← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 27 juni 2024, nr. WJZ/ 62925896, houdende aanwijzing categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energieproductie en klimaattransitie in 2024 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2024)

Geldende tekst a fecha 2024-07-17

Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 1, eerste lid, onderdeel o, tweede en derde lid, 2, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 3, tweede lid, vijfde en achtste lid, 6, tweede lid, 7, eerste lid, 8, 10, eerste en derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 12a, 14, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 15, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 31, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 42, 43a, eerste en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 47, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 48, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 55c, 55e, eerste en derde lid, 55f, eerste lid, 55g, eerste lid, 55i, vierde lid, 55j, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 56, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 57, eerste lid, onderdeel b, 58, vierde en vijfde lid, 59, tweede en derde lid, 61, eerste, derde en vierde lid, en 62, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2
1.

Het subsidieplafond bedraagt € 11.500.000.000 voor het verlenen van subsidies die worden aangevraagd in de periode van 10 september, 9:00 uur, tot 10 oktober, 17:00, voor:

2.

Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

Artikel 3
1.

Van het subsidieplafond is:

2.

De minister verdeelt telkens het gereserveerde bedrag voor het verlenen van subsidies binnen een domein als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, in de volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidies binnen dat domein, tot het gereserveerde bedrag binnen dat domein is bereikt.

3.

Indien honorering van alle aanvragen binnen een domein die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het gereserveerde bedrag voor het verlenen van subsidies binnen dat domein zou worden overschreden, worden telkens de aanvragen voor subsidie binnen dat domein met het laagste rangschikkingsbedrag, uitgedrukt in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas, geacht eerder te zijn ontvangen. Bij een gelijk rangschikkingsbedrag stelt de minister de volgorde vast door loting.

4.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor aanvragen binnen een domein als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, lager is dan het voor de aanvragen binnen dat domein gereserveerde bedrag, vervalt de reservering voor het overblijvende bedrag en wordt dat overblijvende bedrag verdeeld op de wijze, bedoeld in artikel 4.

Artikel 4

De minister verdeelt onverminderd artikel 3 het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van aanvragen voor zowel subsidies buiten de domeinen hoge-temperatuur-warmte, lage-temperatuur-warmte en moleculen, als voor subsidies binnen een van deze domeinen, indien in het betreffende domein het gereserveerde bedrag is bereikt.

Artikel 5

De maximale vermindering van broeikasgas die in aanmerking komt voor subsidies voor de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof op grond van artikel 79, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, komt overeen met 10.600.000.000 kWh, gerekend voor de hele looptijd van de subsidies.

Artikel 6
1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

2.

Bij het overleggen van de toestemming van de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 7
1.

Een subsidie als bedoeld in de artikelen 81, 83 en 85 die is afgegeven op een aanvraag voor subsidie die is ingediend met toepassing van artikel 2, vijfde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling, of een subsidie van meer dan € 400.000.000,– worden verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

2.

Voor het opstellen van de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 opgenomen model.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

4.

Indien subsidie wordt verstrekt als bedoeld in artikel 81, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde of dertiende lid, of artikel 83, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde of dertiende lid, en ook subsidie als bedoeld artikel 85, tweede, derde of vierde lid, worden voor het berekenen van het bedrag van € 400.000.000, bedoeld in het eerste lid, aanhef, beide subsidies bij elkaar opgeteld.

Artikel 8
1.

Als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

2.

Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

3.

Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

Artikel 9
1.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 13 en 15. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

2.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid en 23, eerste lid.

3.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29 en 31. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

4.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, 35, 37, 39, 41, 43, 45, 47, 49, eerste lid, 51, 53, eerste lid, 55, eerste lid, en 57.

5.

Voor de productie-installaties, bedoeld in het vierde lid, wordt het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het Besluit SDEK, gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

7.

Voor de productie-installatie, bedoeld in het zesde lid, wordt het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het Besluit SDEK, gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8.

Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het Besluit SDEK, worden aangewezen productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 71, eerste lid.

Artikel 10
1.

Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29 en 31.

2.

Als productie-installaties waarvoor de producent kan aantonen dat hij hernieuwbaar gas heeft geproduceerd waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd, als bedoeld in artikel 32, zevende lid, van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, 37 en 39.

Artikel 11
1.

Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als bedoeld in de artikelen 13 en 15.

2.

Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, onderdelen b, d en f, 37, onderdelen b en d en 39, onderdeel b.

Artikel 12

Als productie-installaties waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

§ 3. Categorieën

§ 3.1. Hernieuwbare elektriciteit

§ 3.1.1. Waterkracht

Artikel 13

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydromechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële of kinetische energie van stromend water dat niet specifiek voor de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

Artikel 14
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 13, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.2. Osmose

Artikel 15

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

Artikel 16
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 15, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.3. Wind op land

Artikel 17
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 19 en 21;

2.

De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3.

Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

Artikel 18
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.4. Wind op land met hoogtebeperking

Artikel 19
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter;

2.

De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3.

Op de locatie van de productie-installatie is sprake van een hoogterestrictie bij of krachtens landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving of doordat de productie-installatie wordt gerealiseerd in een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied rond de luchthavens Schiphol, De Kooy, Deelen, Eindhoven, Gilze-Rijen, Leeuwarden, De Peel, Volkel, Woensdrecht of het boven Nederlands grondgebied gelegen deel van de Kleine-Brogel dat op het moment van het indienen van de aanvraag is vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Waterstaat en dat is opgenomen in de luchtvaartgids, hoofdstuk ENR 6, bedoeld in artikel 5, vijfde lid van de Regeling luchtverkeersdienstverlening, waardoor de windturbine een tiphoogte heeft van kleiner dan of gelijk aan 150 meter.

4.

Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van een aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

Artikel 20
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.5. Wind op waterkering

Artikel 21
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie:

2.

Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

Artikel 22
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.6. Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 23
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A en:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gebouw ook verstaan een aan de grond gebonden overkapping voor het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.

3.

Het additioneel gecontracteerde terugleververmogen voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt maximaal 50% van het piekvermogen van de zonnepanelen.

4.

Voor de productie-installaties bedoeld onder het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4°, 5° en 6° en eerste lid, onderdeel d, subonderdelen 2° en 4°, bedraagt de open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen, van bovenaf gezien, minimaal 25%.

Artikel 24
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1° en 3°, onderdeel b, subonderdeel 1°, en onderdeel c, subonderdelen 1° en 4°, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 2° en 4°, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4.

De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, onderdeel c, subonderdelen 2°, 3°, 5° en 6°, en onderdeel d, subonderdelen 1°, 2°, 3°, 4° en 5°, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2. Hernieuwbaar gas

§ 3.2.1. Biomassavergisting

Artikel 25

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd:

Artikel 26
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 25, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.2. Extra faciliteit en voortzetting biomassavergisting

Artikel 27

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

Artikel 28
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 27, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

Een subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.3. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 29

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij:

Artikel 30
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 29, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer hij minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.4. Biomassavergassing

Artikel 31

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:

Artikel 32
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 31, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte overige biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

§ 3.3.1. Zonthermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 33
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie met een totaal thermisch vermogen:

2.

Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van afgedekte collectoren waarvan de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van tuinbouwkassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector van een collectorsysteem of met collectoren waarbij het zonlicht met externe spiegels of lenzen wordt geconcentreerd.

3.

Het vermogen in kWth van de productie-installatie wordt berekend door de apertuuroppervlakte van de afgedekte collectoren of het aangestraalde oppervlak van de spiegels of lenzen voor het concentreren van zonlicht in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

4.

Voor de productie-installatie is niet al subsidie verstrekt op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

Artikel 34
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 33, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.3.2. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 35

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

Artikel 36
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 35, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.3. Voorzetting biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 37

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

Artikel 38
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 37, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.4. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 39

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij verbeteringen worden doorgevoerd in het productieproces die ertoe leiden dat per ton zuiveringsslib de biogasproductie met ten minste 25% toeneemt vergeleken met de biogasproductie van voor de verbeteringen, en:

Artikel 40
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 39, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

5.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de broeikasgasemissiereductiecriteria bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.5. Ketel vloeibare biomassa voor warmte

Artikel 41

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003:2017 met een brander in een ketel, waarbij ten minste de brander nieuw is, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor:

Artikel 42
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 41, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.6. Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte

Artikel 43

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017 in een ketel, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth.

Artikel 44
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 43, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6.

Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017 draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte

Artikel 45

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth waarvan het aantal subsidiabele vollasturen:

Artikel 46
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 45, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6.

Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3.3.8. Grote ketel op B-Hout voor warmte

Artikel 47

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003:2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth.

Artikel 48
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 47, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6.

Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3.3.9. Stoomketel op houtpellets voor warmte

Artikel 49
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets in een ketel, die wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw waarvan het nominale thermische vermogen:

2.

In de ketel worden:

Artikel 50
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 49, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

5.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3.3.10. Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte

Artikel 51

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte door middel van verbaranding van houtpellets met een brander in een ketel, oven of fornuis, waarbij ten minste de brander nieuw is, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW, die wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, en waarin:

Artikel 52
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 51, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.11. Voortzetting ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte

Artikel 53
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth en de aanvraag betrekking heeft op een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit BSDK.

2.

De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

Artikel 54
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

5.

Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3.3.12. Composteringsinstallatie voor hernieuwbare warmte

Artikel 55
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 300 tot en met 329 van de NTA 8003:2017 in een gesloten ruimte voor compostering onder geconditioneerde omstandigheden, met een vermogen van ten minste 500 kWth.

2.

De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

Artikel 56
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 55, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.3.13. Geothermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 57

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

Artikel 58
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 57, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 57, onderdelen a, d, e en f, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 57, onderdelen b en c, binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

§ 3.4.1. Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte

Artikel 59

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die broeikasgas vermindert door:

Artikel 60
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 59, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 59, onderdelen b en c, binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.2. Aquathermie

Artikel 61

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater, afvalwater, drinkwater of zeewater, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij:

Artikel 62
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 61, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

4.

Voor de productie-installatie, bedoeld in artikel 61, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° is geen subsidie verstrekt op basis van artikel 4.10.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

§ 3.4.3. Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces

Artikel 63
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte waarbij warmte wordt hergebruikt in een op het moment van de aanvraag bestaand verdampingsproces door middel van één of meerdere elektrisch aangedreven warmtepompen, indien van toepassing op basis van een halogeenvrij koudemiddel, waarbij:

2.

De warmtepomp of warmtepompen hebben een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij de hoeveelheid bespaarde warmte per hoeveelheid extra opgenomen elektriciteit bij vollast bedrijf ten minste 3,0 bedraagt, bepaald op een fictieve gesloten omhulling waarbinnen zich de warmtepomp of warmtepompen en de tot de productie-installatie behorende procesaanpassingen bevinden.

3.

Door procesintegratie met de productie-installatie wordt het bestaande verdampingsproces, bedoeld in het eerste lid, ten minste aangepast door:

4.

De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, en levert geen koude.

5.

Het aantal productie-uren per jaar van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b bedraagt ten hoogste 4.000.

Artikel 64
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 63, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.4. Lucht-water-warmtepomp

Artikel 65
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van een lucht-water-warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel en waarbij alle geproduceerde koolstofdioxide-arme warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem waarvan de aanvoertemperatuur in het stookseizoen:

2.

De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

Artikel 66
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 65, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

4.

De aanvoertemperatuur in het stookseizoen bedoeld in artikel 65, eerste lid, wordt bereikt door de warmtepomp zonder naverwarming.

§ 3.4.5. Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas

Artikel 67
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.

2.

De productie-installatie maakt gebruik van:

3.

De productie-installatie heeft een seizoensopslag van warmte.

4.

De productie-installatie wordt niet gebruikt voor koudelevering.

Artikel 68
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.6. Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren

Artikel 69
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie en buitenluchtwarmte door middel van zonnecollectoren die warmte en stroom produceren, waarbij de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

2.

De productie-installatie maakt gebruik van een water-water-warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel en de water-water-warmtepomp heeft een minimaal nominaal thermisch vermogen van 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0.

3.

De oppervlakte aan fotovoltaïsch-thermische panelen bedraagt ten minste 1,2 m2 per kWth nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp.

Artikel 70
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.7. Elektroboiler voor warmte

Artikel 71
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee elektriciteit in warmte wordt omgezet, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 2 MWth, waarbij de vrijkomende warmte direct of indirect wordt overgedragen aan een vloeistof voor:

2.

De door de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geproduceerde warmte heeft een aanvoertemperatuur in het stookseizoen van ten minste 100°C.

3.

De door de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C of in een stoomsysteem.

4.

Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het gezamenlijke vermogen van de op de locatie aanwezige elektroboilers.

5.

Het nominaal elektrisch vermogen van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bedraagt minstens anderhalf keer het nominaal thermisch vermogen van de productie-installatie, waarbij de opslagcapaciteit ten minste 3 MWh per MW thermisch vermogen van de productie-installatie moet bedragen.

6.

Het nominaal thermisch vermogen van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 50 MWth.

Artikel 72
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.8. Industriële warmtepomp

Artikel 73
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:

2.

De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, en levert geen koude.

3.

Het aantal productie-uren per jaar van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, bedraagt ten hoogste 4.000.

Artikel 74
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.9. Restwarmtebenutting

Artikel 75

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie met een thermisch vermogen van ten minste 2 MWth, waarmee restwarmte, niet zijnde stoom, wordt uitgekoppeld en naar een andere locatie wordt getransporteerd, waarbij ten minste de warmtewisselaar bij de uitkoppeling nieuw is, en:

Artikel 76
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 75, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3.4.10. Waterstof uit elektrolyse

Artikel 77
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert door elektrolyse van water tot zuurstof en waterstof met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW die met:

2.

De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is in staat om, terwijl deze gereed is voor gebruik, minder dan 1% elektriciteit te verbruiken van het maximale vermogen van de productie-installatie.

3.

Voor de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie uitsluitend verstrekt voor de waterstof die volledig hernieuwbaar is en zodoende voldoet aan de artikelen 4 tot en met 8 en 11 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184, waarbij de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7, van die verordening betrekking hebben op de levering van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie.

4.

Voor de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedraagt de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen ten minste 70% in het geval ook waterstof die niet volledig hernieuwbaar is, wordt geproduceerd.

5.

De subsidie-ontvanger beschikt over het bewijs van afboeking van garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, die zijn uitgegeven voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie waarvoor hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten als bedoeld in het derde lid, zijn getekend.

6.

Indien sprake is van een productie-installatie met een directe aansluiting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt voor de waterstof die is geproduceerd met de elektriciteit die is geproduceerd door een productie-installatie voor wind- of zonne-energie waarvoor geen subsidie voor het produceren van die elektriciteit op grond van deze of een andere regeling is verstrekt.

7.

Indien sprake is van een productie-installatie met een directe aansluiting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt voor de waterstof die is geproduceerd met elektriciteit die is geproduceerd door de direct aangesloten productie-installatie voor wind- of zonne-energie aangesloten.

Artikel 78
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.11. Geavanceerde hernieuwbare brandstof

Artikel 79
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof die wordt geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

2.

De geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt in Nederland geleverd aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen en wordt ingeboekt in het register hernieuwbare energie, bedoeld in sub-paragraaf 9.7.5 van de Wet milieubeheer.

3.

De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, maakt uitsluitend gebruik van grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

4.

De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e, maakt uitsluitend gebruik van vaste grondstoffen als bedoeld onder o) met uitzondering van zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie, en q) van deel A van Bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

Artikel 80
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen a, b en e, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen c en d, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

3.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.12. Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor ETS-bedrijven

Artikel 81
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide, waarbij:

2.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g.

3.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023.

4.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

5.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

9.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, f, h, i, k of l, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

10.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2°.

13.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

Artikel 82
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, komt uitsluitend voort uit:

§ 3.4.13. Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor niet-ETS-bedrijven

Artikel 83
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer, en die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide, waarbij:

2.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g.

3.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023.

4.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

5.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, l of m van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

9.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, f, h, of l van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

10.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2°.

13.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g of m van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

Artikel 84
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 83, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een biomassaverbrandingsinstallatie bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel h, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

4.

De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, komt uitsluitend voort uit:

§ 3.4.14. Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide

Artikel 85
1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt of doet gebruiken ter vermindering van broeikasgas door middel van nuttig aangewende koolstofdioxide, waarbij:

2.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°.

3.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel c, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel d, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel e, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel f, subonderdelen 1° of 2° of onderdeel g, subonderdeel 1° kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°.

4.

Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2° kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°.

5.

De productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, heeft een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW.

Artikel 86
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een biomassaverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, onderdelen f en g, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 4. Fasebedragen

Artikel 87
1.

Voor de fase, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, wordt:

Fase Periode waarbinnen de aanvragen ontvangen moet zijn, per fase Fasebedrag in €/1.000 kg broeikasgas
1 10 september 2024, 9:00 uur, tot 16 september 2024, 17:00 uur 75
2 16 september 2024, 17:00 uur, tot 23 september 2024, 17:00 uur 150
3 23 september 2024, 17:00 uur, tot 30 september 2024, 17:00 uur 225
4 30 september 2024, 17:00 uur, tot 7 oktober 2024, 17:00 uur 300
5 7 oktober 2024, 17:00 uur, tot 10 oktober 2024, 17:00 uur 3001
2.

Voor de fase 1 tot en met 5, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid, en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde, zesde en zevende kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.

1 2 3 4 5 6 7
Artikel regeling Categorie Fasebedrag in euro/kWh Fasebedrag in euro/kWh Fasebedrag in euro/kWh Fasebedrag in euro/kWh Fasebedrag in euro/kWh
Artikel regeling Categorie Fase 1 Fase 2 Fase 3 Fase 4 Fase 5
Artikel 13, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm 0,1037 0,1134 0,1232 0,1329 0,1329
Artikel 13, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,1037 0,1134 0,1232 0,1329 0,1329
Artikel 15 Osmose 0,1037 0,1134 0,1232 0,1329 0,1329
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, ≥ 8,5 m/s 0,0480 0,0480 0,0480 0,0480 0,0480
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0504 0,0504 0,0504 0,0504 0,0504
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0561 0,0561 0,0561 0,0561 0,0561
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0618 0,0618 0,0618 0,0618 0,0618
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0662 0,0662 0,0662 0,0662 0,0662
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, < 6,75 m/s 0,0715 0,0715 0,0715 0,0715 0,0715
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s 0,0553 0,0553 0,0553 0,0553 0,0553
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0591 0,0591 0,0591 0,0591 0,0591
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0666 0,0666 0,0666 0,0666 0,0666
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0736 0,0748 0,0748 0,0748 0,0748
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0736 0,0808 0,0808 0,0808 0,0808
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s 0,0736 0,0818 0,0880 0,0880 0,0880
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s 0,0545 0,0545 0,0545 0,0545 0,0545
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0570 0,0570 0,0570 0,0570 0,0570
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0635 0,0635 0,0635 0,0635 0,0635
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0700 0,0700 0,0700 0,0700 0,0700
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0736 0,0750 0,0750 0,0750 0,0750
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Wind op waterkering, < 6,75 m/s 0,0736 0,0809 0,0809 0,0809 0,0809
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) 0,0791 0,0791 0,0791 0,0791 0,0791
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden (net = 50%) 0,0734 0,0734 0,0734 0,0734 0,0734
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0828 0,0828 0,0828 0,0828 0,0828
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0772 0,0772 0,0772 0,0772 0,0772
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) 0,0884 0,0948 0,0948 0,0948 0,0948
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) 0,0770 0,0770 0,0770 0,0770 0,0770
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) 0,0818 0,0818 0,0818 0,0818 0,0818
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0663 0,0663 0,0663 0,0663 0,0663
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0624 0,0624 0,0624 0,0624 0,0624
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0884 0,0896 0,0896 0,0896 0,0896
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0706 0,0706 0,0706 0,0706 0,0706
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0660 0,0660 0,0660 0,0660 0,0660
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land 0,0663 0,0663 0,0663 0,0663 0,0663
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0706 0,0706 0,0706 0,0706 0,0706
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land 0,0624 0,0624 0,0624 0,0624 0,0624
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0660 0,0660 0,0660 0,0660 0,0660
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water 0,0770 0,0770 0,0770 0,0770 0,0770
Artikel 25, onderdeel a Allesvergisting, gas 0,0591 0,0719 0,0848 0,0877 0,0877
Artikel 25, onderdeel b Monomestvergisting > 450 kW, gas 0,0700 0,0938 0,1001 0,1001 0,1001
Artikel 25, onderdeel c Monomestvergisting > 110 kW en ≤ 450 kW, gas 0,0841 0,1219 0,1588 0,1588 0,1588
Artikel 25, onderdeel d Monomestvergisting ≤ 110 kW, gas 0,0846 0,1230 0,1614 0,1998 0,2187
Artikel 27, onderdeel a Allesvergisting extra faciliteit, ombouw naar gas 0,0591 0,0719 0,0746 0,0746 0,0746
Artikel 27, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gas 0,0591 0,0684 0,0684 0,0684 0,0684
Artikel 27, onderdeel c Monomestvergisting extra faciliteit ≤ 450 kW, ombouw naar gas 0,0841 0,1083 0,1083 0,1083 0,1083
Artikel 27, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting ≤ 450 kW, gas 0,0841 0,0928 0,0928 0,0928 0,0928
Artikel 29 RWZI verbeterde slibgisting, gas 0,0599 0,0735 0,0872 0,1008 0,1190
Artikel 31, onderdeel a Biomassavergassing (inclusief B-hout) 0,0586 0,0710 0,0833 0,0915 0,0915
Artikel 31, onderdeel b Biomassavergassing (exclusief B-hout) 0,0586 0,0710 0,0833 0,0957 0,1122
Artikel 33, eerste lid, onderdeel a Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth 0,0861 0,1030 0,1158 0,1158 0,1158
Artikel 33, eerste lid, onderdeel b Zonthermie ≥ 1 MWth 0,0804 0,0973 0,0976 0,0976 0,0976
Artikel 35, onderdeel a Allesvergisting, warmte 0,0799 0,0951 0,0951 0,0951 0,0951
Artikel 35, onderdeel b Allesvergisting, gecombineerde opwekking 0,0913 0,0981 0,0981 0,0981 0,0981
Artikel 35, onderdeel c Monomestvergisting, warmte > 450 kW 0,0920 0,1206 0,1274 0,1274 0,1274
Artikel 35, onderdeel d Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW 0,1139 0,1355 0,1355 0,1355 0,1355
Artikel 35, onderdeel e Monomestvergisting, warmte > 110 kW en ≤ 450 kW 0,1075 0,1516 0,1765 0,1765 0,1765
Artikel 35, onderdeel f Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 110 kW en ≤ 450 kW 0,1691 0,2340 0,2473 0,2473 0,2473
Artikel 35, onderdeel g Monomestvergisting, warmte ≤ 110 kW 0,1074 0,1514 0,1953 0,2249 0,2249
Artikel 35, onderdeel h Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 110 kW 0,1685 0,2334 0,2903 0,2903 0,2903
Artikel 37, onderdeel a Allesvergisting voortzetting, warmte 0,0767 0,0767 0,0767 0,0767 0,0767
Artikel 37, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking 0,0786 0,0786 0,0786 0,0786 0,0786
Artikel 37, onderdeel c Monomestvergisting voortzetting, warmte ≤ 450 kW 0,1074 0,1074 0,1074 0,1074 0,1074
Artikel 37, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW 0,1328 0,1328 0,1328 0,1328 0,1328
Artikel 39, onderdeel a RWZI verbeterde slibgisting, warmte 0,0804 0,0973 0,1018 0,1018 0,1018
Artikel 39, onderdeel b RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking 0,0967 0,1093 0,1218 0,1344 0,1344
Artikel 41, onderdeel a Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming 0,0835 0,0876 0,0876 0,0876 0,0876
Artikel 41, onderdeel b Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassingen 0,0876 0,0876 0,0876 0,0876 0,0876
Artikel 43 Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa 0,0742 0,0742 0,0742 0,0742 0,0742
Artikel 45, onderdeel a Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) 0,0528 0,0652 0,0652 0,0652 0,0652
Artikel 45, onderdeel b Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) 0,0528 0,0641 0,0641 0,0641 0,0641
Artikel 45, onderdeel c Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) 0,0528 0,0629 0,0629 0,0629 0,0629
Artikel 45, onderdeel d Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) 0,0528 0,0621 0,0621 0,0621 0,0621
Artikel 45, onderdeel e Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) 0,0528 0,0612 0,0612 0,0612 0,0612
Artikel 45, onderdeel f Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) 0,0528 0,0606 0,0606 0,0606 0,0606
Artikel 45, onderdeel g Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) 0,0528 0,0603 0,0603 0,0603 0,0603
Artikel 45, onderdeel h Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) 0,0528 0,0597 0,0597 0,0597 0,0597
Artikel 45, onderdeel i Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) 0,0528 0,0592 0,0592 0,0592 0,0592
Artikel 47 Grote ketel op B-hout 0,0378 0,0378 0,0378 0,0378 0,0378
Artikel 49, onderdeel a Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth 0,0837 0,0895 0,0895 0,0895 0,0895
Artikel 49, onderdeel b Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth 0,0837 0,1006 0,1050 0,1050 0,1050
Artikel 51 Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen 0,0684 0,0684 0,0684 0,0684 0,0684
Artikel 53, eerste lid Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voortzetting 0,0452 0,0452 0,0452 0,0452 0,0452
Artikel 55, eerste lid Composteringsinstallatie, warmte 0,0574 0,0574 0,0574 0,0574 0,0574
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 Diepe geothermie < 12 MWth, basislast 0,0589 0,0589 0,0589 0,0589 0,0589
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast 0,0525 0,0525 0,0525 0,0525 0,0525
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast 0,0466 0,0466 0,0466 0,0466 0,0466
Artikel 57, onderdeel b Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving 0,0719 0,1029 0,1029 0,1029 0,1029
Artikel 57, onderdeel c Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0713 0,1036 0,1319 0,1319 0,1319
Artikel 57, onderdeel e Diepe geothermie, basislast, aanvullende put 0,0341 0,0341 0,0341 0,0341 0,0341
Artikel 57, onderdeel f Ultradiepe geothermie, basislast 0,0806 0,0806 0,0806 0,0806 0,0806
Artikel 59, onderdeel a Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast 0,0644 0,0862 0,0862 0,0862 0,0862
Artikel 59, onderdeel b Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0644 0,0929 0,1213 0,1498 0,1646
Artikel 59, onderdeel c Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0638 0,0909 0,1181 0,1255 0,1255
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 1° Aquathermie met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0494 0,0628 0,0763 0,0898 0,1077
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 2° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0500 0,0641 0,0769 0,0769 0,0769
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 3° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving, nieuw warmteoverdrachtstation 0,0502 0,0645 0,0787 0,0917 0,0917
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 1° Aquathermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0494 0,0629 0,0765 0,0900 0,1080
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 2° Aquathermie, met seizoensopslag, directe toepassing 0,0495 0,0632 0,0768 0,0904 0,0928
Artikel 63, eerste lid, onderdeel a Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (8.000 uur) 0,0623 0,0623 0,0623 0,0623 0,0623
Artikel 63, eerste lid, onderdeel b Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (3.000 uur) 0,0720 0,0861 0,1002 0,1095 0,1095
Artikel 65, eerste lid, onderdeel a Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving, middentemperatuur 0,0769 0,0902 0,1036 0,1169 0,1347
Artikel 65, eerste lid, onderdeel b Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving of bestaande tuinbouwkassen, lagetemperatuur 0,0501 0,0644 0,0694 0,0694 0,0694
Artikel 67, eerste lid Daglichtkas 0,0506 0,0654 0,0801 0,0948 0,1012
Artikel 69, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0650 0,0650 0,0650 0,0650 0,0650
Artikel 71, eerste lid, onderdeel a Elektroboiler, stadsverwarming 0,0739 0,0908 0,1076 0,1113 0,1113
Artikel 71, eerste lid, onderdeel b Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw 0,0631 0,0800 0,0968 0,1113 0,1113
Artikel 71, eerste lid, onderdeel c Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw, met thermische opslag 0,0631 0,0800 0,0968 0,1137 0,1359
Artikel 73, eerste lid, onderdeel a Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) 0,0610 0,0610 0,0610 0,0610 0,0610
Artikel 73, eerste lid, onderdeel b Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) 0,0720 0,0861 0,1002 0,1065 0,1065
Artikel 73, eerste lid, onderdeel c Industriële open warmtepomp (8.000 uur) 0,0319 0,0319 0,0319 0,0319 0,0319
Artikel 73, eerste lid, onderdeel d Industriële open warmtepomp (3.000 uur) 0,0710 0,0710 0,0710 0,0710 0,0710
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding < 0,10 km/MWth 0,0566 0,0670 0,0670 0,0670 0,0670
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth 0,0566 0,0707 0,0741 0,0741 0,0741
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0566 0,0706 0,0813 0,0813 0,0813
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0566 0,0706 0,0847 0,0884 0,0884
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 5° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0565 0,0706 0,0846 0,0956 0,0956
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0262 0,0262 0,0262 0,0262 0,0262
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0, 30 en < 0, 40 km/MWth 0,0334 0,0334 0,0334 0,0334 0,0334
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0405 0,0405 0,0405 0,0405 0,0405
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld met hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten 0,1136 0,1308 0,1479 0,1651 0,1880
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark 0,1136 0,1308 0,1479 0,1651 0,1880
Artikel 79, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1750 0,1750 0,1750 0,1750 0,1750
Artikel 79, eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1427 0,1427 0,1427 0,1427 0,1427
Artikel 79, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,1669 0,1799 0,1799 0,1799 0,1799
Artikel 79, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,1174 0,1174 0,1174 0,1174 0,1174
Artikel 79, eerste lid, onderdeel e Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,1390 0,1390 0,1390 0,1390 0,1390
1 2 3 4 5 6 7
--- --- --- --- --- --- ---
Artikel regeling Categorie Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2
Artikel regeling Categorie Fase 1 Fase 2 Fase 3 Fase 4 Fase 5
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 205,0341 249,6473 249,6473 249,6473 249,6473
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 204,6733 272,3245 339,9756 340,8704 340,8704
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport 204,6733 272,3245 293,6963 293,6963 293,6963
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 144,5032 144,5032 144,5032 144,5032 144,5032
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 192,0387 192,0387 192,0387 192,0387 192,0387
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 170,9900 170,9900 170,9900 170,9900 170,9900
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 204,6733 214,9569 214,9569 214,9569 214,9569
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport 204,0591 211,8525 211,8525 211,8525 211,8525
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 203,6983 258,1535 258,1535 258,1535 258,1535
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 199,0097 216,4108 216,4108 216,4108 216,4108
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 198,6490 259,6245 259,6245 259,6245 259,6245
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport 55,9463 111,8925 167,8388 223,7850 223,7850
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 55,5855 111,1710 166,7565 222,3420 222,3420
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 147,6072 147,6072 147,6072 147,6072 147,6072
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 195,7078 195,7078 195,7078 195,7078 195,7078
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 197,0111 197,0111 197,0111 197,0111 197,0111
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 199,8302 238,3560 238,3560 238,3560 238,3560
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 68,0119 136,0238 204,0356 249,6473 249,6473
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 67,6511 135,3023 202,9534 270,6045 270,6045
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport 67,6511 135,3023 202,9534 270,6045 270,6045
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 68,0119 136,0238 144,5032 144,5032 144,5032
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 67,6511 135,3023 192,0387 192,0387 192,0387
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 68,0119 136,0238 170,9900 170,9900 170,9900
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 67,6511 135,3023 202,9534 214,9569 214,9569
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 67,0369 134,0738 201,1106 211,8525 211,8525
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 66,6761 133,3523 200,0284 258,1535 258,1535
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 61,9875 123,9750 185,9625 216,4108 216,4108
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 61,6268 123,2535 184,8803 246,5070 246,5070
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 68,4675 136,9350 147,6072 147,6072 147,6072
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 68,1068 136,2135 195,7078 195,7078 195,7078
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 63,1688 126,3375 189,5063 197,0111 197,0111
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 62,8080 125,6160 188,4240 238,3560 238,3560
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 55,9463 111,8925 167,8388 223,7850 223,7850
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 55,5855 111,1710 166,7565 222,3420 222,3420
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 90,6325 90,6325 90,6325 90,6325 90,6325
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,0264 105,0264 105,0264 105,0264 105,0264
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 130,4494 130,4494 130,4494 130,4494 130,4494
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 123,2570 123,2570 123,2570 123,2570 123,2570
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 89,2968 89,2968 89,2968 89,2968 89,2968
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 103,6907 103,6907 103,6907 103,6907 103,6907
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 129,1138 129,1138 129,1138 129,1138 129,1138
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 162,3309 172,2054 172,2054 172,2054 172,2054
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 162,3309 186,5993 186,5993 186,5993 186,5993
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 161,5558 217,9325 230,7191 230,7191 230,7191
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 146,3869 146,3869 146,3869 146,3869 146,3869
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 160,7808 160,7808 160,7808 160,7808 160,7808
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 162,7370 200,4535 200,4535 200,4535 200,4535
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport 156,2896 202,8852 202,8852 202,8852 202,8852
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 156,2896 207,4003 217,2791 217,2791 217,2791
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 155,5145 205,8500 256,1855 267,4250 267,4250
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, gasvormig 135,6886 135,6886 135,6886 135,6886 135,6886
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie 161,7215 179,8150 179,8150 179,8150 179,8150
3.

In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde, zesde en zevende kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 13, 15, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, 27, 29, 31, 33, eerste lid, 35, eerste lid, 37, 39, 41, 43, 45, 47, 49, 51, 53, eerste lid, 55, eerste lid, 57, 59, eerste lid, 61, 63, eerste lid, 65, eerste lid, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, 77, eerste lid, en 79, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

4.

In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde, zesde of zevende kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 81, eerste lid, 83, eerste lid, en 85, eerste lid, het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde, zesde of zevende kolom van de tabel in het tweede lid, dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 88
1.

Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het Besluit SDEK, wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en voor de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.

2.

De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt:

1 2 3 4
Artikel regeling Categorie Langetermijn energieprijs of langetermijn broeikasgasbedrag in euro/kWh Omrekenfactor in kg CO2/kWh
Artikel 13, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm 0,0939 0,1300
Artikel 13, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,0939 0,1300
Artikel 15 Osmose 0,0939 0,1300
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, ≥ 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, < 6,75 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Wind op waterkering, < 6,75 m/s 0,0654 0,1093
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) 0,0778 0,2023
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden aansluiting > 3*80 A, (net = 50%) 0,0778 0,1771
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0778 0,2023
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0778 0,1771
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) 0,0778 0,1417
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water (net = 50%) 0,0778 0,0787
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) 0,0778 0,1417
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0778 0,0787
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0778 0,0708
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0778 0,1417
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0778 0,0787
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0778 0,0708
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land 0,0778 0,0787
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0778 0,0787
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land 0,0778 0,0708
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0778 0,0708
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water 0,0778 0,0787
Artikel 25, onderdeel a Allesvergisting, gas 0,0462 0,1716
Artikel 25, onderdeel b Monomestvergisting > 450 kW, gas 0,0462 0,3174
Artikel 25, onderdeel c Monomestvergisting > 110 kW en ≤ 450 kW, gas 0,0462 0,5048
Artikel 25, onderdeel d Monomestvergisting ≤ 110 kW, gas 0,0462 0,5120
Artikel 27, onderdeel a Allesvergisting extra faciliteit, ombouw naar gas 0,0462 0,1716
Artikel 27, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gas 0,0462 0,1716
Artikel 27, onderdeel c Monomestvergisting extra faciliteit ≤ 450 kW, ombouw naar gas 0,0462 0,5048
Artikel 27, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting ≤ 450 kW, gas 0,0462 0,5048
Artikel 29 RWZI verbeterde slibgisting, gas 0,0462 0,1820
Artikel 31, onderdeel a Biomassavergassing (inclusief B-hout) 0,0462 0,1651
Artikel 31, onderdeel b Biomassavergassing (exclusief B-hout) 0,0462 0,1651
Artikel 33, eerste lid, onderdeel a Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth 0,0692 0,2250
Artikel 33, eerste lid, onderdeel b Zonthermie ≥ 1 MWth 0,0635 0,2250
Artikel 35, onderdeel a Allesvergisting, warmte 0,0635 0,2185
Artikel 35, onderdeel b Allesvergisting, gecombineerde opwekking 0,0778 0,1804
Artikel 35, onderdeel c Monomestvergisting, warmte > 450 kW 0,0635 0,3805
Artikel 35, onderdeel d Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW 0,0823 0,4211
Artikel 35, onderdeel e Monomestvergisting, warmte > 110 kW en ≤ 450 kW 0,0635 0,5870
Artikel 35, onderdeel f Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 110 kW en ≤ 450 kW 0,1042 0,8652
Artikel 35, onderdeel g Monomestvergisting, warmte ≤ 110 kW 0,0635 0,5859
Artikel 35, onderdeel h Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 110 kW 0,1035 0,8663
Artikel 37, onderdeel a Allesvergisting voortzetting, warmte 0,0635 0,2185
Artikel 37, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking 0,0780 0,1798
Artikel 37, onderdeel c Monomestvergisting voortzetting, warmte ≤ 450 kW 0,0635 0,5870
Artikel 37, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW 0,1042 0,8652
Artikel 39, onderdeel a RWZI verbeterde slibgisting, warmte 0,0635 0,2250
Artikel 39, onderdeel b RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking 0,0841 0,1677
Artikel 41, onderdeel a Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming 0,0666 0,2250
Artikel 41, onderdeel b Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassingen 0,0944 0,2250
Artikel 43 Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa 0,0635 0,2250
Artikel 45, onderdeel a Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel b Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel c Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel d Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel e Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel f Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel g Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel h Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 45, onderdeel i Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) 0,0359 0,2250
Artikel 47 Grote ketel op B-hout 0,0359 0,2250
Artikel 49, onderdeel a Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth 0,0668 0,2250
Artikel 49, onderdeel b Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth 0,0668 0,2250
Artikel 51 Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen 0,0881 0,2250
Artikel 53, eerste lid Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voortzetting 0,0359 0,2250
Artikel 55, eerste lid Composteringsinstallatie, warmte 0,0635 0,2250
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 Diepe geothermie < 12 MWth, basislast 0,0359 0,4356
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast 0,0359 0,4380
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast 0,0359 0,4370
Artikel 57, onderdeel b Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving 0,0390 0,4380
Artikel 57, onderdeel c Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0390 0,4309
Artikel 57, onderdeel e Diepe geothermie, basislast, aanvullende put 0,0359 0,4380
Artikel 57, onderdeel f Ultradiepe geothermie, basislast 0,0668 0,4380
Artikel 59, onderdeel a Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast 0,0359 0,3797
Artikel 59, onderdeel b Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0359 0,3797
Artikel 59, onderdeel c Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0366 0,3621
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 1° Aquathermie met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0359 0,1796
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 2° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0359 0,1878
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 3° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving, nieuw warmteoverdrachtstation 0,0359 0,1904
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 1° Aquathermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0359 0,1803
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 2° Aquathermie, met seizoensopslag, directe toepassing 0,0359 0,1817
Artikel 63, eerste lid, onderdeel a Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (8.000 uur) 0,0579 0,1879
Artikel 63, eerste lid, onderdeel b Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (3.000 uur) 0,0579 0,1879
Artikel 65, eerste lid, onderdeel a Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving, middentemperatuur 0,0635 0,1781
Artikel 65, eerste lid, onderdeel b Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving of bestaande tuinbouwkassen, lagetemperatuur 0,0359 0,1897
Artikel 67, eerste lid Daglichtkas 0,0359 0,1964
Artikel 69, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0692 0,2039
Artikel 71, eerste lid, onderdeel a Elektroboiler, stadsverwarming 0,0570 0,2250
Artikel 71, eerste lid, onderdeel b Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw 0,0462 0,2250
Artikel 71, eerste lid, onderdeel c Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw, met thermische opslag 0,0462 0,2250
Artikel 73, eerste lid, onderdeel a Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) 0,0579 0,1879
Artikel 73, eerste lid, onderdeel b Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) 0,0579 0,1879
Artikel 73, eerste lid, onderdeel c Industriële open warmtepomp (8.000 uur) 0,0646 0,2157
Artikel 73, eerste lid, onderdeel d Industriële open warmtepomp (3.000 uur) 0,0646 0,2157
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding < 0,10 km/MWth 0,0425 0,1878
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth 0,0425 0,1877
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0425 0,1875
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0425 0,1874
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 5° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0425 0,1872
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0452 0,2247
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0, 30 en < 0, 40 km/MWth 0,0452 0,2245
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0452 0,2244
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld met hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten 0,0964 0,2290
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark 0,0964 0,2290
Artikel 79, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1909 0,2860
Artikel 79, eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1909 0,2500
Artikel 79, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,1384 0,3804
Artikel 79, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,1384 0,2371
Artikel 79, eerste lid, onderdeel e Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,1886 0,2616
1 2 3 4
--- --- --- ---
Artikel regeling Categorie Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 Emissiefactor in kg CO2/1.000 kg CO2
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 137,0222 906,8250
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 902,0150
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport 137,0222 902,0150
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 137,0222 906,8250
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 902,0150
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 137,0222 906,8250
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 902,0150
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport 137,0222 893,8250
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 889,0150
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 137,0222 826,5000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 821,6900
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport 0,0000 745,9500
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 741,1400
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 137,0222 912,9000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 908,0900
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 137,0222 842,2500
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 137,0222 837,4400
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 906,8250
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 902,0150
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport 0,0000 902,0150
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 906,8250
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 902,0150
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 906,8250
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 902,0150
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 893,8250
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 889,0150
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 826,5000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 821,6900
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 912,9000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 908,0900
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 842,2500
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 837,4400
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 0,0000 745,9500
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 0,0000 741,1400
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 105,1790 842,4625
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,1790 842,4625
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 828,4875
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 832,1275
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 105,1790 848,3350
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,1790 848,3350
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 834,3600
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 105,1790 762,0250
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,1790 762,0250
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 751,6900
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 105,1790 777,7750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,1790 777,7750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 767,4400
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport 105,1790 681,4750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,1790 681,4750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 671,1400
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, gasvormig 105,1790 774,0500
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie 105,1790 753,9000

§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen, correctiebedragen en opbrengstgrensbedragen

§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 89

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6 7 8
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/kWh Vollasturen Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh Voorlopige correctie elektriciteitsprijs in 2.024 euro/kWh Voorlopige correctie waarde garanties van oorsprong in 2.024 euro/kWh Opbrengstgrensbedrag in euro/kWh
Artikel 13, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm 0,1329 3700 0,0626 0,1488 0,0000 -
Artikel 13, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,1329 5700 0,0626 0,1488 0,0000 -
Artikel 15 Osmose 0,1329 8000 0,0626 0,1488 0,0000 -
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, ≥ 8,5 m/s 0,0480 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0660
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0504 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0684
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0561 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0741
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0618 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0798
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0662 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0842
Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, < 6,75 m/s 0,0715 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0895
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s 0,0553 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0733
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0591 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0771
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0666 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0846
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0748 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0928
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0808 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0988
Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s 0,0880 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,1060
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s 0,0545 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0725
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0570 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0750
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0635 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0815
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0700 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0880
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0750 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0930
Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Wind op waterkering, < 6,75 m/s 0,0809 P50 0,0410 0,1109 0,0040 0,0989
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) 0,0791 840 0,0492 0,1243 0,0040 0,0971
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) 0,0734 840 0,0492 0,1243 0,0040 0,0914
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0828 840 0,0492 0,1243 0,0040 0,1008
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden met lichte dakaanpassing of lichtgewicht panelen (net = 50%) 0,0772 840 0,0492 0,1243 0,0040 0,0952
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) 0,0948 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,1128
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water (net = 50%) 0,0770 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0950
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) 0,0818 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0998
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0663 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0843
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) 0,0624 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0804
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0896 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,1076
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0706 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0886
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Zon-PV ≥ 20 MWp, op land natuurinclusief (net = 50%) 0,0660 855 0,0492 0,1243 0,0040 0,0840
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land 0,0663 1045 0,0492 0,1243 0,0040 0,0843
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0706 1045 0,0492 0,1243 0,0040 0,0886
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land 0,0624 1045 0,0492 0,1243 0,0040 0,0804
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief 0,0660 1045 0,0492 0,1243 0,0040 0,0840
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water 0,0770 1190 0,0492 0,1243 0,0040 0,0950

§ 5.2. Hernieuwbaar gas

Artikel 90

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/kWh Vollasturen Basisenergieprijs in euro/kWh Voorlopige correctie energieprijs in 2.024 euro/kWh
Artikel 25, onderdeel a Allesvergisting, gas 0,0877 8000 0,0308 0,0719
Artikel 25, onderdeel b Monomestvergisting > 450 kW, gas 0,1001 8000 0,0308 0,0719
Artikel 25, onderdeel c Monomestvergisting > 110 kW en ≤ 450 kW, gas 0,1588 8000 0,0308 0,0719
Artikel 25, onderdeel d Monomestvergisting ≤ 110 kW, gas 0,2187 8000 0,0308 0,0719
Artikel 27, onderdeel a Allesvergisting extra faciliteit, ombouw naar gas 0,0746 8000 0,0308 0,0719
Artikel 27, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gas 0,0684 8000 0,0308 0,0719
Artikel 27, onderdeel c Monomestvergisting extra faciliteit ≤ 450 kW, ombouw naar gas 0,1083 8000 0,0308 0,0719
Artikel 27, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting ≤ 450 kW, gas 0,0928 8000 0,0308 0,0719
Artikel 29 RWZI verbeterde slibgisting, gas 0,1190 8000 0,0308 0,0719
Artikel 31, onderdeel a Biomassavergassing (inclusief B-hout) 0,0915 7500 0,0308 0,0719
Artikel 31, onderdeel b Biomassavergassing (exclusief B-hout) 0,1122 7500 0,0308 0,0719

§ 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 91

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6 7
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/kWh Vollasturen Basisenergieprijs in euro/kWh Voorlopige correctie energieprijs in 2024 in euro/kWh Andere correctie in 2024 in euro/kWh
Artikel 33, eerste lid, onderdeel a Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth 0,1158 600 0,0502 0,1010 0,0019
Artikel 33, eerste lid, onderdeel b Zonthermie ≥ 1 MWth 0,0976 600 0,0445 0,0953 0,0019
Artikel 35, onderdeel a Allesvergisting, warmte 0,0951 7000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 35, onderdeel b Allesvergisting, gecombineerde opwekking 0,0981 7535 0,0530 0,1204 0,0098
Artikel 35, onderdeel c Monomestvergisting, warmte > 450 kW 0,1274 6000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 35, onderdeel d Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW 0,1355 5647 0,0557 0,1283 0,0071
Artikel 35, onderdeel e Monomestvergisting, warmte > 110 kW en ≤ 450 kW 0,1765 8000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 35, onderdeel f Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 110 kW en ≤ 450 kW 0,2473 5078 0,0779 0,1496 0,0076
Artikel 35, onderdeel g Monomestvergisting, warmte ≤ 110 kW 0,2249 8000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 35, onderdeel h Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 110 kW 0,2903 4960 0,0769 0,1495 0,0071
Artikel 37, onderdeel a Allesvergisting voortzetting, warmte 0,0767 7000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 37, onderdeel b Allesvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking 0,0786 7540 0,0531 0,1208 0,0097
Artikel 37, onderdeel c Monomestvergisting voortzetting, warmte ≤ 450 kW 0,1074 8000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 37, onderdeel d Monomestvergisting voortzetting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW 0,1328 5078 0,0779 0,1496 0,0076
Artikel 39, onderdeel a RWZI verbeterde slibgisting, warmte 0,1018 7000 0,0445 0,0953 0,0019
Artikel 39, onderdeel b RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking 0,1344 5728 0,0577 0,1298 0,0007
Artikel 41, onderdeel a Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming 0,0876 7000 0,0445 0,0953 0,0019
Artikel 41, onderdeel b Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassingen 0,0876 7000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 43 Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa 0,0742 3000 0,0445 0,0953 0,0185
Artikel 45, onderdeel a Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) 0,0652 4500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel b Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) 0,0641 5000 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel c Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) 0,0629 5500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel d Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) 0,0621 6000 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel e Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) 0,0612 6500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel f Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) 0,0606 7000 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel g Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) 0,0603 7500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel h Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) 0,0597 8000 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 45, onderdeel i Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) 0,0592 8500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 47 Grote ketel op B-hout 0,0378 7500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 49, onderdeel a Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth 0,0895 8500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 49, onderdeel b Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth 0,1050 8500 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 51 Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen 0,0684 3000 0,0400 0,0858 0,0185
Artikel 53, eerste lid Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voortzetting 0,0452 8000 0,0240 0,0560 0,0185
Artikel 55, eerste lid Composteringsinstallatie, warmte 0,0574 5200 0,0445 0,0953 0,0019
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 Diepe geothermie < 12 MWth, basislast 0,0589 6000 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast 0,0525 6000 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast 0,0466 6000 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel b Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving 0,1029 5000 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel c Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,1319 3500 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel e Diepe geothermie, basislast, aanvullende put 0,0341 6000 0,0240 0,0560 0,0019
Artikel 57, onderdeel f Ultradiepe geothermie, basislast 0,0806 7000 0,0240 0,0560 0,0185

§ 5.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

Artikel 92
1.

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabellen genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6 7 8
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/kWh Vollasturen Basisbroeikasgasbedrag in euro/kWh Voorlopige correctie productprijs in 2024 in euro/kWh Voorlopige correctie ETS in 2024 in euro/kWh Voorlopige correctie overige correcties in 2024 in euro/kWh
Artikel 59, onderdeel a Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast 0,0862 6000 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 59, onderdeel b Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,1646 3500 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 59, onderdeel c Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,1255 6000 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 1° Aquathermie met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,1077 6000 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 2° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0769 6000 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 61, onderdeel a, subonderdeel 3° Aquathermie, basislast, verwarming gebouwde omgeving, nieuw warmteoverdrachtstation 0,0917 6000 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 1° Aquathermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,1080 3500 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 61, onderdeel b, subonderdeel 2° Aquathermie, met seizoensopslag, directe toepassing 0,0928 3500 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 63, eerste lid, onderdeel a Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (8.000 uur) 0,0623 8000 0,0240 0,0560 0,0132 0,0000
Artikel 63, eerste lid, onderdeel b Procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces (3.000 uur) 0,1095 3000 0,0240 0,0560 0,0132 0,0000
Artikel 65, eerste lid, onderdeel a Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving, middentemperatuur 0,1347 3500 0,0445 0,0953 0,0004 0,0000
Artikel 65, eerste lid, onderdeel b Lucht-water-warmtepomp voor verwarming bestaande gebouwde omgeving of bestaande tuinbouwkassen, lagetemperatuur 0,0694 3500 0,0240 0,0560 0,0140 0,0000
Artikel 67, eerste lid Daglichtkas 0,1012 3850 0,0240 0,0560 0,0004 0,0000
Artikel 69, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0650 3500 0,0502 0,1010 0,0004 0,0000
Artikel 71, eerste lid, onderdeel a Elektroboiler, stadsverwarming 0,1113 3300 0,0308 0,0719 0,0065 0,0000
Artikel 71, eerste lid, onderdeel b Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw 0,1113 3300 0,0308 0,0719 0,0000 0,0000
Artikel 71, eerste lid, onderdeel c Elektroboiler, industriële toepassing niet zijnde tuinbouw, met thermische opslag 0,1359 5000 0,0308 0,0719 0,0000 0,0000
Artikel 73, eerste lid, onderdeel a Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) 0,0610 8000 0,0240 0,0560 0,0132 0,0000
Artikel 73, eerste lid, onderdeel b Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) 0,1065 3000 0,0240 0,0560 0,0132 0,0000
Artikel 73, eerste lid, onderdeel c Industriële open warmtepomp (8.000 uur) 0,0319 8000 0,0240 0,0560 0,0172 0,0000
Artikel 73, eerste lid, onderdeel d Industriële open warmtepomp (3.000 uur) 0,0710 3000 0,0240 0,0560 0,0172 0,0000
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding < 0,10 km/MWth 0,0670 5500 0,0240 0,0560 0,0040 0,0000
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth 0,0741 5500 0,0240 0,0560 0,0040 0,0000
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0813 5500 0,0240 0,0560 0,0040 0,0000
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0884 5500 0,0240 0,0560 0,0040 0,0000
Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 5° Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0956 5500 0,0240 0,0560 0,0040 0,0000
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0262 5500 0,0240 0,0560 0,0056 0,0000
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 2° Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0, 30 en < 0, 40 km/MWth 0,0334 5500 0,0240 0,0560 0,0056 0,0000
Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth 0,0405 5500 0,0240 0,0560 0,0056 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld met hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten 0,1880 3740 0,0458 0,0970 0,0000 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark 0,1880 5845 0,0458 0,0970 0,0000 0,0000
Artikel 79, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1750 8000 0,0713 0,0976 0,0000 0,0839
Artikel 79, eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1427 8000 0,0713 0,0976 0,0000 0,0839
Artikel 79, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,1799 8000 0,0374 0,0831 0,0000 0,0839
Artikel 79, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,1174 8000 0,0374 0,0831 0,0000 0,0839
Artikel 79, eerste lid, onderdeel e Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,1390 8000 0,0698 0,0994 0,0000 0,0839
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/1.000 kg CO2 Vollasturen Basisbroeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie productprijs in 2024 in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie ETS in 2024 in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie overige correcties in 2024 in euro/1.000 kg CO2
--- --- --- --- --- --- --- ---
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 249,6473 4000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 340,8704 4000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport 293,6963 4000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport 144,5032 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 192,0387 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 170,9900 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 214,9569 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport 211,8525 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 258,1535 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 216,4108 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 259,6245 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport 223,7850 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 222,3420 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 147,6072 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 195,7078 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 197,0111 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 238,3560 8000 91,3481 0,0000 91,3481 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 249,6473 4000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 270,6045 4000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport 270,6045 4000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 144,5032 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 192,0387 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 170,9900 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 214,9569 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 211,8525 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 258,1535 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 216,4108 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 246,5070 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 147,6072 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 195,7078 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 197,0111 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 238,3560 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport 223,7850 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 222,3420 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport 90,6325 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,0264 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 130,4494 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 123,2570 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport 89,2968 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 103,6907 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 129,1138 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 172,2054 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 186,5993 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 230,7191 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 146,3869 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 160,7808 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 200,4535 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport 202,8852 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 217,2791 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie of bestaande biomassaverbrandingsinstallatie ≥ 50 MWth, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie 267,4250 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, gasvormig 135,6886 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassaverbrandingsinstallatie < 50 MWth, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie 179,8150 4000 70,1193 148,3672 0,0000 0,0000
2.

Het aantal productie-uren van een productie-installatie als bedoeld in artikel 71, eerste lid, dat in aanmerking komt voor subsidie, bedraagt voor de kalenderjaren 2024 tot en met 2029 ten hoogste de in de onderstaande tabel weergegeven waarden in een bepaald kalenderjaar.

Jaar Productie-uren artikel 71, eerste lid, onderdelen a en b Productie-uren artikel 71, eerste lid, onderdeel c
2024 2.949 4.423
2025 3.457 5.185
2026 3.774 5.661
2027 4.775 7.162
2028 6.229 8.784
2029 8.760 8.760

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 93

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 94

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2024.

Bijlage 1. behorende bij artikel 7, tweede lid (Model uitvoeringsovereenkomst)

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2024

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61, eerste lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Artikel 3. Vrijval van de garantie

Artikel 4. Boetes

Artikel 5. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

Artikel 6. Domiciliekeuze en berichtgevingen

Artikel 7. Rechtskeuze

Artikel 8. Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/..........’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te ..........

Ondernemer

te ’s-Gravenhage op ..........

De Minister voor Klimaat en Energie,

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

.........., gevestigd te .........., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

VERKLAART ALS VOLGT

Getekend te

op

De Bank

Bijlage 2. behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (lijst windsnelheden per gemeente)

Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijk indeling per 1 januari 2024

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.