Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 19 juli 2024, nr.BZ2403369, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het bevorderen van sociale duurzaamheid in internationale productieketens, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend vanaf 20 augustus 2024 tot en met 7 oktober 2024, 15.00 uur Nederlandse tijd.
Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord ondernemen geldt, voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027, een totaal subsidieplafond van € 4.249.144, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:
- a. € 3.186.858 voor aanvragen waarbij alleen mkb-ondernemingen2Het gaat hierbij om een onderneming behorende tot de bedrijfssector als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003, Pb 2003 L 124/36, betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, uitgezonderd lokale ondernemingen in het doelland, onderdeel zijn van het samenwerkingsverband, en die niet eerder op grond van dit subsidieprogramma of op grond van het subsidieprogramma Social Sustainability Fund een subsidie hebben ontvangen;
- b. € 1.062.286 voor andere aanvragen.
Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder b.
Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder a.
Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de daaropvolgende openstelling.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.
Artikel 4
Het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 september 2023, Min-BuZa.2023.19898-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006(Subsidieprogramma Social Sustainability) en het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 5 februari 2024, MINBUZA-2024.20415-7, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 september 2023, Min-BuZa.2023.19898-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Social Sustainability) worden ingetrokken, met dien verstande dat deze besluiten zoals deze luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing blijven op reeds voor die dag ingediende aanvragen en verleende subsidies.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang 1 januari 2028 met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
1. Achtergrond
In veel internationale waardeketens vindt nog onverantwoorde productie plaats. Zo ontvangen werknemers geen leefbaar loon of worden er kinderen ingezet bij de productie. Ook kunnen werknemers bloot gesteld worden aan gevaarlijke werkomstandigheden. Vaak is er, in samenhang, ook sprake van risico’s voor het leefmilieu of het behoud van biodiversiteit. Nederlandse ondernemingen zijn zich niet altijd bewust van de risico's voor mensenrechten en milieu in hun waardeketen, met name dieper in de keten ('upstream'), hebben weinig zicht of invloed op de verschillende schakels in hun keten voorbij de eerste toeleverancier(s), en/of weten niet hoe ze de problemen aan kunnen pakken en wat daarin precies van hun verwacht wordt in het kader van IMVO-richtlijnen.
IMVO-richtlijnen
Er bestaan verschillende richtlijnen, zoals de OESO-richtlijnen4www.oesorichtlijnen.nl guidingprinciplesbusinesshr_en.pdf (ohchr.org) of de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, die ondernemingen stimuleren om verantwoord te ondernemen. Daarnaast komt de EU met wetgeving waarin normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn opgenomen. Zo is de Corporate Sustainability Due Diligence (CSDDD5De CSDDD verplicht grote ondernemingen om risico's voor mensenrechten en milieu in hun keten in kaart te brengen en waar nodig aan te pakken, via een proces van due diligence dat grotendeels in lijn is met de de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Zie ook Richtlijn - EU - 2024/1760 - EN - EUR-Lex (europa.eu)) op 25 juli 2024 in werking getreden. Lidstaten hebben tot 26 juli 2027 de tijd om deze richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. Ook andere Europese wetgeving heeft betrekking op due diligence, zoals de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de EU Regulation on Deforestation-free products (EUDR). Daarnaast bestaat er wetgeving op gebied van dwangarbeid (Forced Labour Regulation, FLR), conflictmineralen en batterijen. Door deze wetten heeft een grotere groep ondernemingen dan voorheen te maken met vereisten om hun keten te verduurzamen.
Sociale verduurzaming en vergroening
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp wil met het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen (hierna subsidieprogramma) sociale verduurzaming en vergroening van productieketens in ontwikkelingslanden stimuleren. Sociale duurzaamheid heeft betrekking op het welzijn van mensen en omvat het respecteren van mensenrechten, eerlijke arbeidspraktijken, goede levensomstandigheden, gezondheid, veiligheid, diversiteit, gelijkheid, empowerment en maatschappelijke betrokkenheid. Het subsidieprogramma beoogt sociale duurzaamheid in internationale productieketens te vergroten door bedrijven te stimuleren sociale risico’s in hun productieketen te identificeren en negatieve effecten van ondernemingen op mensen te voorkomen of mitigeren. Vergroening heeft betrekking op het zuiniger omgaan met natuurlijke hulpbronnen en het behoud van biodiversiteit en het leefmilieu. Ondernemingen hebben vaak direct of indirect invloed op het fysieke leefmilieu van lokale gemeenschappen. Het subsidieprogramma beoogt eveneens ondernemingen te stimuleren maatregelen te nemen ter vergroening om daarmee het welzijn van lokale gemeenschappen te verbeteren.
Onderverdeling totaal subsidieplafond
Het totale subsidieplafond wordt onderverdeeld in een subsidieplafond voor aanvragen vanuit MKB-ondernemingen en een subsidieplafond voor ander aanvragen. Door deze onderverdeling wordt met name het midden- en kleinbedrijf ondersteund bij verduurzaming van de keten. Het midden- en kleinbedrijf beschikt namelijk over het algemeen over minder middelen en personeel om daarin zelf te voorzien. Daarnaast kunnen zoveel mogelijk ondernemingen gebruik maken van dit subsidieprogramma, doordat mkb-ondernemingen die niet eerder een subsidie op grond van dit subsidieprogramma hebben ontvangen onder het eerste hogere subsidieplafond vallen.
Naamsverandering van het programma
De derde openstelling onder het Social Sustainability Fund zou de eerste zijn na aanname, op EU-niveau, van brede IMVO due dilligence wetgeving oftewel de Corporate Sustainability Due Dilligence Directive (CSDDD). Deze wetgeving draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemingen op de Europese interne markt. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt om over te gaan tot een naamsverandering van ‘Social Sustainability Fund (SSF)’ in ‘Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen’ (SPVO).
Het doel hiervan is om in deze nieuwe naam beter tot uitdrukking te laten komen dat het hierbij gaat om ondersteuning van het Nederlands bedrijfsleven, in partnerschap met hun toeleveranciers in productielanden en stakeholders (zoals vakbonden), bij het op verantwoorde wijze versterken van hun ondernemen. In aanvulling op het IMVO-instrumentarium (o.a. Sectorale Samenwerking en IMVO-steunpunt) gaat het hierbij om een programma dat Nederlandse bedrijven, samen met hun toeleveranciers in productielanden, helpt specifieke risico’s en de aanpak daarvan, dieper in hun keten (‘upstream’, in productielanden, bij die toeleverancier), te identificeren en zo nodig en mogelijk aan te pakken.
De kennis die hieruit voortkomt wordt gedeeld met andere bedrijven en stakeholders, ook in EU-verband. Op deze manier kunnen ondernemers van elkaar leren en krijgen ook ondernemers die niet meedoen aan het subsidieprogramma, handvatten om hun ketens te verduurzamen. Dit zou hen bovendien kunnen helpen om aan (toekomstige) Europese wetgeving met een due diligence component, met name CSDDD, te voldoen. Vanwege de naamsverandering is het niet mogelijk om het SSF te wijzigen, maar moet het subsidiebeleidskader opnieuw worden vastgesteld en gepubliceerd onder de nieuwe naam. Voor de werking van en beschikbare middelen voor het programma heeft deze aanpassing geen gevolgen.
2. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen
4.1. Doelen
4.1.1. Hoofddoel en thema’s
Het subsidieprogramma heeft als doel om sociale duurzaamheid in internationale waardeketens te bevorderen met als focus de volgende drie sociale thema’s: verbetering van arbeidsomstandigheden, verbetering van lonen en inkomens van arbeiders of kleine toeleveranciers en bestrijding van kinderarbeid. Het gaat hierbij om sociale verbeteringen bij toeleveranciers in de keten van een onderneming, niet zijnde eigen lokale vestigingen, dochterorganisaties of eigen productiefaciliteiten, in een productieland.
Verantwoord ondernemen hangt nauw samen met goede arbeidsomstandigheden. Onder deze zogeheten basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) vallen onder andere een fatsoenlijke salarisniveau, geen kinderarbeid of gedwongen arbeid, geen geweld op de werkvloer, geen discriminatie tussen werknemers, vrijheid van vakvereniging en een veilige en gezonde werkomgeving11ILO Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work. De normen worden internationaal gebruikt omdat ze zijn opgesteld in samenwerking met overheden, werkgevers en werknemers. Echter, niet altijd worden nationale wetten even zorgvuldig nageleefd of gehandhaafd. Dit geldt met name voor opkomende markten. Ook kan lokale wetgeving soms wat minder ver gaan dan deze ILO-normen.
Een leefbaar loon is de beloning die een werknemer voor een standaard werkweek ontvangt en die voldoende is om de werknemer en haar of zijn gezin een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. Een leefbaar inkomen verwijst naar het inkomen dat een zelfstandige, bijvoorbeeld een koffie- of cacaoboer, uit de uitvoering van zijn kernactiviteiten kan halen.
Elementen van een fatsoenlijke levensstandaard zijn onder meer: voedsel, water, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, vervoer, kleding en andere essentiële behoeften, waaronder voorzieningen voor onverwachte gebeurtenissen (spaargeld). Hoeveel een leefbaar loon is, verschilt per land. Dat komt doordat er grote economische verschillen bestaan tussen landen onderling. Maar ook bínnen een land zijn er verschillen, bijvoorbeeld tussen stedelijke en landelijke gebieden.
Een leefbaar loon is niet hetzelfde als een minimumloon. Een minimumloon is de minimale beloning die een werknemer wettelijk moet ontvangen voor het werk dat hij doet. In veel productielanden is het minimumloon onvoldoende voor een fatsoenlijke levensstandaard.
De 17 Sustainable Development Goals (SDGs) van de Verenigde Naties moeten een eind maken aan armoede, ongelijkheid en klimaatverandering in 2030. Een van deze doelen, SDG 8, gaat specifiek over het uitbannen van kinderarbeid en stelt dat landen actie moeten ondernemen op het tegengaan van moderne slavernij, mensenhandel en gedwongen arbeid, inclusief kinderarbeid en kindsoldaten. En dat in 2025 er definitief een einde moet komen aan alle vormen van kinderarbeid.
Hoewel kinderarbeid sinds het begin van deze eeuw met 30% is afgenomen, werken er volgens het ILO nog steeds wereldwijd 160 miljoen kinderen op het land, in fabrieken, in de mijnen, in steengroeven, naaiateliers of in de huishouding. Terwijl deze kinderen recht hebben op goed onderwijs, om te spelen en om kind te zijn.
Er is een grote verwevenheid tussen de drie sociale thema’s. Een te laag loon of inkomen, en in veel gevallen onderbetaling van vrouwen, is vaak een oorzaak van kinderarbeid. Terwijl bijvoorbeeld het ontbreken van een deugdelijke arbeidswetgeving of slecht nageleefde wetgeving weer ontoereikende lonen, gedwongen arbeid of kinderarbeid in de hand werkt. Dit betekent dat als ondernemingen sociale risico’s of misstanden in hun keten willen aanpakken, ze vaak meerdere thema’s in samenhang moeten bekijken. Ook problemen in het leefmilieu, zoals ontbossing, gevolgen van klimaatverandering, teruglopende biodiversiteit of milieuvervuiling, kunnen oorzaak zijn van een laag inkomen van kleine producenten. Dergelijke problemen kunnen door middel van vergroeningsmaatregelen onder het subsidieprogramma worden aangepakt als deze maatregelen bijdragen aan verbetering op de sociale thema’s. Vergroening kan bijvoorbeeld bijdragen aan veiligere arbeidsomstandigheden door minder gebruik van pesticiden. Een ander voorbeeld is zuiniger omgaan met grondstoffen, dit kan kostenbesparing opleveren, wat kan bijdragen aan leefbaar loon/inkomen.
Voor een duurzame impact in internationale waardeketens is het ook van belang dat ondernemingen hun eigen handelen onderzoeken en nagaan op welke wijze zij direct of indirect bijdragen aan de risico’s of misstanden. Dit wordt ook wel gepaste zorgvuldigheid of in het Engels due diligence genoemd. Door het toepassen en verbeteren van due diligence, bijvoorbeeld door te letten op goede afspraken over levertermijnen of eerlijke prijzen, dragen ondernemingen bij aan verduurzaming van hun keten. Met het subsidieprogramma wordt dus eveneens beoogd ondernemingen te stimuleren om duurzaamheids- en inkoopstrategieën meer te integreren in hun bedrijfsprocessen.
4.1.2. Verbetering voor en samenwerking met lokale organisaties in de keten
Bij bevordering van sociale duurzaamheid in internationale waardeketens gaat het specifiek om het verbeteren van de positie en productieomstandigheden van lokale producenten en toeleveranciers in deze ketens zodat deze aan de eisen van (toekomstige) IMVO-wetgeving kunnen voldoen en niet uitgesloten worden van de markt. Benodigde stappen hiervoor zijn onder andere het verhogen van het inkomen van (kleine) producenten of loon van werknemers tot een leefbaar inkomen of leefbaar loon, het bestrijden van kinderarbeid en het verbeteren van algehele arbeidsomstandigheden bij de productie. Vergroening kan bijdragen aan de verbetering van het fysieke leefmilieu van producenten en hun gemeenschappen door middel van het tegengaan van ontbossing, het verbeteren van de biodiversiteit of het aanpakken van milieuvervuiling. Vergroeningsmaatregelen dienen altijd bij te dragen aan de in paragraaf 4.1.1 (hoofddoel en thema’s) opgenomen sociale thema’s. Bijvoorbeeld omdat een vergroeningsmaatregel bijdraagt aan een hoger inkomen of betere arbeidsomstandigheden, zoals in het geval van regeneratieve landbouw.
Met het subsidieprogramma worden ondernemingen gestimuleerd om negatieve sociale impact in hun keten te voorkomen, stoppen of mitigeren door het nemen van gepaste maatregelen conform de aanbevelingen in de OECD Due Diligence guidelines. Samenwerking in de keten en dialoog tussen de handelspartners staan hierbij centraal. Sociale duurzaamheid vereisen samenwerking op de lange termijn, waarbij lokale producenten, ook verder in de keten voorbij de eerste toeleverancier, actief bij de verduurzaming worden betrokken en in staat worden gesteld om op de sociale thema’s van het subsidieprogramma verbeteringen door te voeren. Daarmee is er aandacht voor het lokale perspectief en voor capaciteitsopbouw van lokale organisaties, evenals het bevorderen van gendergelijkheid.
Essentieel daarnaast is dat kosten en baten voor een duurzame business case ‘eerlijk’ over de keten worden verdeeld.
4.1.3. Leren en delen
Door middel van het subsidieprogramma worden innovatieve aanpakken ter verduurzaming ondersteund. Deze zogenaamde pilot projecten zijn nieuw voor de betrokken ondernemingen, sector of land. De achterliggende doelstelling hierbij is dat ondernemingen met deze pilots een aanpak kunnen uitproberen en kunnen opschalen als deze succesvol blijkt. Daarnaast kan er geleerd worden van de ervaringen binnen deze pilots. Via een kennis- en leeragenda zullen kennis en ervaringen opgedaan in de projecten verder worden verspreid, zodat een bredere groep ondernemingen en andere stakeholders in Nederland en de productielanden handelingsperspectieven aangereikt krijgen om hun keten(s) te verduurzamen.
4.2. Begunstigden
Lokale producenten zien zich in toenemende mate geconfronteerd met duurzaamheidseisen vanuit hun afnemers waar zij vaak niet eenvoudig aan kunnen voldoen. De inzet van het subsidieprogramma is om deze lokale producenten in staat te stellen samen met hun internationale ketenpartners sociale duurzaamheidsproblemen te identificeren en aan te pakken en positieve impact te genereren voor de begunstigden van het subsidieprogramma. Het gaat voor wat betreft het verbeteren van arbeidsomstandigheden en lonen en inkomens om lokale toeleveranciers en producenten, waaronder coöperaties en kleine boeren, alsmede lokale ondernemingen en hun werknemers. Voor wat betreft de bestrijding van kinderarbeid, zijn de begunstigden kinderen in kinderarbeid en hun families. De aanpak van kinderarbeid dient erop gericht te zijn om kinderen uit het arbeidsproces te halen, hen alternatieven te bieden en de positie van hun families te verbeteren.
Lokale producenten zien zich in toenemende mate geconfronteerd met duurzaamheidseisen vanuit hun afnemers waar zij vaak niet eenvoudig aan kunnen voldoen. De inzet van het subsidieprogramma is om deze lokale producenten in staat te stellen samen met hun internationale ketenpartners sociale duurzaamheidsproblemen te identificeren en aan te pakken en positieve impact te genereren voor de begunstigden van het subsidieprogramma. Het gaat voor wat betreft het verbeteren van arbeidsomstandigheden en lonen en inkomens om lokale toeleveranciers en producenten, waaronder coöperaties en kleine boeren, alsmede lokale ondernemingen en hun werknemers en mogelijk de lokale gemeenschap. Voor wat betreft de bestrijding van kinderarbeid, zijn de begunstigden kinderen in kinderarbeid en hun families. De aanpak van kinderarbeid dient erop gericht te zijn om kinderen uit het arbeidsproces te halen, hen alternatieven te bieden en de positie van hun families te verbeteren.
Het subsidieprogramma richt zich met name op samenwerkingsverbanden van lokale en internationale ondernemingen in de zogeheten risicosectoren, zoals landbouw (primaire productie of verwerking), kleding en textiel, mijnbouw (mineralen, natuursteen), of eventueel andere sectoren als kan worden onderbouwd dat er in die sector significante sociale risico’s spelen.
4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder subsidie voor een project aanvraagt.
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder subsidie voor een project aanvraagt.
Het samenwerkingsverband moet bestaan uit in elk geval:
De rol van penvoerder wordt vervuld door een onderneming die deel uitmaakt van de desbetreffende keten of een maatschappelijke organisatie, in beide gevallen met:
4.4. Adviestraject
Als een penvoerder overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Tijdens het quick scan gesprek worden de bevindingen besproken van de door de aanvrager reeds uitgevoerde risicoanalyse of lokaal impactonderzoek. Dus alvorens een quick scan in te dienen moet er een risicoanalyse naar de sociale risico’s in de keten hebben plaatsgevonden.
Als een penvoerder overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Tijdens het quick scan gesprek worden de bevindingen besproken van de door de aanvrager reeds uitgevoerde risicoanalyse of lokaal impactonderzoek. Dus alvorens een quick scan in te dienen moet er een risicoanalyse naar de sociale risico’s in de keten hebben plaatsgevonden.
Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het staat vrij om na het advies wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de penvoerder vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de penvoerder om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.
4.5. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op sociale verduurzaming van de waardeketen(s) in één of meer doellanden. Tevens dienen de projectactiviteiten gericht te zijn op of verbonden te zijn met een reeds bestaande productieketen van de partners in het samenwerkingsverband. Hierbij geldt dat de activiteiten niet gericht mogen zijn op het eigen personeel van de lokale vestigingen en dochterorganisaties, waaronder eigen productiefaciliteiten, van de partners van het samenwerkingsverband met een statutaire zetel in Nederland of partners met een statutaire zetel in het buitenland en een vestiging of vaste inrichting in Nederland.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op sociale verduurzaming en vergroening van de waardeketen(s) in één of meer doellanden. Tevens dienen de projectactiviteiten gericht te zijn op of verbonden te zijn met een reeds bestaande productieketen van de partners in het samenwerkingsverband. Hierbij geldt dat de activiteiten niet gericht mogen zijn op het eigen personeel van de lokale vestigingen en dochterorganisaties, waaronder eigen productiefaciliteiten, van de partners van het samenwerkingsverband met een statutaire zetel in Nederland of partners met een statutaire zetel in het buitenland en een vestiging of vaste inrichting in Nederland.
Met het subsidieprogramma worden ondernemingen in dezelfde keten gestimuleerd om een duurzame en verantwoorde bedrijfsvoering na te streven, door:
Bovenstaande elementen moeten terugkomen in de verschillende fases van de projecten, en leiden tot sociale verduurzaming en vergroening van de desbetreffende waardeketen en positieve impact voor de betrokken toeleveranciers en producenten.
Om voor subsidie in aanmerking te komen moet de aanvraag betrekking hebben op een project bestaande uit een fase A, zijnde lokaal impactonderzoek en opstellen actieplan en een fase B, zijnde implementatie actieplan. Fase A en B worden hierna verder toegelicht.
Fase A bestaat uit de volgende drie onderdelen:
Dit betreft een verdiepend onderzoek op locatie naar sociale risico’s en misstanden in de desbetreffende waardeketen.13Er wordt vanuit gegaan dat voordat met het impactonderzoek wordt gestart er al een risicoanalyse is uitgevoerd; deze moet met de aanvraag worden ingediend (zie ook paragraaf 6 (aanvraag)). De scope van het onderzoek kan variëren afhankelijk van de situatie: dit kan bijvoorbeeld een fabriek zijn, communities van toeleveranciers, een gebied of regio. Aangezien arbeidsomstandigheden, de hoogte van lonen en inkomen en kinderarbeid nauw samenhangen dient het impactonderzoek deze samenhang te onderzoeken en zich niet uitsluitend op één van de sociale thema’s van het subsidieprogramma te richten. Daarnaast richt het onderzoek zich op de relatie die de betrokken ondernemingen hebben tot de risico’s of misstanden en op de functionaliteit van hun due diligence systemen.
Afhankelijk van de reeds beschikbare onderzoeksdata bestaat het voorgestelde impactonderzoek al dan niet uit de volgende onderdelen:
Het lokale impactonderzoek moet het volgende opleveren:
Dit betreft een due diligence training waarin de verschillende relevante afdelingen binnen de betrokken ondernemingen hun IMVO-beleid en handelspraktijken onder de loep nemen en verbeterpunten signaleren ten aanzien van bijvoorbeeld inkoopvoorwaarden, prijsbepalingsmechanismen, prestatie indicatoren, salarisniveaus, kwaliteitscriteria, levercriteria, of genderbeleid.
Dit betreft de fase waarin de partners de bevindingen uit het lokale impactonderzoek en uit de due diligence gap-analyse en de due diligence training onderling bespreken, met als doel om te komen tot een visie voor sociale verduurzaming en vergroening van de keten en een concreet plan voor preventie en mitigatie van gevonden sociale risico’s en misstanden, inclusief verbetering van due diligence.
Op basis van de lokale bevindingen en de oorzaken van gevonden sociale risico’s en issues bepalen de partners welke maatregelen binnen de invloedssfeer van de ondernemingen genomen kunnen worden op locatie ter preventie en mitigatie van kinderarbeid en/of voor de verbetering van arbeidsomstandigheden en/of ten aanzien van het toewerken naar leefbare inkomens/lonen van toeleveranciers en werknemers. Eveneens formuleren ze acties voor structurele verankering van due diligence maatregelen in de betrokken onderneming(en), zoals verbeterde monitoring, training van werknemers of toeleveranciers of integratie van duurzaamheidsaspecten in inkoop. Vervolgens bepalen ze welke capaciteit hiervoor al aanwezig is en op welk vlak capaciteit bij de betrokken ondernemingen of toeleveranciers in de keten nog versterkt moet worden.
Het actieplan bevat concrete maatregelen en activiteiten voor de korte termijn (binnen het project) en acties voor bestendiging van de maatregelen voor na de projectperiode. De relevantie van de activiteiten opgenomen in het actieplan worden ook lokaal gevalideerd bij de ketenpartners en de begunstigden.
Fase A wordt afgesloten met een projectplan voor fase B waarin de activiteiten opgenomen in het actieplan worden uitgevoerd. Onderdeel van dit projectplan zijn ook een verandertheorie (‘theory of change’) als onderbouwing van het actieplan, en een activiteitenoverzicht (in de vorm van een result sheet waarvoor een model ter beschikking wordt gesteld). Pas na goedkeuring van het projectplan voor fase B worden de begrote kosten voor de activiteiten voor fase B daadwerkelijk subsidiabel. Dit is het zogenoemde ‘go/no-go’ moment.
In deze fase gaan de partners de activiteiten in het actieplan uitvoeren. Bij de implementatie worden waar nodig externe stakeholders betrokken zoals lokale vakbonden, maatschappelijke organisaties en overheden, voor het creëren van draagvlak en lokaal eigenaarschap en om te zorgen dat maatregelen in de lokale context worden verankerd.
4.6. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden in maximaal 3 jaar uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk 3 maanden na subsidieverlening van start moet gaan.
4.7. Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000.
De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000.
5. Subsidiabele kosten
5. Subsidiabele kosten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners van het samenwerkingsverband zelf te maken kosten:
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6. Aanvraag
6. Aanvraag
Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (adviestraject).
Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (adviestraject).
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO16https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf.
De aanvraag bevat in ieder geval:
6.2. Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. De kans dat de aanvraag dan moet worden afgewezen in verband met uitputting van de beschikbare subsidiemiddelen neemt in dit geval wel toe.
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. De kans dat de aanvraag dan moet worden afgewezen in verband met uitputting van de beschikbare subsidiemiddelen neemt in dit geval wel toe.
Daarnaast geldt ook dat hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot afwijzing van de subsidieaanvraag.
Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.
De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Indien blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van binnenkomst.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria. Aan alle criteria moet eveneens in voldoende mate worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of indien het beschikbare subsidiebudget ontoereikend is.
9. Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid. Dit kan ook een projectbezoek inhouden.
10. Verplichtingen
Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen hebben onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten en op verplichtingen over verantwoordingsrapportages, zoals inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages in het kader van de International Aid Transparency Initiative (IATI)19https://projects.rvo.nl/iati-portals/.
Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen hebben onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten en op verplichtingen over verantwoordingsrapportages, zoals inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages in het kader van de International Aid Transparency Initiative (IATI)19https://projects.rvo.nl/iati-portals/.
11. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,6% bedraagt.
Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt3https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf.
Door middel van het subsidieprogramma worden ondernemingen aangespoord om naast hun individuele inspanningen ook de samenwerking op te zoeken in hun sector via IMVO-sectorovereenkomsten of multistakeholder initiatieven. Dit geeft de mogelijkheid om samen met andere ondernemingen en organisaties risico’s te identificeren en aan te pakken, individuele lasten te verlagen, te leren van elkaar en samen invloed uit te oefenen. Van ondernemingen wordt dan ook verwacht dat ze hun kennis en ervaring opgedaan in de projecten onder dit subsidieprogramma actief delen met andere ondernemingen in de sector, via MVO-sectorovereenkomsten of soortgelijke initiatieven voor verduurzaming.
4.2. Begunstigden
De productie of toelevering van de producten of diensten vinden plaats in een of meerdere doellanden, terwijl de markt voor deze producten zowel in Nederland, Europa, als lokaal in het land van productie kan zijn.
4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
De partners van het samenwerkingsverband moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.4. Adviestraject
Aangezien met de verwerking van een ingediende quick scan twee weken is gemoeid en met het gekregen advies na de quick scan het projectplan aangepast moet kunnen worden, kunnen quick scans niet later worden ingediend dan vier weken voor sluiting van de aanvraagtermijn van een openstelling.
4.5. Subsidiabele activiteiten
Aan het einde van de implementatiefase dienen de activiteiten in het actieplan te zijn uitgevoerd. Als onderdeel van de verplichte eindrapportage14Onderdeel van de rapportageverplichtingen die in de subsidieverleningsbeschikking aan de subsidie zullen worden verbonden. zal duidelijk moeten worden uitgewerkt hoe de onderneming(en) de maatregelen op de langere termijn gaan uitvoeren, en hoe de inzichten en ervaringen uit het project hierin zijn verwerkt.
4.6. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden in maximaal 4 jaar uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk 3 maanden na subsidieverlening van start moet gaan.
4.7. Omvang van de subsidie
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de partners van het samenwerkingsverband zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Deze mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners van het samenwerkingsverband zelf te maken kosten:
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6.1. Vereisten
Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen17www.oesorichtlijnen.nl. Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten zoals opgenomen in 02 tot en met 08 uit te voeren18www.fmo.nl/exclusion-list. De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO.
6.2. Herstelperiode
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
De volgende criteria zijn van toepassing:
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of indien het beschikbare subsidiebudget ontoereikend is.
9. Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid. Dit kan ook een projectbezoek inhouden.
10. Verplichtingen
In de beschikking zal in ieder geval een meldingsplicht worden opgenomen. De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren.
11. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,6% bedraagt.
Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt3https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)