Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/137136, houdende vaststelling van de Beleidsregels Regeling gevelisolatie Schiphol 2023

Type Beleidsregel
Publication 2024-06-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

BESLUIT:

Artikel 1

Voor de toepassing van de Regeling gevelisolatie Schiphol 2023 wordt uitgegaan van de Beleidsregels uitvoeringskader gevelisolatie Schiphol 2023, opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 3

De Beleidsregels geluidsisolatie Schiphol worden ingetrokken.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Regeling gevelisolatie Schiphol 2023.

Bijlage. Beleidsregels uitvoeringskader gevelisolatie Schiphol 2023 ter nadere uitwerking van de Regeling gevelisolatie Schiphol 2023

Hoofdstuk 1. Inleiding en doelstelling

1.1. Inleiding

Dit uitvoeringskader heeft betrekking op het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan geluidgevoelige ruimten van woningen die onder de reikwijdte vallen van de Regeling gevelisolatie Schiphol 2023(hierna: de RGS’23). De regels uit de RGS’23, die het algemene kader voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen vormen, worden in dit uitvoeringskader nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Zo gaat dit uitvoeringskader bijvoorbeeld over de wijze waarop wordt bepaald of een ruimte in een woning als geluidgevoelige ruimte kwalificeert, en bevat het informatie over welke akoestische voorzieningen in een geluidgevoelige ruimte kunnen worden aangebracht. Met de uitgangspunten in dit uitvoeringskader, wordt beoogd een uniforme en efficiënte uitvoering te bevorderen.

1.2. Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het gevelisolatieprogramma met betrekking tot de luchthaven Schiphol ziet er als volgt uit:

Hoofdstuk 2. Aanbod en besluit, overeenkomsten

2.1. Aanbod en besluit

De RGS’23 schrijft voor dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (namens deze het landelijk project Gevelisolatie van Rijkswaterstaat Programma's, Projecten en Onderhoud (hierna: Rijkswaterstaat)), na toestemming van de eigenaar, onderzoek doet bij een woning die is opgenomen in een gevelisolatieprogramma. Indien uit het onderzoek blijkt dat de woning in aanmerking komt voor geluidwerende voorzieningen, zal Rijkswaterstaat het besluit tot gevelisolatie voorbereiden.

Dit betekent dat de eigenaar een aanbod tot gevelisolatie krijgt dat in ieder geval een tekening bevat met daarop de aan te brengen geluidwerende voorzieningen en de voorwaarden waaronder de gevelisolatie wordt uitgevoerd.

Als een eigenaar geen toestemming verleent voor het uitvoeren van het gevelisolatieonderzoek of het aanbrengen van gevelisolatie, dan volgt een besluit van Rijkswaterstaat waarin staat dat de woning niet langer in aanmerking komt voor geluidwerende voorzieningen. Dit besluit wordt opgenomen bij de informatie van de woning in het openbare register van het Kadaster.1Zie artikel 9, elfde lid, van de RGS’23. Rijkswaterstaat verzorgt deze melding in het Kadaster.

2.2. Overeenkomst op verzoek van een eigenaar

Naast het besluit tot gevelisolatie kan Rijkswaterstaat op verzoek een overeenkomst met de eigenaar aangaan. Een reden voor het aangaan van een overeenkomst kan zijn dat uit het onderzoek blijkt dat er belemmeringen zijn om geluidwerende voorzieningen zonder meer aan te brengen.

Deze belemmeringen kunnen zijn:

In dergelijke situaties wordt de eigenaar in de gelegenheid gesteld om voor eigen rekening de benodigde herstelwerkzaamheden uit te (laten) voeren.

Daarnaast kan op verzoek van de eigenaar een overeenkomst worden aangegaan om gelijktijdig met de gevelisolatie andere voorzieningen (zie hierna paragraaf 5.2 onder ‘Wensvoorzieningen’) door Rijkswaterstaat te laten aanbrengen.

Hoofdstuk 3. Geluidgevoeligheid van ruimten

3.1. Algemeen

Gevelisolatie wordt, gelet op de RGS’23, alleen aangebracht ten behoeve van de geluidgevoelige ruimten van een woning. Daarom wordt tijdens het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek2Zie artikel 1, eerste lid, onder m, van de RGS’23. bepaald of een ruimte geluidgevoelig is.

Geluidgevoelige ruimten van woningen zijn ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer dan wel als keuken, die laatste met een vloeroppervlakte van tenminste 11 m2, worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd.3Zie artikel 1, eerste lid, onder c, van de RGS’23. Nadat is vastgesteld dat een ruimte geluidgevoelig is, volgt de tweede stap, waarbij wordt beoordeeld of de geluidgevoelige ruimte voldoet aan de op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voorgeschreven technische voorschriften voor bestaande bouw4Zie hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.. Dit betreft onder meer eisen met betrekking tot daglichttoetreding, bereikbaarheid, ventilatie, (brand)veiligheid, oppervlakte, hoogte van de ruimte en geluidwering van scheidingswanden. Deze eisen gelden voor alle in paragraaf 3.2 tot en met 3.7 vermelde geluidgevoelige ruimten.

Een eigenaar heeft zelf de verplichting om aan die eisen te voldoen. Indien uit het onderzoek blijkt dat niet aan deze eisen is voldaan, dan moet de eigenaar ervoor zorgen dat alsnog aan die eisen wordt voldaan alvorens geluidwerende voorzieningen op grond van de RGS’23 en deze beleidsregels worden aangebracht. Op verzoek van de eigenaar en tegen betaling van de meerkosten kunnen deze maatregelen door Rijkswaterstaat worden uitgevoerd.

In de volgende paragrafen wordt nader beschreven wanneer ruimten binnen woningen als geluidgevoelige ruimten in de zin van de RGS’23 kwalificeren.

3.2. Woonkamers en eetkamers

De ruimte moet wel voldoen aan de minimale technische eisen die het Bbl5Zie hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. daaraan stelt. Zo moet de ruimte beschikken over:

Voorts mogen er in de ruimte geen installaties (bijvoorbeeld cv-ketel) aanwezig zijn en moet de ruimte, indien deze niet is gelegen op de begane grond, bereikbaar zijn via een vaste trap.

Als de ruimte niet aan de genoemde eisen voldoet, wordt de eigenaar door Rijkswaterstaat in de gelegenheid gesteld deze ruimte voor eigen rekening – al dan niet middels een verplichte wensvoorziening – aan te passen, in lijn met de minimale technische eisen van het Bbl, tenzij Rijkswaterstaat dit niet haalbaar of zinvol acht.

3.3. Slaapkamers

Een slaapkamer is een ruimte van een woning die kennelijk duurzaam voor nachtverblijf in gebruik is of voor zodanig gebruik is bestemd. Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:

De ruimte moet wel voldoen aan de minimale technische eisen die het Bbl6Zie hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving daaraan stelt. Zo moet de ruimte beschikken over:

Voorts mogen er in de ruimte geen installaties (bijvoorbeeld cv-ketel) aanwezig zijn en moet de ruimte, indien deze niet is gelegen op de begane grond, bereikbaar zijn via een vaste trap.

Als de ruimte niet aan de genoemde eisen voldoet, wordt de eigenaar door Rijkswaterstaat in de gelegenheid gesteld deze ruimte voor eigen rekening aan te passen in lijn met de minimale technische eisen van het Bbl, tenzij Rijkswaterstaat dit niet haalbaar of zinvol acht.

3.4. Keukens

Alle ruimten van ten minste 11 m², die volgens het oorspronkelijk ontwerp en de bouwvergunning of omgevingsvergunning bestemd zijn als keuken of als zodanig kennelijk in gebruik zijn, zijn geluidgevoelig, tenzij een vaste inrichting is aangebracht ten behoeve van een ander (niet geluidgevoelig) gebruik (bijvoorbeeld een kantoor of badkamer).

Een keuken die in open verbinding staat met een woonkamer (zie ook paragraaf 3.7) wordt als geluidgevoelig beschouwd. Is een keuken kleiner dan 11 m2 of is de opening kleiner dan de 1,80 m, dan is de keuken niet geluidgevoelig.

3.5. Serres

Een serre is niet geluidgevoelig. Een uitzondering wordt gemaakt indien sprake is van een degelijke uitbreiding die door middel van een niet afsluitbare opening (zie paragraaf 3.7) in verbinding met de geluidgevoelige ruimte staat en voldoet aan de voorschriften voor verblijfsruimten van het Bbl.

3.6. Overige ruimten

3.7. Openingen tussen ruimten

Het kan voorkomen dat er niet-geluidgevoelige ruimten zijn die een niet-afsluitbare opening hebben naar een geluidgevoelige ruimte. Als de breedte van de opening tussen beide ruimten groter is dan 1,80 m, dan worden de ruimten akoestisch als een geheel beschouwd. Is de opening kleiner dan 1,80 m breed, dan worden de twee ruimten als akoestisch gescheiden beschouwd.

Indien isolatie van de geluidgevoelige ruimte noodzakelijk is, dan gelden de volgende uitgangspunten:

3.8. Bijzondere situaties

a. Omloopgeluid

Geluid dat niet rechtstreeks via de gevel in een geluidgevoelige ruimte binnenkomt maar via een nevenruimte (bijvoorbeeld hal of knieschot), kan van invloed zijn op het te bereiken geluidniveau in de geluidgevoelige ruimte en daarmee mede bepalen of wel of niet aan de wettelijke binnenwaarde wordt voldaan. Over het algemeen zal dit zogenaamde omloopgeluid geen grote invloed hebben op het geluidniveau en slechts in die situaties van belang zijn waar het berekende geluidniveau de wettelijke eis benadert.

b. Verborgen gebreken tijdens de uitvoering

Tijdens het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek wordt geen destructief onderzoek gedaan. De woning wordt alleen visueel beoordeeld en er wordt een inschatting van de situatie gemaakt. In de praktijk kan het daarom voorkomen dat (bouwtechnische) gebreken zich pas openbaren nadat het besluit om de woning te isoleren door het bevoegd gezag is gedaan; we spreken dan over een verborgen gebrek.

Als het gaat om gebreken die tot gevolg hebben dat de geluidwerende maatregelen niet doelmatig kunnen worden aangebracht en die Rijkswaterstaat redelijkerwijs ook niet had behoeven te voorzien, wordt daar als volgt mee omgegaan:

c. Partiële isolatie

Indien een eigenaar daarom verzoekt, is het mogelijk om over te gaan tot partiële isolatie van een woning. Partieel isoleren houdt in dat verband in dat in één of meerdere geluidgevoelige ruimten geen voorzieningen worden aangeboden en die ruimtes dus in het geheel niet geïsoleerd worden. Het is niet mogelijk om binnen één ruimte een deel van de geluidwerende voorzieningen te laten vervallen.

Indien voor isolatie van een ruimte tevens voorzieningen aangebracht zouden moeten worden aan nevenruimten, en indien de eigenaar ervoor kiest om de te isoleren ruimte uit te sluiten in het kader van partiële isolatie, dan worden er geen voorzieningen aangebracht in de nevenruimten.

Indien de uit te sluiten ruimte tevens functioneert als nevenruimte voor een wel te isoleren ruimte, dan is het mogelijk dat er toch (beperkte) voorzieningen aangebracht moeten worden aan de uit te sluiten ruimte ten behoeve van de wel te isoleren ruimte. In dat geval kan de eigenaar niet afzien van die beperkte voorzieningen.

Hoofdstuk 4. De akoestische voorzieningen

4.1. Voorzieningen aan de gevels

4.1.1. Kozijnen

In principe worden bij het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen de bestaande kozijnen gehandhaafd. Indien het nieuw te plaatsen glas niet in de bestaande sponning past (eventueel nadat het kozijn uitgefreesd is) zal het kozijn met extra sponning- en aanslaglatten geschikt gemaakt worden voor het nieuwe glas. Vervanging van het kozijn gebeurt alleen wanneer:

Indien kozijnen vervangen moeten worden, worden kozijnen van hetzelfde materiaal als de te vervangen kozijnen geplaatst, mits daarmee aan de vereiste geluidwering7Zie artikel 10 van de RGS’23. wordt voldaan en dit is toegestaan op basis van geldende regelgeving.

4.1.2. Beglazing

Indien bestaand dubbel glas wordt vervangen, dan wordt dit glas vervangen door HR++ glas. Indien bestaand enkel glas wordt vervangen, dan wordt ook dit glas vervangen door HR++ glas. Enkel glas wordt (uitzonderingsituaties daargelaten) niet toegepast.

De afmetingen van het akoestische glas zijn begrensd vanwege het gewicht. Dit betekent dat te grote glasvlakken opgedeeld zullen worden door middel van een tussenstijl in het kozijn.

De houtmaat van vaste ramen wordt afgestemd op de eventueel te plaatsen draairamen en kan dus wijzigen.

Indien in de bestaande toestand speciaal glas aanwezig is (bijvoorbeeld zonwerend), wordt glas met een vergelijkbare kwaliteit aangebracht, mits dit akoestisch mogelijk is.

Indien de breedte van het glas meer dan 15 cm bedraagt, wordt veiligheidsglas toegepast in geval van:

Indien in de bestaande toestand glasroeden aanwezig zijn, dan worden deze, afhankelijk van die bestaande toestand, vervangen door nieuwe roeden. Daartoe bestaan de volgende mogelijkheden:

Op verzoek van de eigenaar kan, indien een voorzetraam niet wordt gewenst en het akoestisch mogelijk is, het bestaande glas in lood, mits van goede kwaliteit, in de glasspouw worden geplaatst. Het glas in lood wordt in dat geval kleiner, om het in de glasspouw te kunnen plaatsen.

Alle extra kosten voor bijvoorbeeld vervoer, aanpassing, reparatie, herstel en plaatsing in de spouw van het glas in lood komen voor rekening van de eigenaar. Glas in lood van slechte kwaliteit zal niet in de glasspouw geplaatst worden.

4.1.3. Draairamen

Draairamen worden uitgevoerd in hout, tenzij in de bestaande situatie een ander soort materiaal is toegepast (bijvoorbeeld aluminium of kunststof). Om constructieve redenen wordt voor draairamen hardhout gebruikt (standaard dark red meranti).

De eigenaar kan voor een andere hardhoutsoort kiezen:

De keuze voor een draairaam of draai-/valraam wordt bepaald door het type raam dat aanwezig is volgens het principe: ‘terugbrengen als bestaand’. Deze keuze is ook afhankelijk van uitvoeringstechnische afwegingen. In beginsel wordt in een bestaand kozijn de sponning niet veranderd (dus geen draai-/valraam waar nu een raam naar buiten draait). Alleen wanneer er een nieuw kozijn wordt geplaatst, is de keuze tussen draairaam of draai-/valraam vrij.

Indien in de bestaande toestand een draaivalraam aanwezig is, wordt in principe ook het kozijn vervangen.

Hang- en sluitwerk is dusdanig degelijk uitgevoerd dat als een woning in de bestaande situatie is voorzien van een politiekeurmerk Veilig Wonen, dit na isolatie behouden kan blijven.

4.1.4. Schuiframen

Bij schuiframen wordt de schuifconstructie vervangen door een vulling met vaste beglazing en een draai(/val)raam. Indien Rijkswaterstaat dit noodzakelijk acht, wordt hierbij ook het kozijn vervangen.

4.1.5. Deuren

Bij voorkeur worden hardhouten deuren met gangbare houtafmetingen toegepast. Om een optimale werking van de kierdichting te waarborgen worden de deuren uitgevoerd met een driepuntssluiting.

Voor dubbele (balkon)deuren geldt hetzelfde als voor enkele deuren, met dien verstande dat altijd één van beide deuren als loopdeur wordt geplaatst. Hang- en sluitwerk is dusdanig degelijk uitgevoerd dat als een woning in de bestaande situatie is voorzien van een politiekeurmerk Veilig Wonen, dit na isolatie behouden kan blijven.

Indien de voordeur van een woning vervangen moet worden, wordt een nieuwe voldoende akoestisch geïsoleerde voordeur van een vergelijkbare kwaliteit en vormgeving als de bestaande voordeur geplaatst.

Te vervangen of te plaatsen binnendeuren worden, indien akoestisch mogelijk, afgestemd op overige al in de woning aanwezige deuren, waarbij geldt dat de betreffende deur in de normale handel verkrijgbaar moet zijn.

4.1.6. Schuifpuien

Schuifpuien bieden meestal een slechte geluidwering. De bestaande schuifpui van een geluidgevoelig vertrek wordt daarom, indien Rijkswaterstaat dit noodzakelijk acht, vervangen door een nieuwe kantelschuifpui met een dubbele kierdichting. Ten behoeve van deze kierdichting zal de onderdorpel van de schuifpui veelal hoger moeten worden gemaakt door Rijkswaterstaat.

4.2. Voorzieningen aan daken, vloeren en plafonds

4.2.1. Hellende daken

Voorzieningen aan hellende dakvlakken worden altijd aan de binnenzijde van de dakconstructie aangebracht. Door binnendakse isolatie zal de binnenruimte kleiner worden.

4.2.2. Platte daken

Voorzieningen aan platte daken (bungalows, dakkapellen, aanbouwen) worden om bouwfysische en uitvoeringstechnische redenen gewoonlijk buitendaks aangebracht.

In bijzondere situaties kan gekozen worden voor binnendakse isolatie, bijvoorbeeld wanneer een grote constructiehoogte in het dak aanwezig is, of wanneer reeds een thermisch geïsoleerd dak is aangebracht (een zogenaamd warm dak, met de isolatie rechtstreeks onder de dakbedekking).

Er wordt geen zink of koper toegepast als afwerking van het platte dak; de waterwerende laag wordt voorzien van de standaard dakbedekking. Uitgezonderd is alleen de situatie waarin het zink of koper vanaf de begane grond zichtbaar is.

Over het algemeen is het noodzakelijk om het boeiboord van het platte dak te verhogen indien het platte dak van buitenaf geïsoleerd wordt. Hiervoor zal gebruikgemaakt worden van een gelijksoortige afwerking als het bestaande boeiboord. Indien in de bestaande toestand geen boeiboord aanwezig is, dan wordt deze door Rijkswaterstaat aangebracht; de gevels worden niet opgemetseld.

4.2.3. Vloeren, plafonds en binnendeuren

Bestaande plafonds worden zoveel mogelijk gehandhaafd. Een isolatiepakket ter plaatse van een schuin dakvlak wordt op het bestaande plafond aangesloten door middel van een afwerklat of gestucte plafondplint.

Indien in verband met omloopgeluid via bijvoorbeeld de zolder voorzieningen nodig zijn aan het plafond, dan wordt afhankelijk van de aangetroffen situatie:

Voor de afwerkingen; zie ook paragraaf 5.1

4.2.4. Dakramen en dakkapellen

Indien een bestaand dakraam niet aangepast kan worden, dan wordt een nieuw dakraam met akoestisch isolerende beglazing aangebracht. De afmetingen van het nieuwe raam zijn zoveel mogelijk gelijk aan die van het bestaande raam, maar kunnen afwijken in verband met de gangbare handelsmaten van het moment. Eventueel aanwezige rolluiken, zonweringen etc. worden indien mogelijk overgezet of vervangen door nieuwe.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.