Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 mei 2024, nr. IENW/BSK-2024/133084, houdende vaststelling van de tijdelijke regels inzake uitkeringen voor bodemsaneringen voor de periode 2024 tot en met 2030 (Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-11-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M juncto 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet en op artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, 8, 10, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, d, e, f, g, h, i en k, 13, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, 18, 21, 23, eerste en derde lid, en 26 van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt.

Artikel 3. Doel

Het doel van deze regeling is om door middel van het verstrekken van uitkeringen bevoegde gezagen Wbb, bevoegde gezagen Ow, colleges verantwoordelijk voor de kwaliteit van het grondwater en waterschappen als bevoegd gezagen regionale waterbodems onder de Omgevingswet wat betreft waterbodems die onder de historische spoedopgaven vallen, in staat te stellen om in de periode van 2024 tot en met 2030 een aantal taken op het gebied van bodemsanering goed af te ronden en nieuwe bodemkwaliteitsopgaven te signaleren en daarop te reageren met een passende aanpak. Specifiek voor PFAS is het doel om tot en met 2030 primair in te zetten op het inventariseren van de opgave wat betreft de aanpak van bodemverontreiniging en de locaties met de hoogste prioriteit aan te laten pakken.

Artikel 4. Uitkeringsplafonds en wijze van verdelen
1.

Het uitkeringsplafond bedraagt voor de periode 2024 tot en met 2030 € 493.898.468,–.

2.

Het uitkeringsplafond voor het jaar 2024 bedraagt voor:

3.

Het uitkeringsplafond voor buitenproportionele opgaven categorie B bedraagt in ieder van de jaren 2024 en 2025 € 4.000.000,–.

4.

De minister stelt in 2025, 2027 en 2029 het uitkeringsplafond vast voor de onderdelen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1, c en d en derde lid, alsmede de toedeling over die onderdelen en de desbetreffende elementen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

5.

De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn exclusief compensabele btw.

6.

De beschikbare bedragen, bedoeld in het vierde lid, worden na het verstrijken van de desbetreffende aanvraagperiode evenredig verdeeld over de voor honorering in aanmerking komende aanvragen.

7.

Indien ingevolge een evenredige verdeling als bedoeld in het zesde lid, een aanvraag niet volledig wordt gehonoreerd, voert het bevoegd gezag Wbb, het bevoegd gezag Ow, het college of het waterschap binnen de bestedingsduur opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering, een evenredig deel uit van alle projecten binnen de budgetpost waarvoor de aanvraag is gehonoreerd.

8.

Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, na de verdeling, bedoeld in het zesde lid, niet is uitgeput, kan de minister na het einde van de desbetreffende aanvraagperiode het resterende bedrag verdelen overeenkomstig artikel 31 of artikel 32.

Artikel 5. Start activiteiten

Een uitkering kan worden verleend voor activiteiten als bedoeld in deze regeling die zijn gestart:

mits die activiteiten zijn opgenomen in de aanvraag voor de desbetreffende uitkering en aan de bestedingsvoorwaarden, bedoeld in de artikelen 14, 22, 26 en 30 wordt voldaan.

§ 2. Algemene bepalingen inzake aanvraag uitkering

Artikel 6. Aanvraag uitkering
1.

De minister kan op aanvraag een uitkering verlenen aan:

2.

Indien een of meer bevoegd gezagen dan wel colleges als bedoeld in het eerste lid een samenwerkingsverband zijn aangegaan, kan een aanvraag voor een uitkering worden ingediend door de penvoerder, zijnde een provincie, gemeente of een omgevingsdienst.

3.

Een aanvraag voor een uitkering kan worden gedaan voor nieuwe locaties en projecten, aanvullende activiteiten, onvoorziene kosten, dan wel voor onvoorziene kosten voor projecten waarvoor op grond van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem overbruggingsjaar 2021, de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2022 of de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2023 een uitkering is verleend.

4.

Bij de eerste aanvraag voor een uitkering wordt een programmaoverzicht gevoegd en bij een volgende aanvraag wordt een actueel programmaoverzicht gevoegd.

5.

Een programmaoverzicht bestaat uit:

6.

Indien eenzelfde project, activiteit of financiële verplichting onder verschillende budgetposten kan vallen, wordt een uitkering slechts voor een van die budgetposten gehonoreerd.

Artikel 7. Aanvraagperioden en formulier
1.

Een aanvraag kan worden ingediend in:

2.

Een aanvraag voor de aanpak van buitenproportionele opgaven categorie B kan tevens worden ingediend in 2025, 2027 en 2029 van de eerste werkdag van februari tot en met de eerste werkdag van maart.

3.

Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 8. Aanvullende afwijzingsgrond

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit subsidies I en M kan de minister afwijzend beslissen op een aanvraag om een uitkering als bedoeld in deze regeling, indien voor de activiteiten uit anderen hoofde Rijksmiddelen zijn of zullen worden verleend dan wel kunnen worden verleend.

Artikel 9. Voorwaardelijke verlening

Uitkeringen die worden verleend ten laste van een begroting die niet is vastgesteld of goedgekeurd, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 3. Historische spoedopgaven

Artikel 10. Uitkering historische spoedopgaven

Een historische spoedopgave betreft een historische spoedopgave als bedoeld in de Wet bodembescherming, zijnde een verontreiniging die grotendeels is ontstaan voor 1 januari 1987 of voor 1 juli 1993 indien het asbest betreft en betreft de start, voortzetting, afbouw of afronding door het bevoegd gezag Wbb van de aanpak van historische spoedsaneringen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond, bestaande uit:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.