Tijdelijke regeling van de StaatssecretarisKoninkrijksrelaties en Digitalisering van 14 juni 2024 nr. 2024-0000317622, houdende subsidie voor maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden
Handelende in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies en de artikelen 6, vierde en zevende lid, 7, derde lid, 8, eerste en tweede lid, 10, 11, 14 en 20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze regeling wordt verstaan onder:
- algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- gemeenschap: de nazaten van tot slaaf gemaakten en de groep mensen met wie ze op basis van gedeelde kenmerken, belangen of een gevoel van saamhorigheid verbonden zijn;
- initiatieven: projecten als bedoeld in artikel 6;
- minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- nazaten van tot slaaf gemaakten: de generaties die zijn voortgekomen uit de generaties Afrikaanse mensen, inheemsen uit de Amerika’s en Marrons, die vanaf ongeveer 1528 tot 1863/1873 tot slaaf waren gemaakt tijdens de trans-Atlantische slavernij;
- slavernijverleden: het historische tijdperk (vanaf begin 16de tot eind 19de eeuw) waarin miljoenen mensen via de trans-Atlantische route, voornamelijk uit Afrika, werden ontvoerd, verhandeld en tot slaaf gemaakt, en vervolgens gedwongen werden te werken op plantages, in mijnen en in andere sectoren, met name in de Amerika’s (Noord- en Zuid-Amerika), Afrika en delen van Europa.
Artikel 2. Subsidiedoel
De minister kan subsidie verstrekken voor initiatieven in het Europese deel van Nederland ten behoeve van nazaten van tot slaaf gemaakten, die in navolging van de gemaakte excuses voor het trans-Atlantisch slavernijverleden een of meer van de volgende doelen dienen:
- a. het verwerven van een beter begrip van de doorwerking van het slavernijverleden en het tegengaan van de gevolgen van de doorwerking van het slavernijverleden in het heden;
- b. de verwerking van het slavernijverleden;
- c. het bevorderen van kennis en bewustwording over het slavernijverleden; of
- d. de erkenning en herdenking van het slavernijverleden.
Artikel 3. Staatssteun
Subsidies op grond van deze regeling kunnen staatssteun bevatten. Dit wordt gerechtvaardigd door artikel 53 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 4. Subsidieplafond
De minister stelt in de periode 11 augustus 2025 tot en met 3 mei 2028 € 29.333.333,33 beschikbaar, welk bedrag wordt verdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor elk van die aanvraagtijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds.
Het subsidieplafond voor de aanvraagtijdvakken, genoemd in artikel 5, tweede lid, bedraagt elk € 1.000.000.
Het subsidieplafond voor de aanvraagtijdvakken, genoemd in artikel 5, derde lid, bedraagt elk € 4.000.000.
Het subsidieplafond voor de aanvraagtijdvakken, genoemd in artikel 5, vierde lid, bedraagt elk € 3.500.000.
Het subsidieplafond voor de aanvraagtijdvakken, genoemd in artikel 5, vijfde lid, bedraagt voor het eerste tijdvak € 6.333.333 en het tweede tijdvak € 6.000.000.
Artikel 5. Aanvraagtijdvakken
De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen voor subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken.
Een subsidieaanvraag op grond van artikel 6, eerste lid, wordt ingediend in het eerste aanvraagtijdvak van 11 augustus 2025, 09.00 uur, tot 12 september 2025, 17.00 uur, of in het tweede aanvraagtijdvak van 1 juli 2027, 09.00 uur, tot 2 augustus 2027, 17.00 uur.
Een subsidieaanvraag op grond van artikel 6, tweede lid, wordt ingediend in het eerste aanvraagtijdvak van 3 november 2025, 09.00 uur, tot 3 december 2025, 17.00 uur, of in het tweede aanvraagtijdvak van 3 april 2028, 09.00 uur, tot 3 mei 2028, 17.00 uur.
Een subsidieaanvraag op grond van artikel 6, derde lid, wordt ingediend in het eerste aanvraagtijdvak van 1 april 2026, 09.00 uur, tot 1 mei 2026, 17.00 uur, of in het tweede aanvraagtijdvak van 1 april 2027, 09.00 uur, tot 3 mei 2027, 17.00 uur.
Een subsidieaanvraag op grond van artikel 6, vierde lid, wordt ingediend in het eerste aanvraagtijdvak van 1 april 2026, 09.00 uur, tot 1 mei 2026, 17.00 uur, of in het tweede aanvraagtijdvak van 1 april 2027, 09.00 uur, tot 3 mei 2027, 17.00 uur.
Artikel 6. Subsidiecategorieën
De minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten met een maximale looptijd van 1 jaar voor het professionaliseren van aanvragers die werkzaam zijn in het Europese deel van Nederland en die werken ten behoeve van de doelen, genoemd in artikel 2.
De minister kan subsidie verstrekken voor kleinschalige maatschappelijke initiatieven met een maximale looptijd van 1 jaar in het Europese deel van Nederland die bijdragen aan de doelen, genoemd in artikel 2.
De minister kan subsidie verstrekken voor middelgrote maatschappelijke initiatieven met een maximale looptijd van 4 jaar in het Europese deel van Nederland die bijdragen aan de doelen, genoemd in artikel 2.
De minister kan subsidie verstrekken voor grootschalige maatschappelijke initiatieven met een maximale looptijd van 4 jaar in het Europese deel van Nederland die bijdragen aan de doelen, genoemd in artikel 2.
Artikel 7. Hoogte van subsidie
De subsidie op grond van artikel 6, eerste lid, bedraagt € 5.000,–.
De subsidie op grond van artikel 6, tweede lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten van minimaal € 5.000,– tot € 25.000,–.
De subsidie op grond van artikel 6, derde lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten van minimaal € 25.000,– tot € 125.000,–.
De subsidie op grond van artikel 6, vierde lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten van minimaal € 125.000,– en ten hoogste € 500.000,–.
Artikel 8. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidies op grond van artikel 6, eerste lid, komen uitsluitend de volgende activiteiten in aanmerking:
- a. een opleiding, cursus of training die wordt gegeven volgens een vooraf vastgesteld programma en door een daartoe bevoegd docent en die wordt afgesloten met een diploma, certificaat of bewijs van deelname. De activiteit is bedoeld voor de bestuursleden van de aanvrager en gericht op het vergroten van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van hun bestuurlijke taken of de inrichting of verbetering van de administratieve organisatie van de aanvrager;
- b. een opleiding, cursus of training die wordt gegeven volgens een vooraf vastgesteld programma en door een daartoe bevoegd docent en die wordt afgesloten met een diploma, certificaat of bewijs van deelname. De activiteit is bedoeld voor de werknemers in loondienst bij de aanvrager en is gericht op de inrichting of verbetering van de administratieve organisatie van de aanvrager;
- c. het bouwen of verbeteren van de website van aanvrager met als doel om activiteiten die aansluiten op de doelen, genoemd in artikel 2, onder de aandacht te kunnen brengen.
Voor subsidies op grond van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, komen uitsluitend de volgende activiteiten in aanmerking:
- a. projecten om de veerkracht van de gemeenschap tegen discriminatie en racisme te vergroten;
- b. projecten ter bevordering van gezondheid en welzijn van de gemeenschap in relatie tot het slavernijverleden;
- c. projecten die zich richten op het delen van geschiedenis met betrekking tot slavernij;
- d. het organiseren van bijeenkomsten, lezingen, seminars en paneldiscussie die de dialoog en begrip over het slavernijverleden bevorderen;
- e. het organiseren van evenementen die bijdragen aan de verwerking van het slavernijverleden;
- f. projecten voor educatie, waaronder de ontwikkeling van lesmateriaal, het maken en geven van workshops en het maken of ontwikkelen van digitale platforms;
- g. kunstuitingen, waaronder tentoonstellingen en voorstellingen.
Onverminderd het tweede lid, komen voor subsidies op grond van artikel 6, vierde lid, uitsluitend projecten in aanmerking met een blijvende of langdurige impact of met een groot bereik die het slavernijverleden en de gedeelde geschiedenis zichtbaar maken.
Artikel 9. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking:
- a. externe kosten, waaronder verstaan wordt de kosten die in rekening worden gebracht door derden voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 8;
- b. een toeslag van 15% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten ter subsidiëring van overige gemaakte kosten.
Onverminderd het eerste lid, komen voor activiteiten op grond van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, voor subsidie in aanmerking:
- a. een vrijwilligersvergoeding voor de aan de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 8, toe te rekenen uren, conform het door de Belastingdienst toegestane tarief;
- b. directe loonkosten die zijn verbonden met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten, genoemd in artikel 8, waarvoor een vastgesteld uurtarief van € 65,– wordt gehanteerd;
- c. indien van toepassing, een vergoeding van € 10.000,– voor de kosten van een controleverklaring als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit BZK-subsidies;
- d. een opslag ter vergoeding van het honorarium van een subsidieadviseur of de regeldrukkosten van de aanvrager, ten hoogte van:
- 1°. € 1.000,– voor aanvragen op grond van artikel 6, tweede lid;
- 2°. € 2.500,– voor aanvragen op grond van artikel 6, derde lid;
- 3°. € 3.750,– voor aanvragen op grond van artikel 6, vierde lid.
Voor zover de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit kosten van externe opdrachten met een waarde van ten minste € 50.000, zijn deze kosten slechts subsidiabel indien zij marktconform zijn, wat wordt aangetoond aan de hand van:
- a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de aanvrager; of
- b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.
Een uurtarief van een externe adviseur bedraagt maximaal € 135,–, exclusief btw. Voorgaande volzin is niet van toepassing, indien de Aanbestedingswet 2012 op de subsidieontvanger van toepassing is.
Voor zover activiteiten zijn uitgevoerd door de hiernavolgende partijen, zijn uitsluitend de directe loonkosten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, de vrijwilligersvergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidiabel:
- a. de subsidieaanvrager;
- b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de aanvrager;
- c. een organisatie waarin één of meerdere partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook in het bestuur van de subsidieaanvrager zijn vertegenwoordigd;
- d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie en die persoon ook werkzaam is voor de subsidieaanvrager;
- e. een organisatie waarin de subsidieaanvrager direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.