Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 mei 2024, nr. IENW/BSK-2024/133084, houdende vaststelling van de tijdelijke regels inzake uitkeringen voor bodemsaneringen voor de periode 2024 tot en met 2030 (Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030)
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M juncto 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet en op artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
BESLUIT:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- andere niet genormeerde stoffen: niet genormeerde stoffen niet zijnde PFAS, drugs of aan drugsproductie gerelateerde stoffen;
- bevoegd gezag Wbb: provincie of gemeente als bedoeld in de Wet bodembescherming of gemeente als bedoeld in het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming zoals die luidden voor de datum waarop de Omgevingswet in werking is getreden;
- bevoegd gezag Ow: bevoegd gezag voor de bodem als bedoeld in de Omgevingswet voor de taken in het kader van de aanpak van bodem- of grondwaterverontreiniging;
- budgetpost:
- a. historische spoedopgaven;
- b. diffuus verspreid lood;
- c. PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
- d. buitenproportionele opgaven categorie B;
- e. oude afspraken; of
- f. toekomstbestendig omgaan met nazorg;
- buitenproportionele opgave categorie A: buitenproportionele opgave als bedoeld in artikel 15, eerste lid;
- buitenproportionele opgave categorie B: buitenproportionele opgave als bedoeld in artikel 15, tweede lid;
- college: college van gedeputeerde staten;
- convenant bodem en ondergrond: convenant bodem en ondergrond 2016–2020 zoals dat luidde op 31 december 2020;
- grondwaterrichtlijn: Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU 2006, L 372);
- historische spoedopgaven: aanpak van historische spoedeisende bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 10;
- kaderrichtlijn water: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327);
- nazorglocatie: locatie waar langdurig maatregelen moeten worden getroffen om de aanwezige bodemverontreiniging te beheersen dan wel te beheren;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- oude afspraken: aantoonbare toezeggingen of financiële afspraken die in het verleden tussen een individueel bevoegd gezag Wbb en het Rijk zijn gemaakt over de sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming of over de gebiedsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging;
- penvoerder: penvoerder als bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M;
- toekomstbestendig omgaan met nazorg: afronding van de saneringsaanpak van de afgelopen decennia, met inbegrip van het toekomstbestendig borgen van het resultaat van die saneringsaanpak;
- uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet of subsidie indien middelen aan een waterschap worden verleend;
- werkvoorraad: het geheel van alle projecten, activiteiten, werkzaamheden en financiële verplichtingen waarvoor op grond van deze regeling een uitkering is verleend;
- Wet bodembescherming: Wet bodembescherming zoals die luidde op 31 december 2023.
Artikel 2. Kaderbesluit subsidies I en M
De artikelen 6, 8, 10, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, d, e, f, g, h, i en k, 13, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, 18, 21, 23, eerste en derde lid, en 26 van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt.
Artikel 3. Doel
Het doel van deze regeling is om door middel van het verstrekken van uitkeringen bevoegde gezagen Wbb, bevoegde gezagen Ow, colleges verantwoordelijk voor de kwaliteit van het grondwater en waterschappen als bevoegd gezagen regionale waterbodems onder de Omgevingswet wat betreft waterbodems die onder de historische spoedopgaven vallen, in staat te stellen om in de periode van 2024 tot en met 2030 een aantal taken op het gebied van bodemsanering goed af te ronden en nieuwe bodemkwaliteitsopgaven te signaleren en daarop te reageren met een passende aanpak. Specifiek voor PFAS is het doel om tot en met 2030 primair in te zetten op het inventariseren van de opgave wat betreft de aanpak van bodemverontreiniging en de locaties met de hoogste prioriteit aan te laten pakken.
Artikel 4. Uitkeringsplafonds en wijze van verdelen
Het uitkeringsplafond bedraagt voor de periode 2024 tot en met 2030 € 493.898.468,–.
Het uitkeringsplafond voor het jaar 2024 bedraagt voor:
- a. historische spoedopgaven € 35.200.000,–;
- b. buitenproportionele opgaven categorie A € 58.000.000,–, waarvan beschikbaar:
- 1°. € 12.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van diffuus verspreid lood; en
- 2°. € 46.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
- c. oude afspraken € 32.000.000,–; en
- d. toekomstbestendig omgaan met nazorg: € 8.000.000,–.
Het uitkeringsplafond voor buitenproportionele opgaven categorie B bedraagt in ieder van de jaren 2024 en 2025 € 4.000.000,–.
De minister stelt in 2025, 2027 en 2029 het uitkeringsplafond vast voor de onderdelen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1, c en d en derde lid, alsmede de toedeling over die onderdelen en de desbetreffende elementen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.
De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn exclusief compensabele btw.
De beschikbare bedragen, bedoeld in het vierde lid, worden na het verstrijken van de desbetreffende aanvraagperiode evenredig verdeeld over de voor honorering in aanmerking komende aanvragen.
Indien ingevolge een evenredige verdeling als bedoeld in het zesde lid, een aanvraag niet volledig wordt gehonoreerd, voert het bevoegd gezag Wbb, het bevoegd gezag Ow, het college of het waterschap binnen de bestedingsduur opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering, een evenredig deel uit van alle projecten binnen de budgetpost waarvoor de aanvraag is gehonoreerd.
Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, na de verdeling, bedoeld in het zesde lid, niet is uitgeput, kan de minister na het einde van de desbetreffende aanvraagperiode het resterende bedrag verdelen overeenkomstig artikel 31 of artikel 32.
Artikel 5. Start activiteiten
Een uitkering kan worden verleend voor activiteiten als bedoeld in deze regeling die zijn gestart:
- a. in 2024 indien een aanvraag wordt ingediend in dat jaar; of
- b. in het jaar voorafgaand aan een aanvraagperiode die is gelegen na 2024,
mits die activiteiten zijn opgenomen in de aanvraag voor de desbetreffende uitkering en aan de bestedingsvoorwaarden, bedoeld in de artikelen 14, 22, 26 en 30 wordt voldaan.
§ 2. Algemene bepalingen inzake aanvraag uitkering
Artikel 6. Aanvraag uitkering
De minister kan op aanvraag een uitkering verlenen aan:
- a. een bevoegd gezag Wbb voor de aanpak van een of meer historische spoedopgaven, met uitzondering van de waterbodems, bedoeld in artikel 10, onderdeel e, of voor de aanpak van een oude afspraak;
- b. een bevoegd gezag Wbb of een bevoegd gezag Ow voor de aanpak van een buitenproportionele opgave categorie A of categorie B of voor het toekomstbestendig omgaan met nazorg;
- c. een college voor de aanpak van een buitenproportionele opgave categorie A of categorie B of voor het toekomstbestendig omgaan met nazorg indien dat college verantwoordelijk is voor de grondwaterkwaliteit; of
- d. een waterschap als bevoegd gezag regionale waterbodems onder de Omgevingswet voor de aanpak van een historische spoedopgave voor zover het de waterbodems, bedoeld in artikel 10, onderdeel e, betreft.
Indien een of meer bevoegd gezagen dan wel colleges als bedoeld in het eerste lid een samenwerkingsverband zijn aangegaan, kan een aanvraag voor een uitkering worden ingediend door de penvoerder, zijnde een provincie, gemeente of een omgevingsdienst.
Een aanvraag voor een uitkering kan worden gedaan voor nieuwe locaties en projecten, aanvullende activiteiten, onvoorziene kosten, dan wel voor onvoorziene kosten voor projecten waarvoor op grond van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem overbruggingsjaar 2021, de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2022 of de Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2023 een uitkering is verleend.
Bij de eerste aanvraag voor een uitkering wordt een programmaoverzicht gevoegd en bij een volgende aanvraag wordt een actueel programmaoverzicht gevoegd.
Een programmaoverzicht bestaat uit:
- a. een beschrijving op hoofdlijnen van de beleidsdoelen die het bevoegd gezag Wbb of het bevoegd gezag Ow met betrekking tot bodemsanering of het college met betrekking tot de grondwaterkwaliteit of het waterschap als bevoegd gezag regionale waterbodems onder de Omgevingswet wat betreft waterbodems die onder de historische spoedopgaven vallen in de periode van 2024 tot en met 2030 wil bereiken;
- b. de projecten die aan het halen van die doelen bijdragen en hoe ze daaraan bijdragen;
- c. de begroting van de daarvoor benodigde middelen; en
- d. een overzicht van alle projecten per onderdeel, met inachtneming van artikel 15, waarvoor een aanvraag voor een uitkering wordt gedaan en de middelen die daarvoor aangevraagd worden.
Indien eenzelfde project, activiteit of financiële verplichting onder verschillende budgetposten kan vallen, wordt een uitkering slechts voor een van die budgetposten gehonoreerd.
Artikel 7. Aanvraagperioden en formulier
Een aanvraag kan worden ingediend in:
- a. 2024 van 3 tot en met 28 juni; en
- b. 2026, 2028 en 2030 van de eerste werkdag van februari tot en met de eerste werkdag van maart.
Een aanvraag voor de aanpak van buitenproportionele opgaven categorie B kan tevens worden ingediend in 2025, 2027 en 2029 van de eerste werkdag van februari tot en met de eerste werkdag van maart.
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 8. Aanvullende afwijzingsgrond
In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit subsidies I en M kan de minister afwijzend beslissen op een aanvraag om een uitkering als bedoeld in deze regeling, indien voor de activiteiten uit anderen hoofde Rijksmiddelen zijn of zullen worden verleend dan wel kunnen worden verleend.
Artikel 9. Voorwaardelijke verlening
Uitkeringen die worden verleend ten laste van een begroting die niet is vastgesteld of goedgekeurd, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 3. Historische spoedopgaven
Artikel 10. Uitkering historische spoedopgaven
Een historische spoedopgave betreft een historische spoedopgave als bedoeld in de Wet bodembescherming, zijnde een verontreiniging die grotendeels is ontstaan voor 1 januari 1987 of voor 1 juli 1993 indien het asbest betreft en betreft de start, voortzetting, afbouw of afronding door het bevoegd gezag Wbb van de aanpak van historische spoedsaneringen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond, bestaande uit:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.