Beleidsregel jeugdtandverzorging instellingen

Type ZBO-regeling
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen.

Gelet op artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg, worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa.

Gelet op artikel 59, aanhef en onderdeel b, van de Wmg, heeft de Minister van VWS met brief van 12 juli 2012, met kenmerk MC-U-3122855, ten behoeve van voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om de toeslagtarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar die geleverd wordt door instellingen voor jeugdtandverzorging.

Artikel 3. Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw), voor zover deze wordt geleverd door instellingen voor jeugdtandverzorging.

Artikel 4. Prestatiebeschrijvingen

In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden:

JTV010 Toeslag haal- en/of brengservice

JTV001 Instellingstoeslag

Naast de hierboven genoemde prestatiebeschrijvingen kunnen de instellingen voor jeugdtandverzorging tevens de prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven zoals opgenomen in de Prestatie- en tariefbeschikking tandheelkundige zorg in rekening brengen.

Artikel 5. Totstandkoming tarieven

Om rechtsgeldig een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice (met prestatiecode JTV010) en/of de instellingstoeslag (met prestatiecode JTV001) in rekening te kunnen brengen moet de instelling voor jeugdtandverzorging hiervoor een rechtsgeldige tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben gekregen. Hiertoe dient de instelling voor jeugdtandverzorging jaarlijks, samen met twee representerende zorgverzekeraars, een aanvraag in. Voor het tariefverzoek moet de begroting van verwachte kosten en productie van de haal- en/of brengservice, de onderbouwing voor de hoogte van de overeengekomen instellingstoeslag en de overeenkomst met de zorgverzekeraars worden meegestuurd.

Een (nieuw) individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en de instellingstoeslag wordt alleen afgegeven indien de instelling minimaal een verzoek tot definitieve verrekening van het jaar (t-2) en voorafgaande jaren heeft ingediend (zie hierna onder paragraaf 5.6).

De hoogte van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice wordt berekend door de totale begrote aanvaardbare kosten voor de haal- en/of brengservice te delen door het aantal periodieke controles bij patiënten die gebruik maken van de haal- en/of brengservice. Het toeslagtarief is een individueel vast tarief per instelling.

Een instelling voor jeugdtandverzorging mag in combinatie met een periodieke controle van een patiënt tot 18 jaar (C001 of C002) een tarieftoeslag voor de haal- en/of brengservice in rekening brengen.

De kosten voor de haalservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een begroting van de totale, verwachte kosten voor het vervoer van de patiënten van de (basis)school naar de behandelplaats en terug.

Aanvaardbaar zijn de totale kosten van het vervoer van de patiënten van de (basis)school naar de behandelplaats en terug (zowel in eigen beheer als niet in eigen beheer) tot maximaal de kosten indien dit vervoer door derden zou worden verzorgd. De maximumbedragen luiden als volgt (definitief niveau 2024):

zitplaatscapaciteit rijdend materieel per inzetdag rijdend materieel per gereden km rijdend materieel per chauffeursuur
t/m 8 zitplaatsen
minibus rolstoelbus € 101,27 € 115,90 € 0,34 € 0,34 € 31,21 € 31,28
9-26 zitplaatsen € 154,53 € 0,45 € 40,22

Deze bedragen zijn exclusief BTW.

De bedragen per inzetdag of per gereden kilometer rijdend materieel worden jaarlijks aangepast met de prijsstijging particuliere consumptie (ppc) volgens het Centraal Economisch Plan (CEP). De bedragen per chauffeursuur worden jaarlijks aangepast op basis van de door de Minister van VWS voor het betreffende jaar aangegeven overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova).

De totale, werkelijke salariskosten van een chauffeur bedraagt maximaal € 45.904,- en van een begeleider maximaal € 41.249,- per jaar op fulltime basis (definitief niveau 2024). Deze bedragen worden jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ova-percentage.

De kosten voor de haalservice kunnen maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.

De kosten voor de brengservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een begroting van het verschil tussen de totale, werkelijke exploitatiekosten (inclusief kosten van instrumentarium) per (tandarts)stoel in een dental-car of andere mobiele praktijkruimte van de desbetreffende dienst en het jaarlijks vast te stellen franchisebedrag per stoel.

Het franchisebedrag bedraagt € 29.618,- (definitief niveau 2024). Het franchisebedrag per stoel wordt jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ppc-percentage.

Indien de exploitatiekosten per stoel hoger zijn dan het franchisebedrag per stoel kan het verschil maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.

De NZa zal de bedragen van het toetsingskader voor het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice jaarlijks per 1 januari van het jaar (t+1) actualiseren voor de loon- en prijsstijgingen volgens de betreffende indexen. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering.

De tarieven voor tandheelkundige hulp aan jeugdige patiënten tot 18 jaar, met uitzondering van de techniekkosten, kosten implantanten, stiften, laboratoriumkosten en materiaalkosten voor regeneratietechnieken, kunnen worden verhoogd met een instellingstoeslag van maximaal 10% voor de behandeling van risicogroepen. Voorwaarde hiervoor is dat de NZa op grond van een onderbouwde aanvraag hiervoor een tariefbeschikking heeft afgegeven.

Op grond van de hierboven vastgelegde systematiek wordt een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice op voorcalculatorisch niveau jaar t vastgesteld. Achteraf vindt een verrekening plaats van de daadwerkelijke kosten en productie jaar t, rekening houdend met het in artikel 5.3.2 beschreven toetsingskader. De wijze van verrekening is afhankelijk van de hieronder beschreven situaties:

De NZa geeft jaarlijks aan een instelling, op aanvraag en na goedkeuring, een individueel vast toeslagtarief af vóór 1 januari van het jaar (t+1). Hiervoor dient de tariefaanvraag door instelling en representerende zorgverzekeraars uiterlijk 1 oktober in het jaar (t) tweezijdig en volledig te zijn ingediend.

Instelling en representerende zorgverzekeraars kunnen vóór 1 december van het jaar (t) een onderbouwd verzoek tot verlenging van de lopende tariefbeschikking indienen. De NZa kan daarop de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking met maximaal zes maanden verlengen tot uiterlijk 1 juli van het jaar (t+1).

Indien instelling en representerende zorgverzekeraars verzuimen het verzoek tot vaststelling van het individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag tijdig in te dienen of de verlenging van de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking is ontoereikend, geldt dat de instelling voor jeugdtandverzorging geen recht meer heeft op declaratie van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en/of de instellingstoeslag.

Artikel 6. Rente

Bij de vaststelling van de aanvaardbare kosten wordt rente over eigen vermogen niet en rente over vreemd vermogen wel in aanmerking genomen. Over het vreemde vermogen wordt de in te calculeren rente als volgt berekend.

Ingecalculeerd wordt het bedrag dat de instelling aan rente is verschuldigd in het jaar waarvoor de aanvaardbare kosten worden vastgesteld, met dien verstande dat rentetype en andere voorwaarden van leningsovereenkomst in overeenstemming dienen te zijn met hetgeen normaal gebruikelijk is (was) op het moment van afsluiten van de lening.

In afwijking van het vorenstaande wordt in het geval dat vreemd vermogen wordt aangetrokken in de vorm van een zogenaamde annuïteitenlening, aan rente ingecalculeerd het bedrag van de annuïteit, verminderd met de berekende rechtlijnige aflossing.

Voorts worden bij de bepaling van de aanvaardbare kosten de doorberekende rentekosten in mindering gebracht.

Artikel 7. Afschrijving

De in de vaste tarieven op te nemen afschrijvingskosten worden gebaseerd op de historische kostprijs.

Indien voor een investering of het aangaan van een huurcontract toestemming bij of krachtens de wet is vereist, zullen bij gebreke daarvan geen afschrijvingskosten of huur in de tarieven worden opgenomen.

Indien de rechtspersoon, die een instelling exploiteert, geen eigenaar is van de gebouwen en/of installaties en/of inventaris en de verhuurder een rechtspersoon is die een niet op het maken van winst gerichte doelstelling heeft, zal de huur getoetst worden aan de richtlijn voor afschrijving en rente.

Indien de rechtspersoon, die een instelling exploiteert, geen eigenaar is van de gebouwen en/of installaties en/of inventaris en de verhuurder een rechtspersoon is met een op winst gerichte doelstelling, zal aan huur worden ingecalculeerd:

Indien echter een als instelling van gezondheidszorg in gebruik zijnd pand overgedragen wordt aan een derde die dit pand vervolgens weer in huur aanbiedt ten behoeve van de exploitatie van een instelling van gezondheidszorg, wordt als huur slechts ingecalculeerd de vóór deze transactie bestaande eigenaarslasten (rente, afschrijving, vaste lasten).

De afschrijvingskosten worden in het algemeen in de tarieven opgenomen vanaf de ingebruikname van de betrokken activa.

Met inachtneming van het vorenstaande wordt bij de tariefbepaling uitgegaan van de volgende afschrijvingspercentages:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.