Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 28 augustus 2024, nr. WJZ/ 26374198, tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het verplaatsen van veehouderijen met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 3. Bedrijfsverplaatsing

Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 3.2. Subsidiabele activiteiten

De minister kan een veehouderijonderneming op aanvraag subsidie verstrekken voor:

Artikel 3.3. Vereisten hervestigingslocatie
1.

De aanvrager vangt binnen vierentwintig maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de veehouderijonderneming aan op een door hem gekozen hervestigingslocatie.

2.

De termijn, genoemd in het eerste lid, kan op verzoek van de aanvrager eenmalig met zes maanden worden verlengd, indien aannemelijk is dat de aanvrager niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn de veehouderijonderneming kan aanvangen op de hervestigingslocatie.

3.

Van aanvangen van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie is sprake als:

4.

De hervestigingslocatie voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

5.

Indien de hervestigingslocatie zich bevindt buiten het grondgebied van de lidstaat Nederland, zijn het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, onderdeel c, niet van toepassing.

Artikel 3.4. Vereisten te verlaten veehouderijlocatie
1.

Er is sprake van een verplaatsing van een veehouderijonderneming als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, indien de veehouderijonderneming aanvangt als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, op een hervestigingslocatie, waarbij de te verlaten veehouderijlocatie wordt gesloten.

2.

Van een sluiting van de te verlaten veehouderijlocatie is sprake:

3.

De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het tweede lid, onderdeel h, voor zover de veehouder de bouwwerken langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor de veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet binnen twaalf maanden na aanvang op de hervestigingslocatie met dat gebruik heeft ingestemd.

Artikel 3.5. Subsidieplafond
1.

Het subsidieplafond voor hoofdstuk 3 bedraagt € 90.000.000.

2.

Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond toegevoegd voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3.2.

Artikel 3.6. Subsidiecomponenten
1.

De subsidie omvat:

2.

De subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten minste € 25.000 per aanvraag.

Artikel 3.7. Bijdrage demonteer-, verhuis-, en opbouwkosten
1.

De in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde bijdrage bedraagt 100 procent van de werkelijke kosten:

2.

Onder de kosten voor het opbouwen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mede verstaan de kosten voor de aanleg of vervanging van voor de te verhuizen bouwwerken benodigde onderdelen die niet, of niet zonder schade van betekenis, kunnen worden verwijderd van de te verlaten veehouderijlocatie.

3.

Onder de kosten voor het verhuizen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt mede verstaan de kosten voor de opslag en stalling van bouwwerken, voorzieningen, tractoren, landbouwwerktuigen of landbouwhuisdieren, voor de maximale duur van 31 dagen, totdat zij kunnen worden verhuisd naar, en in gebruik kunnen worden genomen op, de hervestigingslocatie.

Artikel 3.8. Bijdrage overnemen bestaande bouwwerken en vervangen bouwwerken op de hervestigingslocatie
1.

De in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d, bedoelde bijdrage voor het overnemen van bestaande bouwwerken op de hervestigingslocatie en het vervangen van bouwwerken op de hervestigingslocatie wordt bepaald door de som van:

tot maximaal de vervangingswaarde van de op de te verlaten veehouderijlocatie aanwezige bouwwerken die in eigendom zijn van de subsidieontvanger.

2.

Indien de subsidieontvanger op grond van artikel 3.4, derde lid, een ontheffing heeft gekregen voor het afbreken en verwijderen van een bouwwerk, wordt de vervangingswaarde van het betreffende bouwwerk niet meegenomen in het bepalen van de hoogte van de vervangingswaarde van de op de te verlaten veehouderijlocatie aanwezige bouwwerken, bedoeld in het eerste lid.

3.

De in het eerste lid bedoelde bijdrage voor het overnemen of vervangen van bouwwerken op de hervestigingslocatie heeft alleen betrekking op de productiecapaciteit van deze bouwwerken tot maximaal 100 procent van de productiecapaciteit van de op de te verlaten veehouderijlocatie aanwezige bouwwerken.

4.

Een bijdrage voor vervanging van een bestaand bouwwerk op de hervestigingslocatie wordt alleen verleend voor een bouwwerk dat voor meer dan de helft is afgeschreven ten tijde van het indienen van de subsidieaanvraag.

5.

Voor het bepalen van de mate van afschrijving, bedoeld in het vierde lid, wordt gebruik gemaakt van de op het moment van indienen van de subsidieaanvraag meest actuele publicatie van het handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij.

6.

Onder de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde proceskosten wordt verstaan:

7.

Indien een subsidieontvanger op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor subsidie voor de overname of vervanging van bouwwerken, komt de subsidieontvanger niet in aanmerking voor subsidie voor het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bouwwerken, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a, b en c.

8.

Een door een taxateur opgesteld taxatierapport van de in het eerste lid bedoelde marktwaarde van de op de hervestigingslocatie aanwezige bouwwerken, erfgrond, cultuurgrond en bedrijfswoning of van de in het eerste lid bedoelde vervangingswaarde van de bouwwerken op de te verlaten veehouderijlocatie, voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage 2 bij de regeling.

Artikel 3.9. Bijdrage sloopkosten ten behoeve van het terugbrengen van de te verlaten veehouderijlocatie naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand
1.

De in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel e, bedoelde bijdrage bedraagt 100 procent van de werkelijke kosten voor het slopen en verwijderen van de op de te verlaten veehouderijlocatie aanwezige bouwwerken, tot een maximum van € 45,– per vierkante meter, van het totaal van de te slopen en te verwijderen bouwwerken.

2.

Indien op grond van artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, een subsidieontvanger in aanmerking komt voor subsidie voor het demonteren van een bouwwerk, teneinde dit bouwwerk te verhuizen en weer op te bouwen op de hervestigingslocatie, komt de subsidieontvanger niet in aanmerking voor subsidie op grond van artikel 3.6, eerste lid, onderdeel e, voor het slopen van hetzelfde bouwwerk.

3.

Onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop vrijgekomen materialen die worden vervreemd door de subsidieontvanger, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onderdeel e.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.