Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 mei 2024, Min-BuZa.2024.20806-20, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op de artikel 2.2, sub a, c en d, artikel 2.3, sub b tot en met e, en artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van de artikel 2.2, sub a, c en d, artikel 2.3, sub b tot en met e, en artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het bevorderen van capaciteitsversterking van
(semi-)overheidsinstellingen in Matra-doellanden en de versterking van de bilaterale betrekkingen met deze landen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 kunnen worden ingediend vanaf dinsdag 30 juli 2024, 09:00 uur, tot en met dinsdag 29 oktober 2024, 12:00uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 worden ingediend aan de hand van een door de Minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier1www.rvo.nl/matra en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2029 een subsidieplafond van € 7,5 miljoen.
Artikel 4
De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
1. Achtergrond
Het Maatschappelijke transformatie-programma (Matra-programma) is onderdeel van het overkoepelende kabinetsbeleid voor Veiligheid en Stabiliteit. Het kabinet stelt zich daarin ten doel de Nederlandse en internationale veiligheid en stabiliteit te bevorderen door doelgerichte bilaterale en multilaterale samenwerking en het bevorderen van democratische transitie in prioritaire gebieden. Ook draagt het Matra-programma bij aan de doelstelling II van de Beleidsnota Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorde, namelijk het tegengaan van democratische achteruitgang wereldwijd en het versterken van de democratische rechtsstaat.
Het Matra-programma is samen met het Shiraka-programma onderdeel van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen (NFRP) dat zich richt op de ‘ring van instabiliteit’ rondom de Europese Unie. Het Matra-programma is daarbij gericht op de landen met een EU-toetredingsperspectief (hierna: pre-accessielanden2Te weten: Albanië, Bosnië-Herzegovina, Georgië, Kosovo, Moldavië, Montenegro, Noord-Macedonië, Oekraïne, Servië en Turkije.) en de landen van het Oostelijk Partnerschap (hierna: OP-landen3Te weten: Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, Moldavië en Oekraïne. Georgië, Moldavië en Oekraïne zijn zowel pre-accessieland als lid van het Oostelijk Partnerschap.).
Sleutelbegrippen van het NFRP zijn democratisering, rechtsstaatontwikkeling, goed bestuur, maatschappelijke betrokkenheid en een gezonde verhouding tussen burger en overheid. Het Matra-programma is daarbij primair gericht op de capaciteitsopbouw en institutionele versterking van rechterlijke macht en publieke instituties, maatschappelijke organisaties en politieke partijen. Het Matra-programma loopt sinds 1993 onafgebroken en is daarmee één van de langstlopende programma’s die zich richten op deze aandachtsgebieden.
Het kabinet hecht bijzonder aan het Matra-programma, omdat het gaat om het bestendigen en bevorderen van gedeelde Europese waarden. Deze gedeelde Europese waarden verbinden Europese landen ondanks hun culturele diversiteit. Een stevige en pluriforme rechtsstaat, stabiele democratische processen en goed bestuur, waar dit subsidiebeleidskader zich op richt, zijn onderdeel van deze waarden en de agenda voor de regio’s die grenzen aan de Europese Unie.
Onderdeel van het Matra-programma is het onderhavige subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029 (hierna: subsidieprogramma) dat voortbouwt op de twee subsidieprogramma’s die zijn opengesteld van 2017 tot 2020 en van 2020 tot 20244Kamerstuk 2015–2016, 34 300 V, nr. 51.
Met het subsidieprogramma wordt ingezet op overdracht van kennis en vaardigheden tussen Nederlandse overheidsinstellingen en hun tegenhangers in de Matra-regio op het gebied van de pluriforme rechtsstaat en democratisch en goed bestuur. Daarmee is het subsidieprogramma primair gericht op het versterken van de capaciteit van (semi-)overheidsinstellingen in de pre-accessielanden en landen van het OP, voor zover zij een vergaand samenwerkingsakkoord (comprehensive and enhanced partnership agreement[CEPA]) hebben gesloten met de Europese Unie (hierna: CEPA-landen5Te weten: Armenië. NB: De Matra-landen Azerbeidzjan en Belarus vallen daarmee buiten de reikwijdte van dit subsidieprogramma.).
Daarnaast is het subsidieprogramma gericht op de versterking van de bilaterale relaties met de hiervoor genoemde doellanden.
2. Uitvoerder
De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma Matra ‘overheid tot overheid’ 2025–2029
4.1. Doel en doelgroep
Het doel van het subsidieprogramma is primair om een bijdrage te leveren aan capaciteitsversterking van (semi-) overheidsinstellingen in de doellanden en secundair om de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden te versterken, door middel van financiële ondersteuning van projecten die zich hierop richten.
De doelgroep bestaat uit de (semi-)overheidsinstellingen in de volgende doellanden:
Het subsidieprogramma beoogt (semi-)overheidsinstellingen in de doellanden te koppelen aan (een) vergelijkbare Nederlandse (semi-)overheidsinstelling(en). De inzet van expertise van Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen is daarom een vereiste.
Met capaciteitsversterking wordt bedoeld dat de capaciteit van één of meer (semi-) overheidsinstelling(en) in één of meer van de doellanden wordt versterkt door gebruik te maken van de capaciteit van een of meer relevante (semi-)overheidsinstelling(en) in Nederland.
Voor capaciteitsversterking in de pre-accessielanden geldt dat deze moet bijdragen aan de uitvoering van de afspraken die de Europese Unie heeft gemaakt met deze doellanden, welke betrekking hebben op de ontwikkeling van de rechtsstaat en goed bestuur in lijn met de toetredingscriteria voor de Europese Unie.
Voor zover het gaat om capaciteitsversterking in CEPA-landen (Armenië) geldt dat deze moet bijdragen aan de uitvoering van afspraken die de Europese Unie heeft gemaakt met dit doelland, welke betrekking hebben op rechtsstaatontwikkeling en goed bestuur zoals overeengekomen in de samenwerkingsakkoorden met de Europese Unie.
Met versterking van de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden wordt bedoeld dat de banden tussen de landen worden versterkt door:
Nederland heeft sinds 2022 een feministisch buitenlandbeleid.6Kamerstukken II 2022/23, 34 952, nr. 182. Het doel van dit beleid is om ongelijkheid te verkleinen en wereldwijd te streven naar een gelijkwaardige positie van mannen, vrouwen en non-binaire mensen. Het heeft daarbij bijzondere aandacht voor de positie van LHBTIQ+ personen. Dat betekent dat gendergelijkheid een dwarsdoorsnijdend thema is in het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de uitvoering daarvan. Alhoewel het doel van dit subsidieprogramma niet gendergelijkheid en het verbeteren van de positie van LHBTIQ+ personen is, is het van belang dat projecten een genderanalyse doen en rekening houden met eventuele effecten van hun project op gender(on)gelijkheid. Negatieve effecten op gendergelijkheid moeten worden voorkomen, positieve effecten zijn vanzelfsprekend welkom.
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidie in het kader van dit subsidieprogramma zijn bedoeld voor de volgende soorten organisaties:
Indien de aanvraag van een penvoerder namens een samenwerkingsverband wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.
Waar hierna staat ‘aanvrager’ wordt daarmee ook bedoeld ‘penvoerder’.
Een aanvrager moet:
Wanneer een aanvrager als organisatie niet minimaal twee jaar ervaring heeft op bovenstaande punten, geldt ten aanzien van het aantonen en beoordelen van de aanwezige ervaring dat de aanvrager ook die ervaring mag opvoeren die door personeel van de aanvrager is opgedaan in dienst van een andere organisatie dan de organisatie waar het betreffende personeelslid op het moment van indienen van de aanvraag in dienst is.
Indien een organisatie betrokken is bij meer dan drie aanvragen kunnen alleen de drie aanvragen die het best voldoen aan de beoordelingscriteria in aanmerking komen voor subsidie.
Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen kunnen niet in aanmerking komen voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma (niet direct als aanvrager noch indirect als mede-indiener), maar vereist is wel dat ze worden betrokken of worden ingeschakeld bij de projecten in het kader van de te behalen doelstellingen. (Eventuele kosten van deze instellingen kunnen door de aanvrager worden opgevoerd als 'kosten derden' als bedoeld in paragraaf 7.3.2. (het zijn dan kosten die de aanvrager maakt door het betalen van een factuur van deze instelling).)
De aanvrager moet aantonen dat hij, en in geval van een aanvraag namens een samenwerkingsverband ook alle andere partners in het samenwerkingsverband, een integriteitsbeleid heeft/hebben vastgesteld en procedures heeft/hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de aanvragers, andere partijen in het samenwerkingsverband en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.3. Adviestraject
Als een aanvrager overweegt een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’.7www.rvo.nl/matra
Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO adviseur aan de aanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de aanvrager vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.
Een ‘quick scan’ wordt ingediend met behulp van een middel dat door RVO ter beschikking wordt gesteld en moet door RVO zijn ontvangen uiterlijk op dinsdag 2 juli 2024 om 12:00 Nederlandse tijd.
5. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om een samenhangend geheel van activiteiten (‘project’) dat gericht is op het bijdragen aan de doelen zoals genoemd in paragraaf 4.1.
Ten aanzien van de primaire doelstelling (e.g. bijdragen aan capaciteitsversterking van (semi-)overheidsinstellingen in doellanden) moet het project betrekking hebben op:
Het project moet tevens betrekking hebben op ten minste één van de in paragraaf 6 opgenomen thema’s, en per thema op ten minste één van de daaronder genoemde subthema’s.
Ten aanzien van de secundaire doelstelling (versterken bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de doellanden) geldt dat het project tevens betrekking moet hebben op het vergroten van de zichtbaarheid van de Nederlandse inzet in het doelland, daarom is het mogelijk om daarnaast subsidie te verkrijgen voor activiteiten waarmee middels strategische communicatie de zichtbaarheid van het project en daarmee de Nederlandse inzet in het doelland te vergroten.
Bij de subsidiabele activiteiten dient relevante inhoudelijke expertise van één of meerdere Nederlandse (semi-) overheidsinstellingen te worden ingebracht. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende activiteiten:
Het project moet zijn gericht op ten minste één doelland. Het subsidieprogramma biedt ook ruimte voor projecten met een regionaal samenwerkingscomponent, waarbij binnen één project de samenwerking met (semi-)overheidsinstellingen in meer dan één doelland wordt gezocht alsook samenwerking tussen de (semi-) overheidsinstellingen in deze doellanden. De meerwaarde van een landoverstijgend project dient duidelijk te worden beschreven in de aanvraag.
Tevens biedt het subsidieprogramma ruimte om, in aanvulling op de vereiste samenwerking met één of meerdere Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen, samen te werken met Nederlandse decentrale overheden, indien dit de doelstelling van het voorziene project ten goede komt. Hierbij dient vermeld te worden dat een dergelijke samenwerking niet de verplichte samenwerking met een of meerdere hierboven genoemde Nederlandse (semi-)overheidsinstellingen kan vervangen.
Lokale maatschappelijke organisaties die actief zijn in de doellanden op de in paragraaf 6.1. genoemde (sub)thema’s kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de in paragraaf 4.1. genoemde doelstellingen en het duurzaam inbedden van de resultaten, bijvoorbeeld in een situatie waarin een groot deel van het ambtenarenapparaat wordt gewisseld na verkiezingen. Daarnaast kan een sterk en betrokken maatschappelijk middenveld (indirect) bijdragen aan het aanjagen van een verbeterde rechtsstaat, pluriformiteit en een versterkte overheid. Door, waar relevant, deze organisaties te betrekken bij een project kan tevens het draagvlak voor de hervormingen worden vergroot. Binnen de projecten kan daarom worden samengewerkt met het lokaal maatschappelijk middenveld, hetzij als mede-indiener in een samenwerkingsverband hetzij anderszins. Dit is evenwel geen verplichting.
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende activiteiten:
6. Thema’s
Het NRFP-Matra richt zich op het versterken van de rechtsstaat en democratie in de doellanden. In dit subsidieprogramma zijn dit tevens de hoofdthema’s. Beide begrippen zijn echter niet vastomlijnd en omvatten diverse thema’s die soms verschillend worden geformuleerd. Om hierover meer duidelijkheid te bieden als ook richting te geven is een aantal (prioritaire) (sub)thema’s vastgesteld.
Zoals onder paragraaf 5 aangeduid moet een aanvraag betrekking hebben op ten minste één van deze thema’s, en per thema op ten minste één van de daaronder genoemde subthema’s, om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen (paragraaf 6.1.), waarbij per doelland prioritaire (sub)thema’s zijn geïdentificeerd die specifiek voor dat doelland of die regio extra aandacht behoeven (paragraaf 6.2.) en waarmee daarom bonuspunten kunnen worden gescoord, zie paragraaf 9.3. Alleen wanneer het inhoudelijk van toegevoegde waarde is voor het project is het wenselijk meerdere (sub)thema’s te kiezen.
6.1. Hoofdthema’s
De hoofdthema’s van dit subsidieprogramma zijn rechtsstaat, te weten pluriforme rechtsstaat, rechtspraak en rechtshandhaving, en democratie, te weten goed bestuur.
Deze thema’s worden hieronder verder verduidelijkt door het benoemen van subthema’s.
6.1.1. Thema rechtsstaat: pluriforme rechtsstaat, rechtspraak en rechtshandhaving
Dit thema bestaat uit de volgende drie subthema’s:
6.1.2. Thema democratie: goed bestuur
Dit thema bestaat uit het volgende subthema:
Subthema betrouwbaar, inclusief en democratisch overheidsoptreden door het vergroten van:
6.2. Prioritaire (sub)thema’s per doelland
In de tabel hieronder zijn per doelland de prioritaire (sub)thema’s geïdentificeerd die specifiek voor dat doelland extra aandacht behoeven en daarmee de voorkeur hebben (hetgeen tot uiting komt doordat daarmee bonuspunten kunnen worden gescoord, zie paragraaf 9.3).
7. Looptijd activiteiten, omvang subsidie en subsidiabele kosten
7.1. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd hebben een minimale looptijd van twee jaar en een maximale looptijd van vier jaar. De activiteiten moeten starten binnen zes maanden na subsidieverlening.
7.2. Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per aanvraag minimaal € 500.000 en maximaal € 2.000.000.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.