Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 24 juli 2024, nr.BZ2403658, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-06-28
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 4
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van sectorale activiteiten ten behoeve van het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2029 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

1.

Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend vanaf 1 oktober 2024, 9.00 uur Nederlandse tijd tot en met 30 juni 2026, 12.00 uur Nederlandse tijd.

2.

Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend vanaf 1 september 2026, 9.00 uur Nederlandse tijd tot en met 31 maart 2027, 12.00 uur Nederlandse tijd.

3.

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier vermelde bescheiden.1https://www.rvo.nl/sectorale-samenwerking.

Artikel 3

1.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2029 voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van:

2.

Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond van de desbetreffende pijler voor de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024-2029.

3.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, een nader bekend te maken subsidieplafond.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 september 2024 en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bijlage

I. Inleiding

I.1. Achtergrond

Nederland onderschrijft de UN Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (hierna: OESO-richtlijnen). Hierin zijn internationale normen op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (hierna: IMVO) vastgelegd. Kernelement van deze normen is dat ondernemingen risico’s in hun bedrijfsvoering en internationale ketens in kaart brengen, deze risico’s voorkomen, aanpakken of stoppen en hierover communiceren, wat ‘gepaste zorgvuldigheid’ of ‘due diligence’ wordt genoemd. Het gaat daarbij om risico’s op mensenrechtenschendingen, zoals gedwongen arbeid en uitbuiting, maar ook risico’s op milieuvervuiling. IMVO is cruciaal voor inclusieve groene groei. Het zorgt dat de positieve effecten van bedrijvigheid, zoals werkgelegenheid, blijven bestaan, terwijl de negatieve effecten worden voorkomen. IMVO draagt daarmee voor een belangrijk deel bij aan het behalen van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (Sustainable Development Goals, hierna: SDG’s).

Nederland kent een IMVO-beleid2https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/10/16/van-voorlichten-tot-verplichten-een-nieuwe-impuls-voor-internationaal-maatschappelijk-verantwoord-ondernemerschap. dat bestaat uit een mix van elkaar versterkende maatregelen die tezamen leiden tot effectieve gedragsverandering bij zowel ondernemingen die koploper zijn, peleton vormen en achterblijver zijn. De beleidsmix voorziet erin dat maatwerk wordt geleverd en dat maatregelen verplichten, voorwaarden stellen, verleiden, vergemakkelijken en voorlichten (conform het zogenaamde 5V-model).

Met de recente inwerkingtreding van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (‘CSDDD’) en de aanstaande implementatie daarvan in nationale wetgeving, worden zeer grote ondernemingen3De richtlijn gaat gelden voor in de EU gevestigde ondernemingen met meer dan 1.000 medewerkers en een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen, en voor niet in de EU gevestigde ondernemingen met een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen in de EU. verplicht om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun ketens van activiteiten om zo risico’s voor mens en milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Bij overheidsinkoop en bij het bedrijfsleveninstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken4Zoals uitgevoerd door RVO, ADSB, Invest International etc. worden IMVO-voorwaarden gesteld waarmee ondernemingen worden gestimuleerd om gepaste zorgvuldigheid te gaan toepassen. De overheid wil ook door middel van verleiding, vergemakkelijking en voorlichting ondernemingen ondersteunen bij IMVO. In de beleidsmix is ook een IMVO-steunpunt opgezet. Het IMVO-steunpunt vervult een spilfunctie (‘one stop shop’) voor ondernemingen in het toepassen van IMVO. Het steunpunt licht individuele ondernemingen voor over, en ondersteunt ze met advies en hulpmiddelen bij, het toepassen van gepaste zorgvuldigheid.

Binnen de beleidsmix wil de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (hierna: minister) sectorale samenwerking ten behoeve van het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen en impact binnen specifieke thema’s of ketens blijven stimuleren en ondersteunen. De stimulering en ondersteuning van sectorale samenwerking is een belangrijk element in het vergemakkelijken van IMVO, onder andere door ondernemingen in de sector te verbinden en zo het identificeren van eventuele risico’s in hun ketens te vergemakkelijken en de impact van hun invloed te vergroten. Hiervoor heeft de minister besloten tot het instellen van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 (hierna: subsidieprogramma).

Het subsidieprogramma bestaat uit twee pijlers. De eerste pijler is gericht op het vergroten van handelingsperspectief. IMVO-sectorovereenkomsten kunnen subsidie aanvragen voor het ontwikkelen van hun handelingsperspectief en het daaraan uitvoering geven middels projecten. Zie verder over deze eerste pijler paragraaf II. De tweede pijler ondersteunt maatschappelijke organisaties bij het ontsluiten van hun kennis en ervaring ten behoeve van gepaste zorgvuldigheid in de implementatiefase van IMVO-sectorovereenkomsten. Zie verder over deze pijler paragraaf III. De bepalingen in paragraaf I van deze bijlage gelden voor zowel de eerste als de tweede pijler.

Als ander onderdeel van sectorale samenwerking faciliteert de Sociaal Economische Raad (hierna: SER) het onderhandelen en begeleiden van IMVO-sectorovereenkomsten. Een IMVO-sectorovereenkomst is een onder begeleiding van de SER gemaakte set van afspraken tussen Nederlandse ondernemingen binnen dezelfde sector, maatschappelijke organisaties en/of de Rijksoverheid over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en over hoe zij gezamenlijk specifieke IMVO-risico’s en daadwerkelijke misstanden in hun waardeketen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en milieu kunnen voorkomen en mitigeren. De SER zorgt voor een gedegen structuur van deze partnerschappen door het faciliteren van de totstandkoming en uitvoering van een set afspraken en governance. De ondersteuning van de SER om deze taken te vervullen, is geregeld via een separate beschikking.

Eerder publiceerde de minister het Subsidieprogramma Social Sustainability Fund5Zie Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 september 2023, Min-BuZa.2023.19898-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Social Sustainability (SSF)) (Stcrt. 2023, 27072). Het SSF ondergaat momenteel een proces van naamswijziging, verwijzingen naar het SSF in dit subsidiebeleidskader refereren ook aan het daaropvolgende programma van SSF. (hierna: SSF) om sociale verduurzaming van productie- en handelsketens te stimuleren. Het SSF ondersteunt Nederlandse ondernemingen samen met hun toeleveranciers in productielanden, in samenwerking met relevante stakeholders (maatschappelijke organisaties, vakbonden), bij het onderzoeken en zo nodig adresseren van sociale duurzaamheidsrisico’s (zoals kinderarbeid, ongezonde of gevaarlijke arbeidsomstandigheden en/of lonen en inkomens die onleefbaar zijn), in de specifieke context van die handelsrelatie, ketens en productielanden (upstream). Daarmee ondersteunt SSF deze ondernemingen ook in het doen van due diligence (op deze sociale duurzaamheidsrisico’s) respectievelijk in het uitvoeren van IMVO-beleid (inclusief Europese wetgeving op dit gebied, met name de CSDDD), en is het flankerend aan dit beleid in het algemeen en daarbinnen aan dit subsidieprogramma.

Dit subsidieprogramma is de opvolger van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–20256Zie Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 september 2022, Min-Buza.2022.12321-35, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–2025) (Stcrt. 2022, 25681).. Hieruit is in overleg met stakeholders gebleken dat het wenselijk is het subsidieprogramma op een aantal onderdelen te herzien7https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/11/07/kamerbrief-inzake-uitkomst-peilmoment-sectorale-samenwerking-imvo-en-update-monitoringsonderzoek-naleving-oeso-richtlijnen. Vanwege het grote aantal wijzigingen is ervoor gekozen om een nieuw subsidieprogramma in te stellen.

I.2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van dit subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

I.3. Begrippen

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

I.4. Subsidiabele kosten

I.4.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

I.4.2. Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners zelf te maken volgende soort kosten:

I.4.3. Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

I.5. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in de beleidsregels voor dit subsidieprogramma of indien het beschikbare budget ontoereikend is.

I.6. Verplichtingen

In de subsidieverleningsbeschikking zal aan de subsidieverlening een aantal verplichtingen worden verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op de zogenaamde meldplicht: de subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel/tijdig) kan uitvoeren. Daarnaast zullen er verplichtingen worden opgenomen over het (tussentijds) rapporteren van de resultaten en de effecten van de gesubsidieerde activiteiten.

I.7. Handhaving

RVO zal aan de hand van de door de subsidieontvangers in te dienen rapportages middels steekproefsgewijze controles toezien op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

I.8. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4% bedraagt voor de eerste pijler en 2,47% voor de tweede pijler.

II. Eerste pijler: sectorale samenwerkingsverbanden

II.1. Doel(groep) en activiteiten

II.1.1. Doel

Het doel van de subsidieverlening in het kader van de eerste pijler van dit subsidieprogramma is het voor Nederlandse ondernemingen vergemakkelijken om te ondernemen in lijn met de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles (toepassen van gepaste zorgvuldigheid). Ondernemingen kunnen door sectoraal samen te werken individuele lasten verlagen, onderling vertrouwen (uit)bouwen, van elkaar leren en gezamenlijk invloed aanwenden om risico’s op het gebied van mens en milieu in hun waardeketen te laten aanpakken en verminderen, te beginnen bij de meest ernstige en meest waarschijnlijke risico’s. Het gaat daarbij om IMVO-thema’s die in de OESO-richtlijnen aan de orde komen. Het subsidieprogramma beoogt bij te dragen aan de verduurzaming van internationale waardeketens en draagt daarmee tevens bij aan verschilende SDG’s van de Verenigde Naties, waaronder Gender equality (SDG 5), Decent work and economic growth (SDG 8), Responsible Production and Consumption (SDG 12) en Partnerships to achieve the goals (SDG 17).

In het kader van de eerste pijler kan subsidie worden verstrekt (via penvoerders) aan samenwerkingsverbanden voor concrete activiteiten gericht op handelingsperspectief in een sector. De zes stappen van gepaste zorgvuldigheid16OESO Due Diligence Handreiking (p.19): https://www.oesorichtlijnen.nl/documenten/publicatie/2019/06/06/oeso-due-diligence-handreiking-voor-mvo-nls. staan daarbij centraal:

Sectorale samenwerking is multi-stakeholder van aard. Door krachtenbundeling kunnen ondernemingen en maatschappelijke organisaties waardeketens verduurzamen in lijn met de OESO-richtlijnen. Het betrekken van stakeholders is hierbij van belang om de verbinding te maken met de lokale context.

Daarnaast genereert sectorale samenwerking bewustwording, kennisuitwisseling en lerend vermogen over gepaste zorgvuldigheid. Het uitvoeren van activiteiten in het kader van dit subsidieprogramma kan spill-over effecten binnen een sector creëren bijvoorbeeld van good practices. Dit leidt ook tot verbeterde relaties met ketenpartners.

Deelname aan een samenwerkingsverband vervangt niet de verantwoordelijkheid van individuele ondernemingen om te voldoen aan eventueel van toepassing zijnde wetgeving. Dit subsidieprogramma heeft dan ook niet tot doel om deze individuele verantwoordelijkheid te vervangen. Wel kan het subsidieprogramma helpen door via collectieve inspanningen invulling te kunnen geven aan deze individuele verantwoordelijkheid.

II.1.2. Doelgroep

De activiteiten worden primair door ondernemingen uitgevoerd aangezien zij volgens de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles hoofdzakelijk belast zijn met de toepassing van gepaste zorgvuldigheid. Dit subsidieprogramma staat zowel open voor ondernemingen die in de toekomst aan de CSDDD moeten gaan voldoen als voor alle andere ondernemingen die aan de slag willen gaan met gepaste zorgvuldigheid. Samenwerking met maatschappelijke organisaties is een voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen om gezamenlijk invloed te vergroten en stakeholderengagement in productielanden te bevorderen.

II.1.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Een penvoerder zal namens een samenwerkingsverband een subsidie aanvragen. Subsidies in het kader van de eerste pijler zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden die voortkomen uit IMVO-sectorovereenkomsten die door de SER worden begeleid. Elke partner van het samenwerkingsverband moet beschikken over rechtspersoonlijkheid.

Aan de (partners van de) samenwerkingsverbanden worden de volgende eisen gesteld:

De rol van penvoerder wordt vervuld door:

De penvoerder en partners in het samenwerkingsverband moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. Hij en zijn partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de penvoerder, zijn partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO (als uitvoerder voor de minister van dit subsidieprogramma) is gewaarborgd.

II.1.4. Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van de eerste pijler moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op het toepassen van gepaste zorgvuldigheid, conform de OESO-richtlijnen, voor de sector in kwestie. De activiteiten moeten een directe relatie hebben met de geprioriteerde risico’s door de aanvrager en omstandigheden in productielanden.

In lijn met de OESO-richtlijnen dient het proces van gepaste zorgvuldigheid gebaseerd te zijn op betrokkenheid van stakeholders. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moeten de activiteiten betrekking hebben op thema’s van de OESO-richtlijnen (mensenrechten, arbeid en milieu) en moet bij die activiteiten sprake zijn van het betekenisvol betrekken van stakeholders zoals voorgeschreven in de OESO due diligence handreiking18OESO Due Diligence Handreiking (p.52); https://www.oesorichtlijnen.nl/documenten/publicatie/2019/06/06/oeso-due-diligence-handreiking-voor-mvo-nls.:

Het samenwerkingsverband behoort een plan van aanpak te hebben op basis van een risico- en stakeholderanalyse in de sector. In het plan van aanpak staan de voorziene activiteiten gericht op het uitvoeren van gepaste zorgvuldigheid in sectoraal verband, conform de OESO-richtlijnen.

Dit plan van aanpak wordt ontwikkeld vanuit een IMVO-sectorovereenkomst en is nodig voor de aanvraag voor subsidie. Er kan subsidie worden aangevraagd door een penvoerder namens een sectoraal samenwerkingsverband voor de uitvoering van het plan van aanpak gericht op collectieve gepaste zorgvuldigheid. Daarin is meegenomen:

De uitvoering van het plan van aanpak betreft dus activiteiten als onderdeel van het gehele gepaste zorgvuldigheidsproces dat moet leiden tot structurele inbedding in een sector. De ontwikkelde tools en good practices worden aan het einde van het project gedeeld met de sector en publiek toegankelijk gemaakt, onder andere via het IMVO-steunpunt.

Aan het einde van het project dient er een beschrijving te zijn opgesteld waaruit blijkt hoe het samenwerkingsverband de aanpak heeft uitgevoerd. In de beschrijving komt in elk geval terug:

Niet-subsidiabele activiteiten zijn:

II.1.5. Duur activiteiten

De activiteiten in het kader van de eerste pijler moeten in minimaal 1 en maximaal 3 jaar worden uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk 6 maanden na subsidieverlening van start moet gaan. De activiteiten worden afgerond uiterlijk 31 december 2029.

II.1.6. Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 225.000 euro per jaar, waarbij de kosten van maatschappelijk organisaties 100% subsidiabel kunnen zijn (hetgeen leidt tot een hogere eigen bijdrage van de andere partners in het samenwerkingsverband om te kunnen voldoen aan de totale eigen bijdrage van 30%).

De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 150.000.

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de aanvragers van de subsidie zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Voor de eerste openstelling van het subsidieprogramma geldt bij een aanvraag voor activiteiten die in 3 jaar worden uitgevoerd een maximum subsidie van € 675.000,– per aanvraag van een samenwerkingsverband, en geldt voor de aanvragen een maximum subsidie van € 1.068.000 in totaal per IMVO-sectorovereenkomst.

II.1.7. Staatssteun

De subsidie aan ondernemingen, waaronder mogelijk ook maatschappelijke organisaties24Als maatschappelijke organisaties economische activiteiten uitvoeren. die als partner in een samenwerkingsverband deelnemen, kan staatssteun betreffen en geoorloofd worden verstrekt door toepassing van de De-minimisverordening, welke inhoudt dat onder voorwaarden een maximale subsidie van € 300.000,– per onderneming per 36 maanden kan worden verleend. Hiervoor dient door elke onderneming in het samenwerkingsverband die subsidie ontvangt een De-minimisverklaring te worden ingevuld en bij de aanvraag opgenomen te worden.

II.2. Aanvraag

II.2.1. Vereisten

De aanvraag wordt in de Engelse taal ingediend door de penvoerder met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/sectorale-samenwerking beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag bevat in ieder geval:

Ondernemingen die een aanvraag indienen, verklaren dat ze op de hoogte zijn van, en zullen handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Door dit te verklaren, bevestigen ondernemingen dat ze gepaste zorgvuldigheid uitvoeren om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in hun eigen activiteiten en hun waardeketen te identificeren, voorkomen, beperken en hier transparant over te communiceren. Ondernemingen verklaren ook dat ze geen activiteiten ondernemen die op de FMO-uitsluitingenlijst26www.fmo.nl/exclusion-list, onderdelen 02 tot en met 08, staan. Ondernemingen moeten signalen of omstandigheden die duiden op een schending van de OESO-richtlijnen onmiddellijk melden aan RVO, waaronder schendingen van mensenrechten of significante milieuschade.

II.2.2. Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

II.3. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van de eerste pijler. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma met betrekking tot de eerste pijler zijn neergelegd.

Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Indien blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van binnenkomst.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf I, II.1 en II.2, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria. Aan deze criteria moet eveneens (in voldoende mate) worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Bij de beoordeling van aanvragen op grond van de criteria wordt gewerkt met een systeem van puntentoekenning.

De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De volgende criteria zijn van toepassing:

RVO kan bij de beoordeling van de aanvragen extern advies inwinnen.

III. Tweede pijler: maatschappelijke organisaties in IMVO partnerschappen

III.1. Doel(groep) en activiteiten

III.1.1. Doel

De tweede pijler biedt ondersteuning voor maatschappelijke organisaties om hun kennis te ontsluiten en zo een belangrijke rol te kunnen spelen bij de implementatie van de IMVO-sectorovereenkomsten. Maatschappelijke organisaties dragen bij aan de vermindering van IMVO-risico’s in waardeketens zoals deze zijn vastgelegd in de IMVO-sectorovereenkomsten.

III.1.2. Doelgroep

De doelgroep betreft maatschappelijke organisaties die deelnemen aan een IMVO-sectorovereenkomst. De werkzaamheden voor het partnerschap sluiten aan bij de kernactiviteiten van de maatschappelijke organisaties.

III.1.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden van maatschappelijke organisaties behorend bij een IMVO-sectorovereenkomst of daarbij betrokken als door de IMVO-sectorovereenkomst goedgekeurde steunbetuigende organisaties (waarbij deze steunbetuigende organisatie aantoonbaar door de stuurgroep van de IMVO-sectorovereenkomst moet zijn goedgekeurd), namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt. De penvoerder is een statutair in Nederland gevestigde maatschappelijke organisatie en heeft over de afgelopen 2 jaar een minimale jaarbegroting van € 0,5 miljoen en kan dit aantonen aan de hand van een jaarverslag van die periode.

Dit samenwerkingsverband bestaat uit maatschappelijke organisaties die partij zijn bij en/of deelnemen aan de implementatie van een reeds ondertekend IMVO-sectorovereenkomst die door de SER wordt begeleid, of daarbij betrokken zijn als goedgekeurde steunbetuigende organisatie. In het geval de rijksoverheid, waaronder ten minste de Minister, deelneemt als partner wordt gesproken over een IMVO-convenant, welke in het kader van dit subsidieprogramma ook aan te merken is als IMVO-sectorovereenkomst.

Geen partner bij het samenwerkingsverband mogen zijn maatschappelijke organisaties waaraan reeds een instellingssubsidie is verleend door het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor een looptijd die het tijdvak van de gevraagde subsidie (deels) beslaat.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners een integriteitsbeleid hebben vastgesteld en dat hij en zijn partners procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de penvoerder, zijn partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO (als uitvoerder voor de minister van dit subsidieprogramma) is gewaarborgd.

III.1.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidiabel zijn activiteiten gericht op het behalen van de doelstellingen van de IMVO-sectorovereenkomst.

Het kan gaan om de volgende twee soorten subsidiabele activiteiten:

Niet subsidiabel zijn de activiteiten waarvoor de IMVO-sectorovereenkomst reeds een subsidie of een bijdrage heeft ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

III.1.5. Duur activiteiten

De activiteiten in het kader van de tweede pijler moeten binnen 5 jaar uitgevoerd worden, tenzij de looptijd van de IMVO-sectorovereenkomst korter is, en zijn uiterlijk per 31 december 2029 afgerond. De uitvoering van de activiteiten moet uiterlijk 6 maanden na indiening van de aanvraag van start gaan.

III.1.6. Omvang van de subsidie

Het maximale subsidiebedrag dat voor subsidiabele activiteiten kan worden verkregen is € 150.000 op jaarbasis aan inzet per IMVO-sectorovereenkomst voor de resterende programmaperiode van het partnerschap, en uiterlijk tot en met 31 december 2029.

De subsidie wordt per soort subsidiabele activiteit apart aangevraagd. Het totale subsidiebedrag per activiteitensoort is maximaal € 150.000 op jaarbasis. Bij een looptijd van minder dan 1 jaar geldt dat de hoogte van het maximale subsidiebedrag wordt bepaald naar rato van het aantal maanden waarin de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft worden uitgevoerd.

Voor samenwerkingsverbanden waarbij minimaal 45 partners zijn aangesloten, geldt dat de hiervoor genoemde maxima van € 150.000 voor het maximale subsidiebedrag en het totale subsidiebedrag per activiteitensoort, voor het jaar 2026 worden verhoogd naar € 200.000.

III.1.7. Staatssteun

De subsidie aan maatschappelijke organisaties27Als maatschappelijke organisaties economische activiteiten uitvoeren. kan staatssteun betreffen en geoorloofd worden verstrekt door toepassing van de De-minimisverordening. Zie verder paragraaf II.1.7.

III.2. Aanvraag

III.2.1. Vereisten

De aanvraag voor de tweede pijler wordt ingediend door de penvoerder met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/sectorale-samenwerking beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag bevat in ieder geval cv’s van medewerkers, een activiteitenplan en een begroting. Daarnaast geeft de aanvraag een duidelijke omschrijving van de rolverdeling tussen de maatschappelijke organisaties die partij zijn bij de IMVO-sectorovereenkomst.

III.2.2. Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

III.3. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van de tweede pijler. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma met betrekking tot de tweede pijler zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder de in paragraaf I, III.1 en III.2 opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen, worden inhoudelijk beoordeeld op het voldoen aan de hierna volgende criteria. Daaraan moet eveneens (in voldoende mate) worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor de activiteiten vindt plaats op basis van de volgende criteria:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)