Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; fiscale beleggingsinstelling; toepassing artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit bevat mijn beleid voor de beleggingsinstelling bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Gewijzigd ten opzichte van het ingetrokken besluit van 14 oktober 2022, nr. 2022-219522 ( Stcrt. 2022, 28063 ), is het volgende.
Er is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot de financieringslimiet en tijdelijke overschrijding door vergissing (onderdeel 2.3.).
Verduidelijkt is dat het voor de aandeelhoudersvereisten buiten aanmerking laten van de juridische eigenaar zonder enig economisch belang ook geldt voor de bestuurdersvereisten (onderdeel 3.6.2.).
Verduidelijkt is ook dat voor de goedkeuring voor door een dochtermaatschappij behaalde vervreemdingswinst op onroerend goed, het in een bepaalde situatie aanvaardbaar is om aan te sluiten bij de vervreemdingswinst volgens haar commerciële jaarrekening (onderdeel 5.1.2., laatste alinea).
Vervallen is onderdeel 6.3. over de spoedreparatie fiscale eenheid en de berekening voor uitdeling beschikbare winst. De daarin gegeven goedkeuring is intussen opgenomen in artikel 2 van het Besluit beleggingsinstellingen.
Vervallen is ook onderdeel 7.1. over de keuze om per 1 januari 2001 geen herbeleggingsreserve te vormen. Gezien het tijdsverloop en het beschrijvende karakter van dit onderdeel heeft het niet langer voldoende belang.
Tenslotte zijn ook enkele beperkte redactionele wijzigingen toegepast.
1. Inleiding
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bevat twee bijzondere regelingen voor beleggingsinstellingen. Deze zijn opgenomen in respectievelijk artikel 6a en artikel 28. Beide regelingen kennen verschillende vereisten en gevolgen. Artikel 6a geeft een volledige (subjectieve) vrijstelling en stelt vooral eisen op het gebied van de beleggingen. Artikel 28 biedt de mogelijkheid van een tarief van nul percent en stelt vooral eisen op het gebied van aandeelhouders en dividendpolitiek. Dit besluit bevat het beleid ten aanzien van de beleggingsinstelling die gebruik maakt van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Wat in het besluit wordt vermeld met betrekking tot naamloze en besloten vennootschapen en de aandelen in deze vennootschappen geldt op gelijke wijze voor fondsen voor gemene rekening en bewijzen van deelgerechtigdheid in deze fondsen, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld. Alle in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op de ministeriële afwijkingsbevoegdheid van artikel 28, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Financieringslimiet (artikel 28, tweede lid, onderdeel a)
2.1. Financieringslimiet en oprichtingsfase
Beleggingsinstellingen mogen slechts beperkt gebruik maken van vreemd vermogen (artikel 28, tweede lid, onderdeel a). Startende beleggingsinstellingen kunnen onder omstandigheden niet direct aan deze financieringseisen voldoen. Soms is eerst een investering nodig om beleggers aan te trekken. In afwachting van deze beleggers is dan tijdelijk financiering met vreemd vermogen noodzakelijk. Met het oog op dit soort situaties keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur de zogenoemde financieringseis van artikel 28, tweede lid, onderdeel a, buiten aanmerking laat, met inachtneming van de volgende beperking, respectievelijk voorwaarde.
2.2. Financieringslimiet en tijdelijke leenfinanciering in afwachting van aanvullend eigen vermogen
Tijdens het bestaan van de beleggingsinstelling kan het zich voordoen dat voor een bepaalde belegging vanwege de financieringslimiet aanvullend eigen vermogen moet worden aangetrokken, maar dit niet mogelijk is voorafgaand aan het gewenste beleggingstijdstip. Om wenselijk geachte beleggingen niet onnodig op te houden heb ik het volgende besloten.
Ik verleen de inspecteur toestemming namens mij op verzoek goed te keuren dat een aan hem voorgelegde specifieke tijdelijke leenfinanciering in afwachting van het aantrekken van aanvullend eigen vermogen niet leidt tot verlies van de status van beleggingsinstelling. Deze goedkeuring geldt tot uiterlijk 6 maanden na het ontstaan van de desbetreffende leenfinanciering.
Deze goedkeuring acht ik mede passend gezien de overeenkomstige uitlating gedaan bij de totstandkoming van de Wet Vpb 1969.2Handelingen II 1968/69, nr. 65, p. 3206.
2.3. Financieringslimiet en tijdelijke overschrijding door vergissing
Het komt voor dat door vergissing meer vreemd vermogen wordt aangetrokken dan de financieringslimiet toestaat. Als deze vergissing na ontdekking zo spoedig mogelijk wordt hersteld, acht ik het niet wenselijk dat door deze vergissing de status van fbi vervalt. Daarom heb ik het volgende besloten.
Ik verleen de inspecteur toestemming bij overschrijding van de financieringslimiet namens mij op verzoek goed te keuren dat de status van beleggingsinstelling gehandhaafd blijft als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
3. Aandeelhoudersvereisten (Artikel 28, tweede lid, onderdelen c en volgende)
Beleggingsinstellingen zijn niet volledig vrij in de keuze van hun aandeelhouders en bestuurders. De wet bevat op dit punt een aantal beperkingen (artikel 28, tweede lid, onderdelen c, en volgende). Hieronder schets ik het beleid met betrekking tot deze beperkingen.
3.1. Aandeelhoudersvereisten en stapelstructuren
Beleggingsinstellingen zonder beursnotering of Wft-vergunning (dan wel vrijstelling daarvan) kunnen volgens de wet geen moeder zijn van een andere beleggingsinstelling. In de Tweede Kamer is de toezegging gedaan dat als een niet ter beurze genoteerde beleggingsinstelling voor meer dan een vierde gedeelte participeert in een andere niet ter beurze genoteerde beleggingsinstelling, in de uitvoeringssfeer een oplossing zou worden gevonden voor het dreigende statusverlies (Vaste Commissie voor Financiën, 4 december 1989, UCV 4 37). Naar aanleiding hiervan hanteer ik het volgende goedkeurende beleid.
Ik keur goed dat de status van beleggingsinstelling niet wordt verhinderd door de omstandigheid dat een vierde gedeelte of meer van het totale aantal aandelen in dat lichaam berust bij een andere beleggingsinstelling zonder beursnotering of Wft-vergunning (dan wel vrijstelling daarvan). Aan deze goedkeuring is de voorwaarde verbonden dat eerstbedoelde beleggingsinstelling al in het lopende boekjaar ten minste 95 percent van de ter beschikking te stellen winst uitdeelt.
Als in enig jaar niet langer wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde verliest de beleggingsinstelling haar status met ingang van het boekjaar waarop de ter beschikking te stellen winst betrekking heeft.
3.2. Aandeelhoudersvereisten en opstartfase
In beleggingsinstellingen mag slechts beperkt worden deelgenomen door – kort gezegd – lichamen die zijn onderworpen aan een naar de winst geheven belasting (artikel 28, tweede lid, onderdeel c, ten tweede en artikel 28, tweede lid, onderdeel d, ten tweede). Onder omstandigheden is ook een bestuurdersband tussen dergelijke belaste lichamen en beleggingsinstellingen niet toegestaan (artikel 28, tweede lid, onderdeel f). Beide vereisten beogen misbruik van de beleggingsinstelling door belaste lichamen te voorkomen. Oprichting en introductie van beleggingsinstellingen is echter praktisch onmogelijk als direct moet worden voldaan aan deze vereisten. Omdat betrokkenheid van belaste lichamen met de oprichting en introductie van beleggingsinstellingen geen verband houdt met het te voorkomen misbruik heb ik besloten tot de volgende goedkeuring.
Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek ontheffing verleent van het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, ten tweede, onderdeel d, ten tweede, en onderdeel f. Aan deze goedkeuring verbindt hij de volgende beperking, respectievelijk voorwaarden:
3.3. Ontheffing van de bestuurdersvereisten als voldaan wordt aan de verzwaarde aandeelhoudersvereisten
Voor beursgenoteerde lichamen bevat artikel 28 lichtere aandeelhoudersvereisten. Aan deze lichtere aandeelhoudersvereisten verbindt artikel 28 wel bepaalde bestuurdersvereisten. Met ingang van 1 augustus 2007 geldt dit regime voor beursgenoteerde lichamen ook voor lichamen met een Wft vergunning (of vrijstelling daarvan). Sommige van deze lichamen blijken hierdoor niet langer te voldoen aan de vereisten voor toepassing van artikel 28. Namelijk die lichamen die voldeden aan de tot 1 augustus 2007 voor hen geldende zwaardere aandeelhoudersvereisten, maar die niet voldoen aan de met ingang van 1 augustus 2007 voor hen geldende bestuurdersvereisten. Onverkorte wetstoepassing brengt mee dat deze lichamen de status van beleggingsinstelling verliezen. Dit is een door de wetgever niet beoogd gevolg. De wetswijziging beoogt juist een versoepeling van het regime voor niet beursgenoteerde lichamen met een Wft vergunning. Om hieraan recht te doen heb ik besloten tot de volgende goedkeuring.
Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek ontheffing verleent van de bestuurdersbeperkingen van artikel 28, tweede lid, onderdeel f. Deze goedkeuring geldt slechts indien en zolang belastingplichtige voldoet aan de (verzwaarde) aandeelhoudersvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel d.
3.4. Aandeelhoudersvereisten en het onderworpenheidscriterium
Zoals vermeld kunnen lichamen die zijn onderworpen aan een winstbelasting slechts beperkt deelnemen in een beleggingsinstelling. Voor de toepassing van deze beperking geldt de volgende goedkeuring.
Ik keur goed – onder de hierna vermelde voorwaarden – dat lichamen die subjectief belastingplichtig zijn voor een belasting naar de winst, maar door de werking van een objectieve vrijstelling geen belaste activiteiten kennen, voor de toepassing van artikel 28, tweede lid, niet worden aangemerkt als lichamen onderworpen aan een in enige vorm naar de winst geheven belasting.
Deze goedkeuring stoelt mede op grond van het gestelde in Kamerstukken II 1988/89, 20 701, nr. 6, p. 18, over een pensioenfonds met een in het buitenland aan een winstbelasting onderworpen vaste inrichting.
De goedkeuring is van toepassing onder de volgende voorwaarden:
3.5. Aandeelhoudersvereisten en door aandeelhouderswisseling korte tijd niet voldoen
Het komt voor dat door een aandeelhouderswisseling korte tijd redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de aandeelhoudersvereisten. Ik acht het niet wenselijk dat hierdoor de status van fbi vervalt. Daarom heb ik het volgende besloten.
Ik verleen de inspecteur toestemming namens mij op verzoek goed te keuren dat de status van beleggingsinstelling gehandhaafd blijft, mits:
Voor de volledigheid wijs ik op een verwante goedkeuring in onderdeel 2.1. van mijn besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139, Staatscourant 2018 nr. 15751. In dit besluit wordt kort gezegd geen aanmerkelijk belang als bedoeld in de Wet IB 2001 aanwezig geacht bij bepaalde tijdelijke overschrijding van het door de aandeelhoudersvereisten van artikel 28, Wet Vpb1969, gestelde aanmerkelijkbelangverbod.
3.5.1. Onderworpen aandeelhouder met beperkt economisch belang
Aan de Belastingdienst worden situaties voorgelegd waarin een aan een winstbelasting onderworpen lichaam de juridische eigendom heeft van de aandelen in de (beoogde) beleggingsinstelling, maar economisch slechts een beperkt belang heeft bij die aandelen. Men verzoekt het aan een winstbelasting onderworpen lichaam voor de toepassing van de aandeelhoudersvereisten slechts als aandeelhouder aan te merken naar evenredigheid van zijn beperkte economische belang.
Dergelijke verzoeken wijs ik af. Alleen als een juridisch eigenaar geen enkel economisch belang heeft bij de aandelen keur ik goed dat zijn belang en stemrecht buiten aanmerking blijven en in plaats daarvan aan de economische belanghebbende(n) worden toegerekend.
Bij deze uitleg heb ik mij onder andere laten leiden door de vergelijkbare opstelling van de wetgever met betrekking tot de juridische eigendom van verzekeraars bij de totstandkoming van de aandeelhoudersvereisten. De wetgever heeft toen uitdrukkelijk aangegeven dat ook een zeer beperkt economisch belang van de verzekeraar onvoldoende reden is om aan de juridische eigendom van de verzekeraar voorbij te gaan3Kamerstukken I 1989/90, 20701, nr. 78d, p. 16: ‘Wil er sprake zijn van economische eigendom dan is vereist dat het koersrisico volledig voor rekening van de economische eigenaar ligt. Ik ben echter bereid voor bestaande contracten waarbij sprake is van een zeer geringe afwijking van het hiervoor weergegeven uitgangspunt, toe te zeggen dat dit geen belemmering behoeft te zijn voor het aanmerken van de polishouders als economische eigenaar van de aandelen uitgegeven door de beleggingsinstelling. Een algemene verruiming gaat mij te ver.’Handelingen I, 1989/90, nr. 27, p. 1094: ‘De heer Boorsma vroeg naar een overgangsregeling voor fractieverzekeringen, waarbij het belang bij de vermogenswinsten niet voor honderd procent bij de verzekerden ligt. In antwoord daarop kan ik mededelen dat ik bereid ben om voor bestaande contracten, waarbij sprake is van een geringe afwijking van die uitgangspunten, toe te zeggen dat dit geen belemmering behoeft te zijn voor het aanmerken van polishouders als economische eigenaren. Ik verwijs daarvoor volledigheidshalve naar bladzijde 16 van de nadere memorie van antwoord. Het lijkt mij dat deze toezegging voldoende mogelijkheid biedt als overgangsmaatregel.’. Voor de duidelijkheid merk ik nog op dat dit beleidsonderdeel niet meebrengt dat voor de aandeelhoudersvereisten in beginsel de juridische eigendom van een aandeel relevant is en het economische belang alleen in aanmerking moet worden genomen als sprake is van een volledig economisch belang. Doel en strekking van de aandeelhoudersvereisten brengen mee dat zowel de juridische eigenaar als de economische belanghebbende(n) in de beoordeling worden betrokken. Als bijvoorbeeld de juridische eigendom van alle aandelen is ondergebracht bij een niet aan een winstbelasting onderworpen lichaam, maar het economisch belang van de aandelen voor 45% of meer berust bij een wel aan een winstbelasting onderworpen lichaam, wordt niet voldaan aan de aandeelhoudersvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel c.
3.5.2. Aandeelhouderschap zonder enig economisch belang en bestuurdersvereisten
Als krachtens de goedkeuring van onderdeel 3.6.1. een juridische eigenaar die geen enkel economisch belang heeft buiten aanmerking blijft voor de aandeelhoudersvereisten, geldt deze goedkeuring ook voor de bestuurdersvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969.4Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:011:2024:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Dus de bestuurder van een fbi kan bijvoorbeeld ook bestuurder zijn van een lichaam dat de juridische eigendom bezit van alle aandelen in de fbi, maar geen enkel economisch belang heeft bij die aandelen.
4. Aanvang status
Een lichaam dat voldoet aan de wettelijke vereisten kan eerst met ingang van het daaropvolgende jaar als beleggingsinstelling worden aangemerkt (artikel 10, eerste lid, BBI). Het kan voorkomen dat aan alle voorwaarden wordt voldaan behoudens dat door enkele dwingende formaliteiten de statuten niet meer vóór het begin van het volgende (boek)jaar kunnen worden aangepast (in het bijzonder valt hier te denken aan de tijd die verloopt tussen het opstellen van de statuten en het passeren van de akte bij de notaris).
Om tegemoet te komen aan de wens al eerder als beleggingsinstelling te worden aangemerkt, keur ik goed dat het lichaam al als beleggingsinstelling wordt aangemerkt met ingang van de aanvang van het jaar waarin de statuten zijn gewijzigd. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
Een belastingplichtige die van deze regeling gebruik wil maken moet daartoe een verzoek, voorzien van de nodige bewijsstukken met betrekking tot de hiervoor onder a en b genoemde voorwaarden, indienen bij de bevoegde inspecteur. Het verzoek moet worden gedaan vóór de aangifte over het eerste boekjaar waarin de belastingplichtige als beleggingsinstelling wenst te worden aangemerkt.
5. Winstbepaling beleggingsinstelling
5.1.1. Dividend ontvangen uit een belang in een beleggingsinstelling
Een belang in een beleggingsinstelling van 25% of meer moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (artikel 13a Wet Vpb 1969). Als een beleggingsinstelling uit een dergelijk belang een dividend ontvangt en hierdoor de waarde van het belang daalt, zijn de gevolgen voor de uitdelingsverplichting van de ontvangende beleggingsinstelling de volgende.
Het door een beleggingsinstelling ontvangen dividend dient steeds in haar belastbare winst en daarmee in haar uitdelingsverplichting te worden begrepen. Dit lijdt slechts uitzondering bij meegekocht dividend. Aldus wordt recht gedaan aan doel en strekking van het fiscale regime voor beleggingsinstellingen. Voor zover het ontvangen dividend daarbij tot een koersverlies leidt, wordt dat afgewikkeld via de herbeleggingsreserve (als gekozen is voor de vorming van een herbeleggingsreserve).
5.1.2. Ontvangen dividend dat al eerder tot uitdeling heeft geleid
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.