Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2024, nr. WJZ/44448983 (26116), houdende de vaststelling van een nieuw financieel handboek voor de regionale publieke media-instellingen en de RPO (Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024)

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-06-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2.172, derde lid, en 2.173a, derde lid, van de Mediawet 2008;

Besluit:

Artikel 1. Vaststelling Handboek verantwoording

Op de jaarrekeningen van de regionale publieke media-instellingen en de RPO is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing.

Artikel 2. Intrekking oude verantwoordingsregeling

De Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en RPO 2021 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de verantwoording over het jaar 2022.

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023.

Artikel 4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024.

Bijlage. bij de Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024

1. Inleiding

1.1. Ministeriële regeling

Dit Handboek financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024, bijlage bij de Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024 (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van de artikelen 2.172, derde lid, en 2.173a, derde lid, van de Mediawet 2008. Deze wettelijke grondslag maakt mogelijk om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de inhoud en inrichting van de jaarrekening van de regionale publieke media-instellingen en de RPO.

Dit Handboek vervangt het vorige Handboek van 22 februari 2021 en is van toepassing met ingang van het boekjaar 2023. Voor de leesbaarheid wordt in dit Handboek met ‘publieke media-instelling’ bedoeld: de regionale publieke media-instellingen en de RPO. Indien een regel alleen voor een van de regionale publieke media-instellingen en/of de RPO van toepassing is, wordt dit expliciet vermeld.

De doelstelling van de voorschriften en Modellen van het Handboek is drieledig. Het Handboek:

1.2. Kader

Op de financiële verantwoording van de regionale publieke media-instellingen zijn naast het Handboek de regels van toepassing die zijn opgenomen in:

Op grond van de artikelen 2.172, eerste lid, en 2.173a, derde lid, van de Mediawet 2008, is Titel 9 Boek 2 BW van toepassing op de regionale publieke media-instellingen en de RPO, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening. Op de exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de omvangscriteria volgens de artikelen 2:396 en 2:397 BW dient het begrip netto-omzet te worden geïnterpreteerd als de totale baten (inclusief subsidies en/of projectsubsidie en bijdragen van derden) van de publieke media-instelling.

De controleplicht is voor alle publieke media-instellingen van toepassing op de wijze zoals die in artikel 2:393 BW is geregeld, ongeacht de omvang van de publieke media-instelling. Voorts dienen de publieke media-instellingen een bestuursverslag op te stellen in overeenstemming met hetgeen hieromtrent is opgenomen in artikel 2:391 BW, die verenigbaar is met de jaarrekening.

Wanneer sprake is van afwijkingen tussen Titel 9 Boek 2 BW, het Handboek en de RJ, dan weegt Titel 9 Boek 2 BW het zwaarst, vervolgens het Handboek -in zijn hoedanigheid van onderdeel van een ministeriële regeling- en daarna de RJ.1De Raad voor de Jaarverslaggeving publiceert de RJ. De Raad voor de Jaarverslaggeving is een orgaan waarin de werkgeversorganisaties, vakbonden, registeraccountants en beleggingsanalisten zijn vertegenwoordigd. De richtlijnen zijn voor de verslaggevingspraktijk van belang omdat ze volgens de Ondernemingskamer gezaghebbende kenbronnen vormen van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar te beschouwen normen als in artikel 2:362 lid 1 BW (zie ook arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2006, NJ2006/241). De RJ kennen echter geen direct wettelijk kader. De wet verwijst namelijk niet expliciet naar de richtlijnen. De Stichting voor de Jaarverslaggeving is ook geen publiekrechtelijke rechtspersoon. Het Handboek hanteert hierbij het uitgangspunt dat het geen mogelijkheden wil uitsluiten, die op basis van Titel 9 Boek 2 BW mogelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de keuzemogelijkheid ten aanzien van de grondslag voor de waardering van een actief en een passief, waarbij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde in aanmerking komen (artikel 2:384, eerste lid, BW). Het Handboek sluit hierop aan en wil niet zonder meer een van deze mogelijkheden negeren.

Het Handboek vormt, evenals de RJ, een nadere invulling van Titel 9 Boek 2 BW. Het Handboek bevat voorschriften die inhoudelijk kunnen afwijken van de RJ, omdat ze meer of minder ruimte bieden dan de RJ. Drie voorbeelden dienen ter illustratie van de relatie tussen de RJ en het Handboek. Stel dat de RJ ten aanzien van een specifieke actiefpost twee waarderingsmethoden bieden, dan kan het Handboek voorschrijven dat uitsluitend één van deze methoden is toegestaan. Een tweede voorbeeld is dat het Handboek beide methoden van de richtlijnen uitsluit en een andere (derde) methode voorschrijft. Een derde voorbeeld is dat het Handboek voorschriften stelt die de richtlijnen nader verdiepen, bijvoorbeeld door het stellen van concrete afschrijvingspercentages met betrekking tot de specifieke actiefpost.

1.3. Informatie

Conform artikel 2.173a, tweede lid, Mediawet 2008 zenden de regionale publieke media-instellingen jaarlijks voor 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat).

De jaarrekening bevat minimaal de volgende onderdelen:

Daarnaast voegt het bestuur aan de jaarrekening toe:

Met betrekking tot de jaarrekening zijn het controleprotocol en het Model controleverklaring opgenomen in de bijlagen van dit Handboek.

De aanvullende informatie sluit aan bij de gepubliceerde jaarrekening en bestaat uit:

1.4. Betrokkenheid bij andere rechtspersoon

Publieke media-instellingen kunnen betrokken zijn bij andere rechtspersonen. Deze betreffen rechtspersonen waarin een publieke media-instelling een aanmerkelijk (financieel) belang heeft of waarop de publieke media-instelling een overwegende invloed uitoefent. Een publieke media-instelling is betrokken bij een rechtspersoon als bijvoorbeeld één of meer van de volgende aspecten, eventueel in onderlinge samenhang bezien, van toepassing zijn.

Deze opsomming van de aspecten is niet limitatief:

De financiële bescheiden c.q. de jaarrekening van de bedoelde rechtspersonen, waarover de betreffende publieke media-instelling uit hoofde van haar betrokkenheid kan beschikken, worden gelijktijdig met de toezending van de jaarrekening van de publieke media-instelling naar het Commissariaat gestuurd.

Indien sprake is van duurzame kapitaaldeelname in een afzonderlijke rechtspersoon ten dienste van de eigen werkzaamheden van de publieke media-instelling zijn de betreffende bepalingen van artikel 2:24c BW inzake de zogenoemde ‘deelneming in een rechtspersoon’ van toepassing.

2. Jaarrekening

2.1. Inleiding

De jaarrekening van een publieke media-instelling wordt opgesteld in euro’s en bevat minimaal de onderdelen vermeld in 1.3. Dit hoofdstuk gaat nader in op:

De publieke media-instelling neemt alleen die posten in de voorgeschreven modellen op, die voor de betrokken instelling van toepassing zijn.

2.2. Balans met toelichting

De publieke media-instelling neemt in haar jaarrekening de balans op conform Model I. Met betrekking tot de waarderingsgrondslagen zijn in aanvulling op de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW de volgende regels van toepassing.

2.2.1. Materiële vaste Activa

Waardering van materiële vaste activa geschiedt overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs of actuele waarde onder aftrek van afschrijvingen. Ongerealiseerde waardemutaties dienen plaats te vinden via de balanspost Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa en mogen niet via de exploitatierekening lopen. Doel van deze verwerkingswijze is om de impact op de volatiliteit van de reserve voor media-aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de herwaarderingsreserve onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie dient de waardevermindering verwerkt te worden via de exploitatierekening, nadat eerst de herwaarderingsreserve is teruggebracht tot een nihil saldo. Duurzame waardeverminderingen worden dus bij het ontbreken van een herwaarderingsreserve verwerkt via de exploitatierekening.

Aanschaffingen boven het drempelbedrag (met ingang van 2021 € 2.500) worden geactiveerd Aanschaffingen tot en met € 2.500 komen direct ten laste van de exploitatierekening.

Ten aanzien van de onderdelen bedrijfsgebouwen en terreinen (zie 2.2.1.1); overige materiële vaste activa (zie 2.2.1.2) en vaste activa niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar (zie 2.2.1.3) geldt voor de afschrijvingspercentages dat deze percentages toezien op de nieuwe investeringen.

2.2.1.1. Bedrijfsgebouwen en terreinen

Bij waardering tegen actuele waarde wordt de bepaling van de actuele waarde voldoende regelmatig uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de boekwaarde niet aanzienlijk verschilt van de actuele waarde op balansdatum. De publieke media-instelling stelt bij waardering tegen actuele waarde in ieder geval elke drie jaar de actuele waarde vast.

Bij waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs gelden de volgende afschrijvingsmethoden en -termijnen die in de onderstaande tabel worden weergegeven.

2.2.1.2. Overige materiële vaste activa

In geval van waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs wordt op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte toekomstige gebruiksduur is afgestemd. Het Handboek geeft een nadere duiding over de verwachte toekomstige gebruiksduur die is weergegeven in de onderstaande tabel. Het Handboek hanteert hierbij voor een aantal activacategorieën een bandbreedte. Het is vervolgens aan de regionale publieke media-instellingen om de gebruiksduur van het actief in te schatten en af te zetten tegen de bandbreedtes. Daarmee kan een herziening van de afschrijvingstermijnen dus verwerkt worden als schattingswijziging.

2.2.1.3. Vaste activa niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar

Deze betreffen materiële vaste activa die niet dienstbaar zijn aan de publieke media-instelling en die ook niet meer zullen worden aangewend voor uitvoering van de mediataak. Te denken valt aan gebouwen die geheel of gedeeltelijk worden verhuurd aan derden of die duurzaam geheel of gedeeltelijk leegstand vertonen.

In geval van gebouwen die deels worden verhuurd of die deels leeg staan, moet zowel het verhuurde als het duurzaam leegstaande deel afzonderlijk verkoopbaar zijn of afzonderlijk door middel van een financiële lease aan anderen ter beschikking gesteld kunnen worden om als zelfstandige kasstroom-genererende eenheid te kunnen worden aangeduid. In dit geval is sprake van een vastgoedbelegging en is RJ 213 van toepassing.

Een actief dat niet meer aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar is, is niet gelijk aan een ‘buiten gebruik gesteld actief’. In geval van buiten gebruikstelling is RJ 212.501 van toepassing.

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van bijzondere waardeverminderingen.

2.2.2. Financiële vaste activa

Hierbij gelden regels voor:

2.2.2.1. Deelnemingen

De toelichting geeft een overzicht van alle rechtspersonen waarbij een publieke media-instelling betrokken is en geeft inzicht in de aard van de rechtspersonen. Verder geeft het overzicht inzicht in het resultaat per deelneming. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht daarbij bijzondere afwaarderingen nader toe.

2.2.2.2. Overige effecten

Het gaat hierbij om effecten die bestemd zijn om duurzaam te worden aangehouden. Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.

De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten, ongeacht de toegepaste waarderingsgrondslag.

2.2.3. Vlottende Activa

Voor de volgende posten gelden aanvullende regels:

2.2.3.1. Voorraden

Dit betreft voorschriften ten aanzien van zowel nog niet verspreid media-aanbod als herhalingen. Een overzicht specificeert het totaal van deze post naar nog te verspreiden media-aanbod. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht bijzondere afwaarderingen nader toe. In aanvulling hierop gelden de volgende regels.

2.2.3.1.1. Nog niet verspreid media-aanbod

Waardering van media-aanbod geschiedt tegen directe kosten. Onder de directe kosten vallen de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten. Kosten die niet direct aan het programma zijn toe te rekenen (bijvoorbeeld die van de directie/programmaleiding en planning media-aanbod, netcoördinatie) maken deel uit van de organisatiekosten.

De waardering van media-aanbod wordt verminderd met de voor dit media-aanbod ontvangen bijdragen van derden. De bijdragen van derden betreffen bijdragen van commerciële sponsors en overige derden.

Gereed voor uitzending maar nog niet verspreid media-aanbod wordt op balansdatum individueel beoordeeld. Media-aanbod wordt volledig afgewaardeerd als er door de regionale publieke media-instelling definitief is besloten het media-aanbod niet te verspreiden.

Als twee jaar na de eerste voorraadwaardering nog geen beslissing is genomen ten aanzien van het verspreiden van media-aanbod, wordt het betreffende media-aanbod volledig afgewaardeerd. In specifieke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Het gaat dan om gevallen waarin wel voldoende zekerheid bestaat over de verspreiding van het media-aanbod, maar niet over het jaar waarin de verspreiding zal plaatsvinden of de verspreiding later dan twee jaar na aankoop of productie zal plaatsvinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aankoop van (licenties voor) speelfilms en series die minimaal twee jaar na aankoop ingaan.

De toelichting licht afwijkingen toe, inclusief de waarde per speelfilm/serie e.d. De toelichting toont verder afzonderlijk de vermindering met de voor media-aanbod ontvangen bijdragen van derden. Voor het nog niet verspreide media-aanbod wordt per afzonderlijk media-aanbod de hoogte van de ontvangen bijdragen van derden gespecificeerd, waarbij ook de organisatie wordt vermeld die de bijdrage heeft verstrekt (Model VII).

2.2.3.1.2. Herhalingen

De directe kosten van media-aanbod worden toegerekend aan de eerste verspreiding van media-aanbod. Alleen indien op het moment van eerste verspreiding schriftelijk is vastgelegd dat dit media-aanbod daadwerkelijk herhaald zal worden én voor de herhaling bekostiging is vastgesteld, mag een deel van de directe kosten worden toegerekend aan de herhaling. Waardering van een herhaling geschiedt tegen maximaal het vastgestelde bekostigingsbedrag.

Deze kosten mogen niet worden toegerekend aan eventuele herhalingen van deze productie.

Alle herhalingen worden drie jaar na de eerste voorraadwaardering volledig afgewaardeerd.

De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van de afwaarderingen.

2.2.3.2. Effecten

Dit betreft effecten die niet duurzaam worden aangehouden, niet zijnde financiële instrumenten conform RJ 290 (zie 2.2.4). Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media-aanbod te beperken.

Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.

De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten.

2.2.3.3. Overlopende actiefpost pensioenpremies

Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds / bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Als de op balansdatum reeds betaalde premies de verschuldigde premies overtreffen, wordt een overlopende actiefpost opgenomen voor zover sprake zal zijn van terugbetaling door het fonds of van verrekening met in de toekomst verschuldigde premies.

2.2.4. Eigen Vermogen

Een verloopoverzicht van elk afzonderlijk onderdeel van het Eigen Vermogen geeft inzicht in de mutaties.

2.2.4.1. Reserve voor media-aanbod

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.