Protocol Vliegtuigbergingen en Archeologie, 26 juni 2024
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Defensie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op artikel 2.7, vierde lid, van het Besluit Erfgoedwet archeologie
Besluit:
Achtergrond
Per 1 april 2024 is in het Besluit Erfgoedwet archeologie een vrijstelling op het opgravingsverbod uit de Erfgoedwet opgenomen voor bergingsactiviteiten van vliegtuigwrakken door de Minister van Defensie.1Besluit van 26 februari 2024 tot wijziging van het Besluit Erfgoedwet archeologie in verband met het toevoegen van uitzonderingen op het opgravingsverbod en enkele andere aspecten, Stb. 2024, 47.Deze taak is belegd bij Defensie vanwege de op de overheid rustende zorgplicht voor eerbiediging en bescherming van oorlogsgraven.2Artikel 130 van het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (Trb. 1954, 192) en artikel 34 van het op 8 juni 1977 te Bern tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) (Trb. 1994, 274). De bergingen betreffen hoofdzakelijk vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Het kan daarbij zowel gaan om bergingen die worden uitgevoerd binnen het kader van het Nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog waarin zich mogelijk stoffelijke resten van de bemanning bevinden3Kamerbrief nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog, Kamerstuk 32156-96. (hierna: Nationaal programma), als om bergingen die buiten dit kader worden ondernomen door de Minister van Defensie.
Deze werkzaamheden zijn te kwalificeren als opgravingen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet, voor zover ze betrekking hebben op cultureel erfgoed. Dat wil echter niet zeggen dat de bergingen ook te kwalificeren zijn als archeologisch onderzoek dat tot doel heeft om nieuwe (wetenschappelijke) kennis over het verleden te genereren. Het primaire doel van vliegtuigbergingen, zoals geformuleerd in onder andere de Circulaire vliegtuigberging4Circulaire vliegtuigberging, Stcrt. 2016, 54987., is het gecontroleerd benaderen en verwijderen van vliegtuigwrakdelen en mogelijke menselijke stoffelijke resten, conventionele explosieven, radioactieve stoffen en asbest. Om voor dit werk het juiste juridische kader te scheppen, is in het Besluit tot wijziging van het Besluit Erfgoedwet archeologie – in verband met het toevoegen van uitzonderingen op het opgravingsverbod en enkele andere aspecten (hierna: het wijzigingsbesluit) – op grond van artikel 5.1, tweede lid, een vrijstelling opgenomen van de in artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet vermelde certificeringsplicht voor de bergingsactiviteiten van de Minister van Defensie.
Vanwege de veiligheidsaspecten en de mogelijke aanwezigheid van menselijke stoffelijke resten staat het belang van de archeologie bij de uitvoering van een berging niet voorop, maar dit belang moet wel worden meegewogen. Daarom is in het wijzigingsbesluit opgenomen dat de vrijstelling op het opgravingsverbod voor de berging van vliegtuigwrakken slechts van toepassing is als er een archeologische waardering heeft plaatsgevonden. Dit protocol beschrijft de werkwijze van het archeologisch waarderen van deze vindplaatsen en het opstellen van het advies aan het bevoegd gezag voor de omgang hiermee. Uiteindelijk beslist het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, of, en zo ja in welke mate, er archeologisch veldonderzoek nodig is.
Doel en uitgangspunten van het protocol
Dit protocol heeft tot doel om het bevoegd gezag, bij de besluitvorming over een mogelijke vliegtuigberging, tijdig te laten beschikken over een professioneel en onafhankelijk advies over de meerwaarde van en mogelijkheden tot het daarbij verrichten van archeologisch onderzoek. Het bevoegd gezag is doorgaans de gemeente. Indien de gemeente zelf een onderzoek naar de archeologische meerwaarde/mogelijkheden heeft uitgevoerd, of voornemens is dit te (laten) uitvoeren, kan de gemeente op basis van dat onderzoek een besluit nemen over eventueel archeologisch veldonderzoek tijdens de berging. Indien de gemeente niet over een dergelijk onderzoek beschikt, wordt – in gezamenlijkheid – een advies opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en de Stafofficier Vliegtuigberging (SOVB) van het Logistiek Centrum Woensdrecht van het Commando Luchtstrijdkrachten, namens de Minister van Defensie. Deze partijen brengen een onderling afgestemd advies uit. Het advies wordt ingebed in het bestaande proces rondom vliegtuigbergingen, zoals beschreven in de Circulaire Vliegtuigberging en het Informatiedossier van het Nationaal programma.5Informatiedossier van het Nationaal programma, zoals opgesteld door de landelijke werkgroep die wordt gevormd door het Ministerie van BZK, de SOVB (namens het Ministerie van Defensie), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 en het Platform Blindgangers. De veiligheid van het bergingsproces blijft leidend.
Opzet proces
In de gevallen dat het bevoegd gezag niet over een eigen archeologisch onderzoek beschikt, verloopt de advisering via twee stappen. De twee stappen zijn de volgende:
Deze stappen zijn nader uitgewerkt in de procesbeschrijving in Bijlage 1. Alle partijen streven ernaar dit proces met gepaste voortvarendheid te voltooien.
Het advies bevat in ieder geval:
Algemene bepalingen
Voortraject
Berging in het kader van het Nationaal programma:
Berging buiten het kader van het Nationaal programma:
In beide situaties is het aan het bevoegd gezag om – op basis van een advies met een archeologische waardering – een besluit te nemen over het al dan niet laten uitvoeren van archeologisch veldonderzoek bij de vliegtuigberging. Het bevoegd gezag kan daarbij afwijken van het advies. Indien wordt besloten tot het laten uitvoeren van nader archeologisch onderzoek, wordt het bevoegd gezag hiervan de formele opdrachtgever.
Meldingen van onderzoek en rapportage
Omgang met menselijke stoffelijke resten en persoonlijke eigendommen
Deponering overige vondsten die verband houden met het vliegtuigwrak
Deponering archeologische vondsten die geen verband houden met het vliegtuigwrak
Samenwerking en evaluatie
Financiële aspecten
Bijlage 1. Beschrijving van het proces tot waardering en advisering
- 1). Voorafgaand aan een vliegtuigberging verricht de SOVB een historisch onderzoek naar de achtergronden van het toestel. Het NIMH verricht onderzoek ten behoeve van een historische waardering van het toestel. De SOVB verricht – in afstemming met het bevoegd gezag – eventueel fysiek vooronderzoek op de bergingslocatie.
- 2). Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek op de bergingslocatie voorafgaand aan de berging, zonder betrokkenheid van Defensie, behoort niet tot de mogelijkheden aangezien daarbij mogelijk al menselijke stoffelijke resten en gevaarlijke stoffen zoals explosieven, radioactief materiaal en asbest kunnen worden aangetroffen, die op gepaste en veilige wijze en in overeenstemming met toepasselijke wet- en regelgeving moeten worden behandeld.
- 3). Wel kan het bevoegd gezag of de RCE wensen formuleren voor een vooronderzoek van de bergingslocatie met betrekking tot archeologische aspecten. Indien uitvoerbaar, kan de SOVB bij het eventuele fysieke vooronderzoek dat Defensie uitvoert, rekening houden met deze wensen.
- 4). De SOVB en het NIMH stellen de rapporten van het historisch onderzoek en het eventuele fysieke vooronderzoek op de bergingslocatie ter beschikking aan de RCE.
- 5). De RCE verricht een bureauonderzoek naar de (te verwachten) archeologische waarde van de bergingslocatie. Hiervoor kan een opdracht aan een derde partij worden gegeven.
- 6). Het bureauonderzoek van de RCE richt zich op het inventariseren van de (te verwachten) archeologische waarde van de bergingslocatie. Dit kan zowel resten uit de Tweede Wereldoorlog betreffen als andere archeologische resten.
- 7). Bij het bureauonderzoek worden in ieder geval de volgende functionarissen, instellingen en documenten/kennisbronnen betrokken:
- a. de historische onderzoeksrapporten die zijn opgesteld door de SOVB en het NIMH;
- b. de resultaten van eventuele vooronderzoeken die op het terrein zijn verricht (bijvoorbeeld magnetometeronderzoek naar explosieven);
- c. de kennis die binnen NIMH en de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 (SGLO) aanwezig is, voor zover nog niet in de historische onderzoeken opgenomen;
- d. de adviseur archeologie van de gemeente en het gemeentelijk archeologiebeleid;
- e. de archeologische kennis en informatie die lokaal aanwezig is, niet alleen bij de gemeente, maar ook bij historische of archeologische verenigingen en deskundigen;
- f. digitale bronnen, zoals het Centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) als bedoeld in artikel 5.12 van de Erfgoedwet, het Portable Antiquities of the Netherlands-project (PAN) en lokale archeologische verwachtingskaarten;
- g. de relevante onderzoeksvragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) en eventuele regionale onderzoeksagenda’s.
- 8). Het bureauonderzoek zal ten minste verricht worden conform de actuele Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
- 9). Het bureauonderzoek omvat het gehele terrein van de bergingsactiviteiten (inclusief eventuele faciliteiten die voor de berging worden aangebracht, zoals een ketenpark of waterbassin), voor zover hier bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden.
- 10). Het bureauonderzoek mondt uit in een uitspraak over de (te verwachten) archeologische waarde en bevat aanbevelingen voor eventueel archeologisch veldonderzoek.
- 11). Na vaststelling wordt het onderzoeksrapport gedeeld met de SOVB.
- 1). De SOVB en de RCE stellen op basis van de historische onderzoeksrapporten en het archeologische bureauonderzoek, gezamenlijk een advies op over eventueel archeologisch veldonderzoek bij de vliegtuigberging.
- 2). Daarbij is de RCE verantwoordelijk voor de beoordeling van de (te verwachten) archeologische waarde en de aanbevelingen voor veldonderzoek.
- 3). De SOVB is verantwoordelijk voor de beoordeling van de mogelijkheden en beperkingen voor het doen van archeologisch veldonderzoek binnen de uitvoering van de vliegtuigberging.
- 4). Vanwege de aard van de bergingswerkzaamheden, zal eventueel veldonderzoek het karakter hebben van een archeologische begeleiding7Conform het desbetreffende protocol in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie dat vigerend is ten tijde van het opstellen van het Programma van Eisen voor het uit te voeren onderzoek. Momenteel betreft dit Protocol 4004 Opgraving – variant Archeologische Begeleiding.. Er kan ook worden aanbevolen om geen archeologisch veldonderzoek te verrichten.
- 5). De RCE biedt het gezamenlijke advies aan bij het bevoegd gezag (meestal de desbetreffende gemeente).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.