Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 19 juli 2024, nr.BZ2403369, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-12
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het bevorderen van sociale duurzaamheid in internationale productieketens, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend vanaf 20 augustus 2024 tot en met 7 oktober 2024, 15.00 uur Nederlandse tijd.

2.

Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.

3.

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf

Artikel 3
1.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord ondernemen geldt, voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027, een totaal subsidieplafond van € 4.249.144, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:

2.

Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder b.

3.

Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder a.

4.

Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de daaropvolgende openstelling.

5.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.

Artikel 4

Het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 september 2023, Min-BuZa.2023.19898-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006(Subsidieprogramma Social Sustainability) en het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 5 februari 2024, MINBUZA-2024.20415-7, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 september 2023, Min-BuZa.2023.19898-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Social Sustainability) worden ingetrokken, met dien verstande dat deze besluiten zoals deze luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing blijven op reeds voor die dag ingediende aanvragen en verleende subsidies.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang 1 januari 2028 met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bijlage

1. Achtergrond

In veel internationale waardeketens vindt nog onverantwoorde productie plaats. Zo ontvangen werknemers geen leefbaar loon of worden er kinderen ingezet bij de productie. Ook kunnen werknemers bloot gesteld worden aan gevaarlijke werkomstandigheden. Vaak is er, in samenhang, ook sprake van risico’s voor het leefmilieu of het behoud van biodiversiteit. Nederlandse ondernemingen zijn zich niet altijd bewust van de risico's voor mensenrechten en milieu in hun waardeketen, met name dieper in de keten ('upstream'), hebben weinig zicht of invloed op de verschillende schakels in hun keten voorbij de eerste toeleverancier(s), en/of weten niet hoe ze de problemen aan kunnen pakken en wat daarin precies van hun verwacht wordt in het kader van IMVO-richtlijnen.

IMVO-richtlijnen

Er bestaan verschillende richtlijnen, zoals de OESO-richtlijnen4www.oesorichtlijnen.nl guidingprinciplesbusinesshr_en.pdf (ohchr.org) of de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, die ondernemingen stimuleren om verantwoord te ondernemen. Daarnaast komt de EU met wetgeving waarin normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn opgenomen. Zo is de Corporate Sustainability Due Diligence (CSDDD5De CSDDD verplicht grote ondernemingen om risico's voor mensenrechten en milieu in hun keten in kaart te brengen en waar nodig aan te pakken, via een proces van due diligence dat grotendeels in lijn is met de de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Zie ook Richtlijn - EU - 2024/1760 - EN - EUR-Lex (europa.eu)) op 25 juli 2024 in werking getreden. Lidstaten hebben tot 26 juli 2027 de tijd om deze richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. Ook andere Europese wetgeving heeft betrekking op due diligence, zoals de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de EU Regulation on Deforestation-free products (EUDR). Daarnaast bestaat er wetgeving op gebied van dwangarbeid (Forced Labour Regulation, FLR), conflictmineralen en batterijen. Door deze wetten heeft een grotere groep ondernemingen dan voorheen te maken met vereisten om hun keten te verduurzamen.

Sociale verduurzaming en vergroening

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp wil met het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen (hierna subsidieprogramma) sociale verduurzaming en vergroening van productieketens in ontwikkelingslanden stimuleren. Sociale duurzaamheid heeft betrekking op het welzijn van mensen en omvat het respecteren van mensenrechten, eerlijke arbeidspraktijken, goede levensomstandigheden, gezondheid, veiligheid, diversiteit, gelijkheid, empowerment en maatschappelijke betrokkenheid. Het subsidieprogramma beoogt sociale duurzaamheid in internationale productieketens te vergroten door bedrijven te stimuleren sociale risico’s in hun productieketen te identificeren en negatieve effecten van ondernemingen op mensen te voorkomen of mitigeren. Vergroening heeft betrekking op het zuiniger omgaan met natuurlijke hulpbronnen en het behoud van biodiversiteit en het leefmilieu. Ondernemingen hebben vaak direct of indirect invloed op het fysieke leefmilieu van lokale gemeenschappen. Het subsidieprogramma beoogt eveneens ondernemingen te stimuleren maatregelen te nemen ter vergroening om daarmee het welzijn van lokale gemeenschappen te verbeteren.

Onderverdeling totaal subsidieplafond

Het totale subsidieplafond wordt onderverdeeld in een subsidieplafond voor aanvragen vanuit MKB-ondernemingen en een subsidieplafond voor ander aanvragen. Door deze onderverdeling wordt met name het midden- en kleinbedrijf ondersteund bij verduurzaming van de keten. Het midden- en kleinbedrijf beschikt namelijk over het algemeen over minder middelen en personeel om daarin zelf te voorzien. Daarnaast kunnen zoveel mogelijk ondernemingen gebruik maken van dit subsidieprogramma, doordat mkb-ondernemingen die niet eerder een subsidie op grond van dit subsidieprogramma hebben ontvangen onder het eerste hogere subsidieplafond vallen.

Naamsverandering van het programma

De derde openstelling onder het Social Sustainability Fund zou de eerste zijn na aanname, op EU-niveau, van brede IMVO due dilligence wetgeving oftewel de Corporate Sustainability Due Dilligence Directive (CSDDD). Deze wetgeving draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemingen op de Europese interne markt. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt om over te gaan tot een naamsverandering van ‘Social Sustainability Fund (SSF)’ in ‘Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen’ (SPVO).

Het doel hiervan is om in deze nieuwe naam beter tot uitdrukking te laten komen dat het hierbij gaat om ondersteuning van het Nederlands bedrijfsleven, in partnerschap met hun toeleveranciers in productielanden en stakeholders (zoals vakbonden), bij het op verantwoorde wijze versterken van hun ondernemen. In aanvulling op het IMVO-instrumentarium (o.a. Sectorale Samenwerking en IMVO-steunpunt) gaat het hierbij om een programma dat Nederlandse bedrijven, samen met hun toeleveranciers in productielanden, helpt specifieke risico’s en de aanpak daarvan, dieper in hun keten (‘upstream’, in productielanden, bij die toeleverancier), te identificeren en zo nodig en mogelijk aan te pakken.

De kennis die hieruit voortkomt wordt gedeeld met andere bedrijven en stakeholders, ook in EU-verband. Op deze manier kunnen ondernemers van elkaar leren en krijgen ook ondernemers die niet meedoen aan het subsidieprogramma, handvatten om hun ketens te verduurzamen. Dit zou hen bovendien kunnen helpen om aan (toekomstige) Europese wetgeving met een due diligence component, met name CSDDD, te voldoen. Vanwege de naamsverandering is het niet mogelijk om het SSF te wijzigen, maar moet het subsidiebeleidskader opnieuw worden vastgesteld en gepubliceerd onder de nieuwe naam. Voor de werking van en beschikbare middelen voor het programma heeft deze aanpassing geen gevolgen.

2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

4. Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen

4.1. Doelen

4.1.1. Hoofddoel en thema’s

Het subsidieprogramma heeft als doel om sociale duurzaamheid in internationale waardeketens te bevorderen met als focus de volgende drie sociale thema’s: verbetering van arbeidsomstandigheden, verbetering van lonen en inkomens van arbeiders of kleine toeleveranciers en bestrijding van kinderarbeid. Het gaat hierbij om sociale verbeteringen bij toeleveranciers in de keten van een onderneming, niet zijnde eigen lokale vestigingen, dochterorganisaties of eigen productiefaciliteiten, in een productieland.

Verantwoord ondernemen hangt nauw samen met goede arbeidsomstandigheden. Onder deze zogeheten basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) vallen onder andere een fatsoenlijke salarisniveau, geen kinderarbeid of gedwongen arbeid, geen geweld op de werkvloer, geen discriminatie tussen werknemers, vrijheid van vakvereniging en een veilige en gezonde werkomgeving11ILO Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work. De normen worden internationaal gebruikt omdat ze zijn opgesteld in samenwerking met overheden, werkgevers en werknemers. Echter, niet altijd worden nationale wetten even zorgvuldig nageleefd of gehandhaafd. Dit geldt met name voor opkomende markten. Ook kan lokale wetgeving soms wat minder ver gaan dan deze ILO-normen.

Een leefbaar loon is de beloning die een werknemer voor een standaard werkweek ontvangt en die voldoende is om de werknemer en haar of zijn gezin een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. Een leefbaar inkomen verwijst naar het inkomen dat een zelfstandige, bijvoorbeeld een koffie- of cacaoboer, uit de uitvoering van zijn kernactiviteiten kan halen.

Elementen van een fatsoenlijke levensstandaard zijn onder meer: voedsel, water, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, vervoer, kleding en andere essentiële behoeften, waaronder voorzieningen voor onverwachte gebeurtenissen (spaargeld). Hoeveel een leefbaar loon is, verschilt per land. Dat komt doordat er grote economische verschillen bestaan tussen landen onderling. Maar ook bínnen een land zijn er verschillen, bijvoorbeeld tussen stedelijke en landelijke gebieden.

Een leefbaar loon is niet hetzelfde als een minimumloon. Een minimumloon is de minimale beloning die een werknemer wettelijk moet ontvangen voor het werk dat hij doet. In veel productielanden is het minimumloon onvoldoende voor een fatsoenlijke levensstandaard.

De 17 Sustainable Development Goals (SDGs) van de Verenigde Naties moeten een eind maken aan armoede, ongelijkheid en klimaatverandering in 2030. Een van deze doelen, SDG 8, gaat specifiek over het uitbannen van kinderarbeid en stelt dat landen actie moeten ondernemen op het tegengaan van moderne slavernij, mensenhandel en gedwongen arbeid, inclusief kinderarbeid en kindsoldaten. En dat in 2025 er definitief een einde moet komen aan alle vormen van kinderarbeid.

Hoewel kinderarbeid sinds het begin van deze eeuw met 30% is afgenomen, werken er volgens het ILO nog steeds wereldwijd 160 miljoen kinderen op het land, in fabrieken, in de mijnen, in steengroeven, naaiateliers of in de huishouding. Terwijl deze kinderen recht hebben op goed onderwijs, om te spelen en om kind te zijn.

Er is een grote verwevenheid tussen de drie sociale thema’s. Een te laag loon of inkomen, en in veel gevallen onderbetaling van vrouwen, is vaak een oorzaak van kinderarbeid. Terwijl bijvoorbeeld het ontbreken van een deugdelijke arbeidswetgeving of slecht nageleefde wetgeving weer ontoereikende lonen, gedwongen arbeid of kinderarbeid in de hand werkt. Dit betekent dat als ondernemingen sociale risico’s of misstanden in hun keten willen aanpakken, ze vaak meerdere thema’s in samenhang moeten bekijken. Ook problemen in het leefmilieu, zoals ontbossing, gevolgen van klimaatverandering, teruglopende biodiversiteit of milieuvervuiling, kunnen oorzaak zijn van een laag inkomen van kleine producenten. Dergelijke problemen kunnen door middel van vergroeningsmaatregelen onder het subsidieprogramma worden aangepakt als deze maatregelen bijdragen aan verbetering op de sociale thema’s. Vergroening kan bijvoorbeeld bijdragen aan veiligere arbeidsomstandigheden door minder gebruik van pesticiden. Een ander voorbeeld is zuiniger omgaan met grondstoffen, dit kan kostenbesparing opleveren, wat kan bijdragen aan leefbaar loon/inkomen.

Voor een duurzame impact in internationale waardeketens is het ook van belang dat ondernemingen hun eigen handelen onderzoeken en nagaan op welke wijze zij direct of indirect bijdragen aan de risico’s of misstanden. Dit wordt ook wel gepaste zorgvuldigheid of in het Engels due diligence genoemd. Door het toepassen en verbeteren van due diligence, bijvoorbeeld door te letten op goede afspraken over levertermijnen of eerlijke prijzen, dragen ondernemingen bij aan verduurzaming van hun keten. Met het subsidieprogramma wordt dus eveneens beoogd ondernemingen te stimuleren om duurzaamheids- en inkoopstrategieën meer te integreren in hun bedrijfsprocessen.

4.1.2. Verbetering voor en samenwerking met lokale organisaties in de keten

Bij bevordering van sociale duurzaamheid in internationale waardeketens gaat het specifiek om het verbeteren van de positie en productieomstandigheden van lokale producenten en toeleveranciers in deze ketens zodat deze aan de eisen van (toekomstige) IMVO-wetgeving kunnen voldoen en niet uitgesloten worden van de markt. Benodigde stappen hiervoor zijn onder andere het verhogen van het inkomen van (kleine) producenten of loon van werknemers tot een leefbaar inkomen of leefbaar loon, het bestrijden van kinderarbeid en het verbeteren van algehele arbeidsomstandigheden bij de productie. Vergroening kan bijdragen aan de verbetering van het fysieke leefmilieu van producenten en hun gemeenschappen door middel van het tegengaan van ontbossing, het verbeteren van de biodiversiteit of het aanpakken van milieuvervuiling. Vergroeningsmaatregelen dienen altijd bij te dragen aan de in paragraaf 4.1.1 (hoofddoel en thema’s) opgenomen sociale thema’s. Bijvoorbeeld omdat een vergroeningsmaatregel bijdraagt aan een hoger inkomen of betere arbeidsomstandigheden, zoals in het geval van regeneratieve landbouw.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.