← Geldende tekst · Geschiedenis

Beleidsregel van de Minister voor Natuur en Stikstof van 21 mei 2024, nr. WJZ/52780336 tot nader specificeren van de eisen die worden gesteld aan de aanwijzing van nationale parken (Beleidsregel aanwijzing nationale parken)

Geldende tekst a fecha 2024-05-23

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet en artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

Besluit:

Artikel 1. (begripsbepalingen)

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 2. (voorwaarden aanwijzing nationaal park)
1.

De minister wijst op grond van artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een gebied uitsluitend als nationaal park aan, als:

2.

Bij een verzoek om aanwijzing als bedoeld in artikel 3.68, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden door de gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het gebied ligt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Artikel 3. (kwaliteitseis ecosystemen)
1.

Een gebied voldoet aan de kwaliteitseis ecosystemen, bedoeld in artikel 2, onder c, onder 1°, als de ecosystemen in het gebied niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik.

2.

Een ecosysteem dat niet wezenlijk is aangetast door menselijk gebruik, is een samenhangend ecosysteem met duurzaam functionerende abiotische en biotische relaties, waarbij menselijk gebruik en beheer geen negatieve invloed hebben op het duurzaam functioneren.

Artikel 4. (kwaliteitseis bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang)

Een gebied voldoet aan de kwaliteitseis bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang, bedoeld in artikel 2, onder c, onder 2°, als zich in het gebied natuurwetenschappelijke, educatieve en recreatieve waarden van nationaal of internationaal belang bevinden, die op passende wijze beleefbaar zijn.

Artikel 5. (kwaliteitseis grote schoonheid)
1.

Een gebied voldoet aan de kwaliteitseis grote schoonheid, bedoeld in artikel 2, onder c, onder 3°, als het gebied een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat.

2.

Een natuurlijk landschap van grote schoonheid is een landschap met een unieke identiteit, met aandacht voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de plaatselijke tradities, verhalen, geschiedenis en lokale producten.

Artikel 6. (verzekeren wezenlijke kenmerken)
1.

De wezenlijke kenmerken binnen een gebied zijn verzekerd, overeenkomstig artikel 2, onder d, als de functies, gebruiksvormen en beheer in het gebied naar het oordeel van de minister voldoende ondersteunend zijn aan het functioneren van het landschapsecologische systeem en de biodiversiteit.

2.

De beschrijving en het behoud van de wezenlijke kenmerken wordt onderbouwd door middel van:

Artikel 7. (bestaande parken)
1.

Herbegrenzing van een voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel aangewezen nationaal park vindt alleen plaats als dat park voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de artikelen 2 tot en met 6.

2.

De minister overweegt intrekking van een voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel vastgesteld besluit tot aanwijzing van een nationaal park, als dit park op 1 januari 2030 niet voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de artikelen 2 tot en met 6.

Artikel 8. (inwerkingtreding)

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

Artikel 9. (citeertitel)

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanwijzing Nationale Parken 2024–2030.