Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie

Type Beleidsregel
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

I. Inleiding

Per 1 juli 2024 is de zedentitel in het Wetboek van Strafrecht (Sr) door de Wet seksuele misdrijven vervangen door de titel Seksuele misdrijven. De strafbaarstelling van kinderpornografie (oud artikel 240b Sr) is ondergebracht in artikel 252 Sr. De voornaamste wijzigingen zijn dat de term ‘afbeelding’ in de strafbaarstelling is vervangen door de term ‘visuele weergave’ en dat de term ‘seksuele gedraging’ is vervangen door de term ‘van seksuele aard of met onmiskenbaar seksuele strekking’. Deze nieuwe terminologie wordt ook in deze richtlijn gehanteerd. Het wettelijke strafmaximum in artikel 252 Sr is verhoogd tot zes jaar gevangenisstraf. Het strafmaximum voor het maken van een beroep of gewoonte is verhoogd naar negen jaar gevangenisstraf (art. 254 lid 1 sub c Sr).

In artikel 252 (nieuw) Sr is net als in het oude artikel 240b strafbaar gesteld: het verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verwerven en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal en het zich de toegang verschaffen tot1In art. 240b (oud) Sr luidde het bestanddeel: ‘het zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang verschaffen tot’. In het vervolg van deze richtlijn zal gesproken worden over “zich toegang verschaffen”, zoals het in het nieuwe artikel 252 Sr is verwoord, maar daaronder wordt dan mede het bestanddeel uit artikel 240b (oud) Sr begrepen. kinderpornografisch materiaal.

Deze richtlijn bevat allereerst criteria aan de hand waarvan in individuele zaken tot een afdoeningsbeslissing in de vorm van een OM Strafbeschikking (OMSB) kan worden besloten (onder II) en vervolgens uitgangpunten wanneer een strafeis geformuleerd dient te worden in zaken die ter zitting aan de rechter worden voorgelegd (III-V).

II. OM-strafbeschikking

Er kunnen omstandigheden aan de orde zijn waardoor een afdoening buiten de zittingszaal een meer passende reactie is dan het langer durende, volledige strafrechtelijke onderzoek, inclusief het traject naar de rechtbank. Hierbij kan worden gedacht aan de noodzaak tot een snellere interventie met bijvoorbeeld een intensieve, gedragsbeïnvloedende behandeling.

De leidende vragen daarbij zijn of het gewenst en noodzakelijk is dat een volledig onderzoek (naar de feiten en omstandigheden van het delict en de persoon van de verdachte) wordt uitgevoerd en of de verdachte zich tegenover een strafrechter dient te verantwoorden.

De beslissing om voor deze afdoeningswijze te kiezen is altijd een beslissing van de officier van justitie en deze is altijd gebaseerd op de criteria die in samenhang met elkaar per individuele zaak worden afgewogen. De beslissing van de officier van justitie kan al naar gelang de geconstateerde omstandigheden van de zaak, gedurende het onderzoek ook gewijzigd worden.

In beginsel kan tot het afdoen van een zaak met een OM-strafbeschikking worden besloten in zaken waarin sprake is:

De strafbeschikking kan de aanwijzingen bevatten die op grond van art. 257a lid 3 Sv aan de verdachte kunnen worden gegeven3Ter volledigheid wordt opgemerkt dat gelet op het geldende taakstrafverbod en de redenering daarachter kan worden opgemaakt dat een geldboete niet gepast is.:

Deze gedragsaanwijzingen worden uitsluitend op advies van de reclassering opgelegd.4Zoals volgt uit de Aanwijzing OM-strafbeschikking (2020A0014). Ook de andere daarin vervatte eisen zijn vanzelfsprekend van overeenkomstige toepassing bij het afdoen met een OM-strafbeschikking.

III. Uitgangspunten bij het bepalen van de strafmaat

Aangezien kinderpornografiezaken een grote variatie in delicts- en zaaksspecifieke factoren kennen, is het moeilijk om standaardeisen te formuleren. Deze richtlijn geeft daarom naast de basiseis(paragraaf IV) een aantal strafbepalende factoren(paragraaf V), die in onderling verband en samenhang met de omstandigheden van de zaak bezien de hoogte van de strafeis bepalen. Hierbij kan een bepaalde factor in de ene zaak (in de combinatie met andere factoren) strafverminderend werken, maar in de andere zaak juist strafverzwarend zijn.

Uitgangspunt van de strafeisen in kinderpornografiezaken is de (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf. Op art. 240b (oud) Sr en art. 252 (nieuw) Sr is het taakstrafverbod van toepassing (art. 22b lid 1 onder b Sr). Hier kan van worden afgeweken (art. 22b lid 3 Sr), maar een taakstraf kan enkel worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en komt alleen in aanmerking bij een verdachte die first offender is en slechts een beperkt aantal bestanden in zijn bezit heeft of heeft verworven of zich daartoe toegang heeft verschaft.

Per 1 juli 2024 is ook artikel 14b Sr aangepast, waardoor voor alle strafbare handelingen van art. 252 (nieuw) Sr die zijn gepleegd vanaf 1 juli 2024 een proeftijd van maximaal tien jaar kan worden opgelegd.

Voor feiten gepleegd vóór 1 juli 2024 is de proeftijd maximaal drie jaar, met uitzondering van het vervaardigen van materiaal, waarvoor meestal een maximale proeftijd van tien jaar gold.5Artikel 14b Sr, in combinatie met Hoge Raad 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:524, Hoge Raad 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116 en Hoge Raad 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:894.Een lange proeftijd van maximaal tien jaar is wel mogelijk bij een veroordeling voor dierenpornofeiten (art. 254a Sr) gepleegd vóór 1 januari 2024, mocht dergelijk materiaal ook bij de verdachte zijn aangetroffen.

Bij alle handelingen genoemd in 240b (oud) en 252 (nieuw) Sr is het daarnaast mogelijk om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr op te leggen. Ook kunnen in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voorwaarden aan de veroordeelde worden gesteld.

In veel gevallen kan het wenselijker zijn dat een verdachte voor langere tijd onder toezicht wordt gesteld (middels gestelde bijzondere voorwaarden) dan dat hij een korte vrijheidsstraf uitzit, waarna hij zonder of met slechts korte begeleiding weer terugkeert in de samenleving.

De basisstrafmaten zijn uitsluitend van toepassing in zaken met meerderjarige verdachten. Het bepalen van een afdoeningsmodaliteit en strafmaat in zaken met minderjarige verdachten vergt, vanwege de specifieke jeugdrecht-aspecten, dusdanig maatwerk, dat deze niet in een algemene richtlijn als deze zijn te vatten. Voor dergelijke zaken wordt dan ook verwezen naar de beleidsdocumentatie die voor jeugdzaken is opgesteld.6Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HALT; “Pubers in beeld”, OM-beleid bij door jongeren geproduceerde seksuele afbeeldingen van minderjarigen (“sexting”).

IV. Basisdelicten

Hieronder zijn enkele basisdelicten weergegeven met de strafeis die daarbij als basiseis gezien kan worden. De in paragraaf III en V genoemde factoren zijn van belang bij het bepalen van de verhoging of verlaging van de basis-strafeis, op grond van de specifieke omstandigheden van de zaak. Bij enkele basisdelicten is het maken van een beroep of gewoonte of het meermalen of over een langere periode plegen reeds meegewogen.

1 Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Peer-to-peer

2 Daarnaast ligt het tenlasteleggen van het desbetreffende hands-on seksuele misdrijf voor de hand.

3 Idem.

V. Strafbepalende factoren

Art. 240b (oud) en [252 (nieuw) Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252) geven geen rangorde aan in strafwaardigheid van de in de strafbepaling genoemde handelingen die rondom kinderpornografie gepleegd kunnen worden. Er zijn wel wettelijke strafmaatverhogende omstandigheden die invloed hebben op het strafmaximum:

Mogelijk bijkomende straffen zijn daarnaast ontzetting van rechten art. 251 lid 1 (oud) Sr / 254a lid 1 (nieuw) Sr en een beroepsverbod indien feit begaan is in uitoefening van dat beroep (art. 251 lid 2 (oud) Sr en 254a lid 2 (nieuw) Sr)

De mate waarin de handelingen structureel en/of doelbewustzijn ondernomen, is een belangrijke factor bij het bepalen van de strafmaat. In beginsel zijn dit strafverzwarende omstandigheden. Hoe bewuster en structureler de strafbare feiten gepleegd zijn, des te groter is het verwijt aan verdachte dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van het wereldwijde misbruik van kinderen. Dit geldt uiteraard in de sterkste mate in zaken waarin de verdachte voor het geleverd krijgen van het strafbare materiaal of het zelfs ’op bestelling’ laten vervaardigen ervan, een tegenprestatie heeft geleverd of ervoor heeft betaald. Deze omstandigheden zijn onder meer af te leiden uit de omgevingen waaruit het materiaal is verkregen of waarin het is verspreid, de tijd en moeite die verdachte in zijn activiteiten heeft gestoken, de (gestructureerde) wijze waarop het materiaal door verdachte bewaard is en de lengte van de pleegperiode. Dit zijn overigens ook de omstandigheden die kunnen leiden tot het strafmaatverhogende ‘gewoonte maken van’.

Het uitsluitend voor eigen gebruik in bezit hebbenvan strafbaar materiaal, het verwervenervan en het zich daartoe toegang verschaffen, kunnen in beginsel tot de “minder zware” handelingen gerekend worden.

Het vervaardigenvan kinderpornografisch materiaal kan diverse handelingen omvatten. Van vervaardigen is al sprake als op geheel vrijwillige basis en binnen een relatie door minderjarigen erotische opnamen van elkaar worden gemaakt7Zie voor deze categorie zaken: Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HALT; “Pubers in beeld”, OM-beleid bij door jongeren geproduceerde seksuele afbeeldingen van minderjarigen (“sexting”)., maar aan het andere eind van het spectrum bevinden zich de zaken waarin een verdachte zelf een (pleeg-, stief-, oppas-)kind seksueel misbruikt en daar beeldmateriaal van produceert. Voorts is sprake van het vervaardigen van kinderpornografie als een verdachte foto’s van kinderhoofdjes op pornografische foto’s (van volwassenen) plakt, realistische tekeningen of computeranimaties maakt, maar ook als (heimelijk) beeldmateriaal gemaakt wordt van (naakt) spelende kinderen, met een onmiskenbaar seksuele strekking.

De Nederlandse verdachte die naar het buitenland reist om daar kinderen te misbruiken en die van dat misbruik visuele weergaven maakt, valt ook onder de categorie “vervaardigers”.

Het verspreiden en aanbiedenvan kinderpornografie omvat ook vele varianten en daarmee ook verschillende strafeisen. Zo maakt iemand zich schuldig aan verspreiding door een (link naar een) enkel bestand per email of in een chatapp aan een ander persoon te sturen, maar ook door kinderpornografische bestanden op het internet, waaronder het Darkweb in een chat of op een forum te plaatsen. Onder verspreiden valt ook het zelf voor commerciële doeleinden een kinderpornografische website, chat of forum onderhouden of deze bestanden door het gebruik van P2P (“peer to peer”)-software aan anderen ter beschikking stellen.

Het doelbewust op een openbare chat of forum plaatsen van erotische opnamen van een voor de verdachte bekend slachtoffer zal tot een hogere strafeis leiden dan het via P2Psoftware (“peer to peer”) verspreiden van grote hoeveelheden materiaal dat afkomstig is van commerciële websites. Het plaatsen van nieuw en zelf vervaardigd materiaal zal ook tot een hogere strafeis leiden dan het verspreiden van reeds bij de opsporing bekend materiaal.

Bij het bepalen van de strafeis voor het verspreiden en aanbieden spelen derhalve met name de volgende factoren een rol: de hoeveelheid verspreide bestanden, het aantal (potentiële) afnemers, de aard van het materiaal en de schade die door de verspreiding (al dan niet doelbewust) aan slachtoffers is toegebracht.

Het tonen van kinderpornografisch materiaal aan een minderjarige en zo het kind het idee geven dat dergelijke seksuele handelingen en relaties acceptabel zijn en het kind wellicht over te halen er zelf aan deel te nemen, is tevens een strafverzwarende omstandigheid8En tevens strafbaar op grond van art. 240a (oud) en 151e of 251 lid 1 sub b (nieuw) Sr.. Dit geldt ook voor beelden van seksuele handelingen door/met minderjarigen (al dan niet door de verdachte zelf geproduceerd), die gebruikt worden om de minderjarige onder druk te zetten, te bedreigen of te chanteren,bijvoorbeeld om de minderjarige te bewegen meer van dergelijke beelden (van zichzelf) te (laten) maken.

Hoe jonger de kinderen op de visuele weergaven zijn, hoe strafwaardiger het over het algemeen is.

Strafbepalend is ook de seksuele aard van de visuele weergave (was er sprake van strafbare feiten als seksuele handelingen of seksuele penetratie van het lichaam of bestaat het materiaal uit erotisch poserende minderjarigen of erotiserend gebruikte houdingen van de minderjarige?) en – voor zover is of kan worden vastgesteld – de schade die hierdoor aan de minderjarige is toegebracht, ook in samenhang met de leeftijd van het kind.

Het “slechts poseren” (al dan niet “vrijwillig”) door een minderjarige in de puberleeftijd is niet per definitie minder schadelijk dan bijvoorbeeld het plegen van ontuchtige handelingen met een kind in de peuter- of babyleeftijd. Met name als “poseermateriaal” openbaar of voor de omgeving van het (via internet) vindbaar verspreid is en derhalve nooit meer uit de samenleving is te halen, kan de impact en de schade daarvan aan de betrokken minderjarige bijzonder groot zijn. Bovendien is aan de visuele weergave(n) zelf niet altijd te zien in welke schadelijke omstandigheden de kinderen verkeerden toen deze gemaakt werd(en).

Belangrijk is dan ook de mate waarin de verdachte de schade aan het misbruikte kind voor lief heeft genomen, juist een voorkeur heeft voor een bepaalde vorm van misbruik, zoals bijvoorbeeld extreem sadistisch materiaal (hurtcore), of leeftijd van de slachtoffers, of de schade aan het slachtoffer zelf veroorzaakt heeft.

In dit verband dient opgemerkt te worden dat het feit dat in een zaak sprake is van zogenaamd virtueel materiaal, niet automatisch betekent dat dat tot een lagere strafeis dient te leiden dan in zaken waarin sprake is van materiaal van een echt kind. Veel van het virtuele materiaal dat in omloop is geeft de aanschouwer ervan de indruk dat het afgebeelde misbruik acceptabel is, dat minderjarigen het ook als prettig ervaren, of kan als “lesmateriaal” beschouwd worden. Bovendien kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld door deepfake technieken) of staat soms zelfs vast dat bij de vervaardiging ervan toch een echt kind betrokken was. Er bestaat nog een andere vorm van virtueel materiaal: materiaal dat tot stand gekomen is door het combineren van niet kinderpornografische foto’s van kinderen met ander pornografisch materiaal. Vaak worden hiervoor foto’s van aan verdachte bekende kinderen gebruikt.9Zie bijvoorbeeld het arrest van Gerechtshof Amsterdam, 4 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:647 Virtuele kinderpornografie is daarom niet per definitie minder schadelijk dan “echt” film- of fotomateriaal. Ook hier speelt bij het bepalen van de strafeis weer de combinatie met bovengenoemde factoren: indien de verdachte het virtuele materiaal gebruikt heeft om of het in bezit/vervaardigd heeft met als doel kinderen te verleiden tot het deelnemen aan seksuele handelingen of om een slachtoffer al dan niet doelbewust schade toe te brengen door publicatie ervan, dan geldt dat als een strafverzwarende omstandigheid.

Voor het verwerven, bezitten of zich toegang verschaffen is ook de herkomst van de visuele weergaven bepalend voor de straf. Het werkt strafverhogend als een verdachte het materiaal op bestelling heeft laten vervaardigen, voor het ter beschikking krijgen ervan een tegenprestatie heeft geleverd of heeft betaald. Dit geldt ook als een verdachte zich begeven heeft in (internet-)omgevingen waarin het kenbaar was dat daar kinderpornografisch materiaal verkrijgbaar was, waar voor de toegang ertoe aan bepaalde eisen moest worden voldaan (bijv. het eerst zelf leveren van een bepaalde hoeveelheid strafbaar materiaal) of waarvoor de verdachte zich heeft moeten bedienen van codes, wachtwoorden, encryptie of anderszins beveiligde bestanden of omgevingen, zoals het Darkweb. Hoe meer moeite verdachte heeft gedaan om aan het materiaal te komen en hoe meer hij zich met duidelijk kenbare strafbare omgevingen en personen heeft ingelaten, des te hoger zal de strafeis zijn. Ook de tijd en moeite die verdachte in zijn activiteiten heeft gestoken, de (gestructureerde) wijze waarop hij het materiaal bewaard heeft en de lengte van de pleegperiode kunnen strafverhogend werken.

Ook voor het aanbieden en verspreiden van materiaal zijn deze factoren met betrekking tot de locatie waar het materiaal terecht komt bepalend voor de straf (openbare, niet als kinderpornografisch kenbare omgeving tegenover een omgeving waarvoor toegangseisen gelden of waarvan kenbaar is dat er strafbaar materiaal verkrijgbaar is).

De samenhang met de aard van de visuele weergaven, de aan het slachtoffer door de verspreiding berokkende schade en het motief van de verdachte voor de verspreiding dient daarin te worden meegewogen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.