Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 mei 2024, nr. 2024-0000249690, houdende bepalingen omtrent het materieelbeheer en privaatrechtelijk beheer van onroerende zaken van het Rijk (Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024)
Gelet op artikel 4.20, vijfde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 en artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. gebruiksgerechtigde: natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een nog lopend gebruiksrecht met betrekking tot een onroerende zaak van de Staat is verleend;
- b. gebruiksrecht: huurrecht, pachtrecht, erfpachtrecht, opstalrecht, recht van vruchtgebruik, recht van bruikleen of ander gebruiksrecht, verleend of te verlenen met betrekking tot een onroerende zaak waarvan de Staat rechthebbende is;
- c. materieelbeheer: zorg voor het onderhoud en de instandhouding van zaken vanaf het moment van inbeheer- of ingebruikneming tot aan het moment van afstoting;
- d. medeoverheid: een gemeente, een provincie, een waterschap of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of als bedoeld in artikel 132a, eerste lid, van de Grondwet;
- e. minister: minister wie het aangaat.
Hoofdstuk 2. Materieelbeheer van onroerende zaken van het rijk en de administraties die ten behoeve van dat beheer worden bijgehouden
Artikel 2. Doelstellingen van materieelbeheer
Onroerende zaken worden zodanig door een minister beheerd of gebruikt dat:
- a. daarmee de continuïteit van de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan de begroting van de minister ten grondslag liggen, wordt gewaarborgd;
- b. het onnodig ontstaan van schade en kwaliteitsverlies aan die onroerende zaken wordt voorkomen; en
- c. de kans op schade aan derden of aansprakelijkstelling door derden zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Artikel 3. Risico-inventarisatie
De minister inventariseert de risico’s dat:
- a. door oorzaken gelegen buiten zijn ministerie aan onder zijn materieelbeheer vallende onroerende zaken aanzienlijke schade kan worden toegebracht; en
- b. met de onder zijn materieelbeheer vallende onroerende zaken aanzienlijke schade aan derden kan worden toegebracht.
Artikel 4. Maatregelen
Aan de hand van de inschatting van de kans dat de geïnventariseerde risico’s, bedoeld in artikel 3, zich zullen voordoen, besluit de minister of en zo ja welke preventieve maatregelen moeten worden genomen ter voorkoming of beperking van de vastgestelde risico’s.
De risico’s van schade voor en aansprakelijkstelling van de Staat worden niet verzekerd, tenzij het naar het oordeel van een minister doelmatig is om deze risico’s te verzekeren. Het besluit daartoe wordt genomen in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Financiën.
De minister zorgt voor het herstel van schade aan de onroerende zaak en voor de afwikkeling van aansprakelijkstellingen van de Staat voor door de onroerende zaak aan derden toegebrachte schade.
In overleg tussen de minister en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan worden besloten dat de afwikkeling van een schade of aansprakelijkstelling door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geschiedt.
Artikel 5. Beschrijving administratieve organisatie en bijhouden administratie materieelbeheer
De minister zorgt voor:
- a. een beschrijving van de administratieve organisatie van het materieelbeheer van onroerende zaken;
- b. de toepassing van de in die administratieve organisatiebeschrijving opgenomen procedures; en
- c. het bijhouden van een adequate administratie van het gevoerde materieelbeheer van onroerende zaken.
Artikel 6. Overtolligstelling onroerende zaken
Een minister stelt een onroerende zaak overtollig wanneer deze niet langer nodig is voor de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan de begroting van deze minister ten grondslag liggen en doet daarvan mededeling aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
De minister kan bij overtolligstelling alleen voorwaarden stellen met het oog op het gebruik en de inrichting van de onroerende zaak na de overdracht van het materieelbeheer, voor zover die voorwaarden rechtstreeks verband houden met:
- a. de praktische uitvoering van het op hem rustende materieelbeheer van een aan de onroerende zaak grenzende andere onroerende zaak, of
- b. een op hem rustende verplichting in relatie tot de betreffende onroerende zaak op grond van wet- en regelgeving.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan een minister vragen een onroerende zaak overtollig te stellen.
De volgende onroerende zaken worden niet overtollig gesteld:
- a. agrarische domeingronden die door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden aangehouden om het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt uit te voeren door toekomstige vervreemding of ingebruikgeving van die gronden; en
- b. andere onroerende zaken die een minister uitsluitend heeft verworven en aanhoudt om het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt uit te voeren door toekomstige vervreemding of ingebruikgeving van die onroerende zaak.
Artikel 7. Overdracht van overtollig gestelde onroerende zaken
Direct na de overtolligstelling van een onroerende zaak draagt de minister het materieelbeheer daarvan over aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
De overdracht wordt vastgelegd in een proces-verbaal van overname, dat door de minister en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt ondertekend.
Eventuele nadere afspraken of voorwaarden als bedoeld in artikel 6, tweede lid, kunnen in het proces-verbaal van overname worden vastgelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing op door de Minister van Buitenlandse Zaken overtollig gestelde onroerende zaken buiten Nederland.
Na de overdracht bevordert de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de aanpassing bij het Kadaster van de tenaamstelling van de onroerende zaak en zorgt hij voor een interne betaling aan de minister. Deze interne betaling is gebaseerd op een marktconforme verkoopprijs voor de onroerende zaak.
De minister en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kunnen in onderling overleg afwijken van het eerste lid. De afwijking wordt schriftelijk vastgelegd.
Artikel 8. Herbestemming binnen het Rijk
Na de overdracht, bedoeld in artikel 7, eerste lid, gaat de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening eerst na of hijzelf of een andere minister de overtollig gestelde onroerende zaak nodig heeft voor de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan zijn begroting respectievelijk de begroting van de andere minister ten grondslag liggen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening draagt het materieelbeheer van een onroerende zaak over aan een minister die kenbaar maakt dat hij de overtollig gestelde onroerende zaak wil inzetten voor de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan de begroting van deze minister ten grondslag liggen.
De overdracht, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgelegd in een proces-verbaal van overname, dat door de minister en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt ondertekend.
Eventuele voorwaarden als bedoeld in artikel 6, tweede lid, gelden voor de betrokken minister en worden vastgelegd in het proces-verbaal van overname. Eventuele nadere afspraken kunnen ook in het proces-verbaal van overname worden vastgelegd.
Na de overdracht, bedoeld in het tweede lid, bevordert de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de aanpassing bij het Kadaster van de tenaamstelling van de onroerende zaak.
De minister zorgt voor een interne betaling aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van een bedrag gebaseerd op een marktconforme verkoopprijs voor de onroerende zaak.
Artikel 9. Beslissing over vervreemding van onroerende zaken
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan beslissen een overtollig gestelde onroerende zaak te vervreemden indien:
- a. hijzelf of een andere minister de onroerende zaak niet of niet binnen een redelijke termijn nodig heeft als bedoeld in artikel 8, eerste lid; of
- b. het materieelbeheer van de onroerende zaak niet of niet binnen redelijke termijn kan worden overgedragen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, in het geval dat hijzelf of een andere minister de onroerende zaak nodig heeft.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder a, vervreemden om het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt uit te voeren.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vervreemdt een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, op verzoek van de minister die de zaak heeft verworven. Hij voert met die minister overleg over het moment van vervreemding, het doel waarvoor en de voorwaarden waaronder de vervreemding plaatsvindt, en de criteria op grond waarvan een toekomstig eigenaar van de onroerende zaak wordt geselecteerd.
Hoofdstuk 3. Privaatrechtelijk beheer van de onroerende zaken van het rijk
Artikel 10. Openbare verkoop van onroerende zaken van het Rijk aan derden
Als de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een overtollig gestelde onroerende zaak of een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, vervreemdt draagt hij zorg voor een openbare aanbieding van het eigendomsrecht van de onroerende zaak door publicatie op www.biedboek.nl.
Bij de openbare aanbieding van het eigendomsrecht van de onroerende zaak houdt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening rekening met planologische voornemens van het hiertoe bevoegd gezag. Als een wijziging van de aan de onroerende zaak toegedeelde functie volgens hem wenselijk is, voert hij daarover voorafgaand aan de openbare aanbieding overleg met het hiertoe bevoegde gezag.
Bij een openbare aanbieding wordt het recht van gunning voorbehouden.
Voor de overname van het eigendomsrecht wordt een marktconforme prijs betaald aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
De voorwaarden, bedoeld in artikel 6, tweede lid, en artikel 9, derde lid, worden door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bij de overdracht van het eigendomsrecht aan de nieuwe eigenaar gesteld.
Artikel 11. Onderhandse vervreemding onroerende zaken van het Rijk
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan besluiten tot vervreemding zonder openbare aanbieding van:
- a. een overtollig gestelde onroerende zaak of een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder a; of
- b. een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening draagt zorg voor een tijdige aankondiging van de voorgenomen vervreemding door publicatie op www.biedboek.nl met verwijzing naar de criteria op basis waarvan vervreemding zonder openbare aanbieding geschiedt.
Een schriftelijk verzoek tot vervreemding zonder openbare aanbieding van een onroerende zaak als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan bij de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden ingediend door:
- a. een minister, ten behoeve van de huisvesting van een publiekrechtelijke rechtspersoon van de centrale overheid, geen onderdeel van de rechtspersoon Staat, of de uitvoering van een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid waarmee die rechtspersoon is belast; of
- b. een medeoverheid om te voorzien in haar eigen huisvesting of de uitvoering van bij of krachtens de wet van haar gevorderd bestuur, voor zover de medeoverheid daarbij:
- 1°. aantoont dat de overdracht van het eigendomsrecht noodzakelijk is voor haar eigen huisvesting of voor de uitvoering van bij of krachtens de wet gevorderd bestuur;
- 2°. verklaart dat zij de onroerende zaak bestendig in eigendom houdt en dat de onroerende zaak direct na de overname van het eigendomsrecht gebruikt wordt voor haar eigen huisvesting of voor de uitvoering van het onder 1° bedoelde bij of krachtens de wet gevorderde bestuur; en
- 3°. verklaart dat zij de overname van het eigendomsrecht volledig uit publieke middelen zal bekostigen.
Een medeoverheid kan een schriftelijk verzoek tot vervreemding van onroerende zaken, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder a, ook indienen om deze als compensatiegrond aan te kunnen bieden aan een derde die zijn agrarisch bedrijf elders in eigendom overdraagt aan de betrokken medeoverheid in verband met een door die medeoverheid te realiseren nationaal beleidsdoel voor de fysieke leefomgeving.
Als ten aanzien van een onroerende zaak meerdere verzoeken zijn ingediend, overweegt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening eerst de verzoeken van ministers, gevolgd door die van medeoverheden, met dien verstande dat de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een afweging tussen de met die verzoeken gediende belangen maakt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.