komen, dient een cliënt:
De voorwaarden om als instelling in aanmerking te kunnen komen voor een tolkvoorziening staan omschreven in hoofdstuk 8 van dit protocol.
2.3. De meeneembare voorziening is op de individuele cliënt gericht
UWV kan uitsluitend een meeneembare voorziening verstrekken die in overwegende mate op het individu is gericht. Dit betekent dat de voorziening wordt afgestemd op de structureel functionele beperkingen van de cliënt. Het gaat hier om individueel maatwerk. UWV beoordeelt de noodzaak van de voorziening in relatie tot de te volgen opleiding dan wel de uit te voeren werkzaamheden. (artikel 4 Re-integratiebesluit en artikel 4 Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap).
2.3.1. Subsidie werkgever, voorziening is bedoeld voor cliënt(en) met structureel functionele beperking
Gaat het om een subsidie aan de werkgever dan kunnen meerdere cliënten van de voorziening, die door de werkgever wordt gerealiseerd, gebruik maken,. Als voorwaarde geldt dat de subsidie bedoeld is voor de kosten die de werkgever maakt voor het in dienst houden of nemen van cliënten met een structureel functionele beperking. De werkgever heeft zich bereid verklaard de cliënt in dienst te nemen. Als de werkgever de voorziening ook zou hebben aangeschaft als de cliënt(en) met een structureel functionele beperking niet in dienst zou(den) zijn genomen, dan wordt niet voldaan aan de subsidievoorwaarden.1Zie ook uitspraak Centrale Raad van Beroep: 13-04-2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2501
2.4. Algemeen gebruikelijk
Een voorziening is een middel of dienst die beoogt de structureel functionele beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek van de cliënt weg te nemen of te verkleinen. Als voorwaarde geldt, dat dit middel of de dienst, specifiek is ontwikkeld voor het gebruik door personen met een ziekte of gebrek. Tevens dient dit middel of dienst niet tot de Arbo-taak van de werkgever te worden gerekend. UWV merkt deze middelen aan als algemeen gebruikelijk. Wel kan UWV eventuele aanpassingen op deze middelen als voorziening toekennen. Deze aanpassingen beogen dan het gebruik hiervan toegankelijk te maken voor personen met ziekte of gebrek. Of een middel of dienst als algemeen gebruikelijk is aan te merken, bepaalt UWV door de aard van de structurele beperking mee te wegen en de context waarbinnen het middel wordt ingezet.
Of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt gezien kan in de loop der tijd wel verschuiven. Er zijn voorzieningen die mogelijk in het verleden (bijvoorbeeld in een bepaalde bedrijfstak) zijn verstrekt, die toentertijd niet als algemeen gebruikelijk waren aan te merken. Maar dat zijn ze in de loop der tijd wel geworden. UWV weegt af of een bepaalde voorziening, die aanvankelijk niet als algemeen gebruikelijk was aan te merken dit in de loop van de tijd wel is geworden (artikel 2 lid 1a Re-integratiebesluit en artikel 2a Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap).
2.5. Proportioneel en goedkoopste adequate voorziening
2.5.1. Adequate en goedkoopste voorziening
UWV beoordeelt in eerste instantie of een voorziening adequaat en passend is voor de cliënt en hem ondersteunt bij zijn structureel functionele beperking. Onder adequaat verstaat UWV een voorziening die goed genoeg is om een verantwoorde oplossing te bieden voor de beperking. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn.
Zijn er meerdere adequate opties om de cliënt te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Uitgangspunt is dat UWV de goedkoopste adequate voorziening verstrekt. Deze afweging wordt per (individuele) cliënt gemaakt. Hierbij houdt UWV onder andere rekening met de aard van de beperking, het aantal dagen waarop de cliënt werkt of de opleiding volgt. Als het bijvoorbeeld om een vervoersvoorziening gaat, kijkt UWV onder andere naar het aantal af te leggen kilometers naar en van werk/de opleidingslocatie.
2.5.2. Proportionele voorziening
Hoewel UWV deelname aan het economisch verkeer van personen met een arbeidsbeperking van groot maatschappelijk belang vindt en deelname aan het economische verkeer voor personen met een arbeidsbeperking van groot persoonlijk belang is betekent dit niet dat de goedkoopste adequate voorziening altijd voor vergoeding in aanmerking komt. In die beoordeling betrekt UWV onder meer of de voorziening bijdraagt aan het (volledig) kunnen benutten van de arbeidscapaciteit van de persoon, de aard en omvang van de loonvormende arbeid waarvoor de voorziening is gevraagd.
Als de kosten niet proportioneel zijn wordt beoordeeld of deze proportioneel te maken zijn, bijvoorbeeld door een bijdrage van een (potentiële) werkgever of de vanuit de gemeente of door een andere invulling van de werkzaamheden. Is dit niet mogelijk dan verstrekt UWV geen voorziening.
2.6. Drempelbedrag
Voorzieningen die minder dan een bepaald bedrag kosten, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit normbedrag is bekend onder code B11 in het Normbedragenbesluit.
Zijn de kosten van een voorziening hoger dan dit drempelbedrag, dan vergoedt UWV het totale bedrag tot aan het voor die voorziening gestelde maximale bedrag. Er geldt geen eigen bijdrage van de cliënt ter hoogte van het drempelbedrag.
Vraagt een cliënt op een en het zelfde moment of binnen één kalenderjaar meerdere voorzieningen aan, die elk voor zich minder kosten dan het drempelbedrag, dat telt UWV de kosten van elk van deze voorzieningen op. Als de som meer is dan het drempelbedrag, vergoedt UWV het totale bedrag van al deze voorzieningen tezamen. Als peildatum voor het normbedrag geldt 1 januari van het kalenderjaar. (zie artikel 3 van het Re-integratiebesluit en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap).
2.7. Vergoeding op grond van andere wettelijke regeling
UWV verstrekt geen voorzieningen die op grond van andere wettelijke regelingen vergoed kunnen dan wel dienen te worden en de voorziening niet vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie dan wel vrijwel uitsluitend gebruikt kan worden voor of in de werksituatie. Zo heeft de werkgever bijvoorbeeld de verplichting om ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden deugdelijk materiaal aan zijn werknemers ter beschikking te stellen. Deze verplichting is in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet) opgenomen. Hulpmiddelen die de cliënt kan verkrijgen op basis van de Zorgverzekeringswet verstrekt UWV evenmin. De grondslag van deze bepaling is opgenomen in artikel 2 lid 1 onder b en lid 2 Re-integratiebesluit. Hulpmiddelen die verband houden met stoornissen in de hoorfunctie kan UWV op grond van artikel 2, 3e lid Re-integratiebesluit niet als werkvoorziening verstrekken.
Voor onderwijsvoorzieningen geldt dat UWV geen voorzieningen verstrekt waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van het Ministerie VWS of aanvullingen op die voorzieningen waarvoor de cliënt een eigen bijdrage betaalt. Zie artikel 5 Uitvoeringsbesluit artikel 2 onder b en artikel 5 lid 2 onder b Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap.
UWV kan een aantal nader bepaalde hulpmiddelen die normaliter door de zorgverzekering dienen te worden verstrekt, als onderwijsvoorziening verstrekken. Voorwaarde is dat deze hulpmiddelen (vrijwel) uitsluitend in de onderwijssituatie worden gebruikt. Om welke hulpmiddelen het gaat is opgenomen in artikel 11 Regeling onderwijsvoorziening voor jongeren met een handicap.
2.8. Eigen bijdrage cliënt
UWV vergoedt uitsluitend de meerkosten die een cliënt maakt in verband met zijn beperking. Dit betekent dat van een cliënt een eigen bijdrage wordt verlangd aan een voorziening ter hoogte van de kosten die een valide persoon maakt. Of en hoe hoog de eigen bijdrage is, is afhankelijk van het type voorziening. Als er een bijdrage wordt verlangd, dan wordt dit bij de betreffende voorziening aangegeven.
2.9. Hoogte vergoeding gerelateerd aan perioden van niet gebruik
UWV gaat ervan uit dat een cliënt niet het gehele jaar gebruik maakt van een voorziening. Werkt een cliënt in een dienstbetrekking, dan houdt UWV rekening met perioden van niet werken als gevolg van vakantie. De vergoedingen zijn daarom gebaseerd op 48 weken2Er zijn 52 weken in één jaar, iemand heeft recht op vakantie van minimaal 4 x het aantal uren dat je werkt per week. Vandaar 52 – 4 vakantieweken = 48 weken op jaarbasis. werken in een kalenderjaar. Een arbeidspatroon binnen één werkweek kan verschillen. Het aantal dagen dat iemand gemiddeld werkt per week, wordt als uitgangspunt genomen voor de vergoeding. Voorwaarde is wel dat het arbeidspatroon past binnen de kaders van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. Als een cliënt een tijdelijk dienstverband heeft korter dan een jaar stelt UWV de periode waarvoor de cliënt de voorziening nodig heeft naar rato vast.
Voor onderwijsvoorzieningen geldt dat deze voor maximaal 41 weken3Er zijn 52 weken in één jaar. Per jaar zijn er de volgende schoolvakanties: 1 week herfstvakantie, 2 weken kerstvakantie, 1 week voorjaarsvakantie, 1 week meivakantie, 6 weken zomervakantie. Dit is in totaal 11 weken vakantie. Vandaar 52 – 11 = 41 weken school op jaarbasis. per jaar nodig zijn, te weten een volledig schooljaar. Heeft een cliënt een voorziening korter dan een (school)jaar nodig, dan stelt UWV deze naar rato vast.
Voor de tolkvoorziening in het leefdomein geldt dat het aantal tolkuren voor het gehele kalenderjaar wordt vastgesteld.
2.10. Bepalen kilometers
Voor een aantal voorzieningen geldt dat UWV een kilometervergoeding toekent als er moet worden gereisd. Om het aantal gereisde kilometers van het woonadres naar het werkadres (en vice versa) te berekenen, hanteert UWV een routeplanner. Het uitgangspunt is de ‘snelste route’, op basis van volledige postcodes. UWV berekent de reisafstand enkele reis, rondt deze af naar boven en vermenigvuldigt deze met 2.
2.11. Voorziening in eigendom of bruikleen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.