Besluit Deelnemingsvrijstelling
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de deelnemingsvrijstelling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 9 maart 2020, nr. 2020-0000000002 ( Stcrt. 2020, 15230 ). Gewijzigd of nieuw toegevoegd zijn de onderdelen 2.1.1.2, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.3.1, 2.1.3.2, 2.1.3.3, 2.1.3.4, 2.1.3.5, 2.1.3.6, 2.2.1.3, 2.6, 2.6.1, 2.6.2, 2.7.1, 2.7.4, 2.11.1.6, 2.16.2, 2.17, 2.17.1, 2.17.2, 2.17.3, 6.1, 6.1.1, 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2, 7.1.2, 8.5.2, 8.6.1, 8.9.1, 8.14 en 8.14.1.1. Daarnaast zijn in het besluit redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Ten slotte is als gevolg van de wijziging van artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en het vervallen van de onderdelen 4.2 (oud) en 11.3 (oud) een aantal onderdelen vernummerd.
1. Inleiding
Dit besluit geeft een nadere invulling aan de artikelen die zien op de deelnemingsvrijstelling. Het besluit volgt de volgorde van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In onderdeel 2 tot en met 13 wordt ingegaan op de artikelen 13 tot en met 13k van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De onderdelen 14 en 15 regelen het intrekken van het voorgaande besluit en de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Artikel 13 Wet Vpb
Artikel 13, eerste lid, Wet Vpb regelt dat voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming, bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven.
2.1.1. Voordelen uit hoofde van een deelneming
De vraag of voordelen worden behaald uit hoofde van een deelneming wordt beheerst door de causaliteit. Dat wil zeggen dat de voordelen pas in voldoende verband tot de deelneming staan als deze voordelen voortvloeien uit het aandeelhouderschap in deze deelneming. Voor de volledigheid merk ik nog op dat de allocatievraag voorafgaat aan de causaliteitsvraag. De allocatievraag ziet op de vraag aan welk lichaam de voordelen moeten worden toegerekend.
2.1.1.1. Causaliteit; uitkering confiscatieverzekering
Bij het bepalen van de winst blijven voordelen uit hoofde van een deelneming buiten aanmerking. Er bestaan verzekeringen die het risico dekken dat (de bezittingen van) een buitenlandse dochtervennootschap door lokale autoriteiten wordt (worden) geconfisqueerd. Als op een dergelijke verzekeringspolis een uitkering wordt ontvangen, valt deze uitkering niet onder de deelnemingsvrijstelling. Een eventuele uitkering door de verzekeraar wordt namelijk in de eerste plaats veroorzaakt door de polis die de rechtsverhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde regelt. Niet het aandeelhouderschap (het bezit van de deelneming), maar het verzekeringscontract roept het voordeel op. De uitkering op de verzekeringspolis valt dus niet onder de deelnemingsvrijstelling. Volledigheidshalve merk ik op dat dit standpunt de werking van artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb onverlet laat.
2.1.1.2. Causaliteit; schadevergoeding uit hoofde van een afgebroken aan- of verkooptraject1Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:023:2022:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Als een belastingplichtige een aandelenpakket wenst over te dragen of over te nemen en het aan- of verkooptraject wordt afgebroken, dan kan de belastingplichtige in verband daarmee recht hebben op een schadevergoeding of een dergelijke vergoeding juist verschuldigd zijn. Voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een schadevergoeding in verband met een afgebroken aan- of verkooptraject, acht de Hoge Raad de kwalificatie van het aandelenpakket bij de beoogde koper doorslaggevend.2HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2124 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1270. Naar het oordeel van de Hoge Raad is er pas sprake van een deelneming bij de koper als de koper een onvoorwaardelijk, feitelijk en rechtens afdwingbaar recht op levering ontleent aan de met de verkoper gesloten overeenkomst. Als de aandelen bij de beoogde koper geen deelneming vormen waaraan de schadevergoeding(sverplichting) kan worden toegerekend, is de deelnemingsvrijstelling bij de beoogde koper niet van toepassing op een eventuele schadevergoeding. De door de Hoge Raad voorgestane evenwichtsleer brengt met zich dat in dat geval ook bij de beoogde verkoper de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de schadevergoeding.
Als een belastingplichtige een aandelenpakket wenst over te dragen of over te nemen en het aan- of verkooptraject wordt afgebroken, dan kan de belastingplichtige in verband daarmee recht hebben op een schadevergoeding of een dergelijke vergoeding juist verschuldigd zijn. Voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een schadevergoeding in verband met een afgebroken aan- of verkooptraject, acht de Hoge Raad de kwalificatie van het aandelenpakket bij de beoogde koper doorslaggevend.2HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2124 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1270. Naar het oordeel van de Hoge Raad is er pas sprake van een deelneming bij de koper als de koper een onvoorwaardelijk, feitelijk en rechtens afdwingbaar recht op levering ontleent aan de met de verkoper gesloten overeenkomst. Als de aandelen bij de beoogde koper geen deelneming vormen waaraan de schadevergoeding(sverplichting) kan worden toegerekend, is de deelnemingsvrijstelling bij de beoogde koper niet van toepassing op een eventuele schadevergoeding. De door de Hoge Raad voorgestane evenwichtsleer brengt met zich dat in dat geval ook bij de beoogde verkoper de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de schadevergoeding.
2.1.2. Kostprijs deelneming; versterken bestaande aandeelhoudersrechten; afkoop voorkeursrecht medeaandeelhouder
De kostprijs van een deelneming wordt verhoogd met een betaling die is gericht op het versterken van de bestaande aandeelhoudersrechten.
De kostprijs van een deelneming wordt verhoogd met een betaling die is gericht op het versterken van de bestaande aandeelhoudersrechten.
2.1.3. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming
Naast voordelen uit hoofde van een deelneming blijven bij het bepalen van de winst ook kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming buiten aanmerking. In HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 en HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793 gaat de Hoge Raad in op een aantal vragen met betrekking tot dit aftrekverbod.
2.1.3.1. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; rechtstreeks oorzakelijk verband
De Hoge Raad maakt duidelijk dat een bepaalde kostenpost alleen onder de deelnemingsvrijstelling valt als een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen die kostenpost en de verwerving of de vervreemding van een deelneming. De kosten dienen te worden opgeroepen door de verwerving of vervreemding, in die zin dat zij zonder die verwerving of vervreemding niet zouden zijn gemaakt. De aanwezigheid van een zodanig verband dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld.3HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, r.o. 2.5.1. In het vereiste rechtstreekse oorzakelijke verband dat de kosten moeten worden opgeroepen door de vervreemding, ligt de voorwaarde besloten dat de kosten een zodanig oorzakelijk verband met de vervreemding houden dat zij zijn gemaakt omdat zij – objectief bezien – nuttig of nodig zijn om tot die vervreemding te komen.4HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, r.o. 4.4.1.
De Hoge Raad maakt duidelijk dat een bepaalde kostenpost alleen onder de deelnemingsvrijstelling valt als een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen die kostenpost en de verwerving of de vervreemding van een deelneming. De kosten dienen te worden opgeroepen door de verwerving of vervreemding, in die zin dat zij zonder die verwerving of vervreemding niet zouden zijn gemaakt. De aanwezigheid van een zodanig verband dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld.3HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, r.o. 2.5.1. In het vereiste rechtstreekse oorzakelijke verband dat de kosten moeten worden opgeroepen door de vervreemding, ligt de voorwaarde besloten dat de kosten een zodanig oorzakelijk verband met de vervreemding houden dat zij zijn gemaakt omdat zij – objectief bezien – nuttig of nodig zijn om tot die vervreemding te komen.4HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, r.o. 4.4.1.
2.1.3.2. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; transitorische actiefpost
In HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 oordeelt de Hoge Raad dat goed koopmansgebruik meebrengt dat voor kosten ter zake van een voorgenomen verwerving of vervreemding van een deelneming een transitorische actiefpost op de balans moet worden opgenomen totdat vaststaat of de verwerving of vervreemding doorgang vindt.5HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, r.o. 2.5.5. Kosten waarvan op balansdatum vaststaat dat deze niet zijn gemaakt ter zake van de verwerving of vervreemding van een deelneming vallen niet onder het aftrekverbod. Voor die kosten hoeft geen transitorische actiefpost op de balans te worden opgenomen.
In HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 oordeelt de Hoge Raad dat goed koopmansgebruik meebrengt dat voor kosten ter zake van een voorgenomen verwerving of vervreemding van een deelneming een transitorische actiefpost op de balans moet worden opgenomen totdat vaststaat of de verwerving of vervreemding doorgang vindt.5HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, r.o. 2.5.5. Kosten waarvan op balansdatum vaststaat dat deze niet zijn gemaakt ter zake van de verwerving of vervreemding van een deelneming vallen niet onder het aftrekverbod. Voor die kosten hoeft geen transitorische actiefpost op de balans te worden opgenomen.
2.1.3.3. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; interne kosten
In HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 oordeelt de Hoge Raad dat niet alleen externe maar ook interne kosten onder het aftrekverbod vallen.7HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, r.o. 2.5.2. Hierbij gaat het om alle interne kosten die rechtstreeks oorzakelijk verband houden met een specifiek te verwerven of te vervreemden deelneming. Dat bijvoorbeeld salariskosten van werknemers voor werkzaamheden die rechtstreeks oorzakelijk verband houden met de verwervings- of vervreemdingswerkzaamheden ook gemaakt zouden zijn zonder de verwerving of vervreemding, doet hier niet aan af. Van belang is dat de (salaris)kosten toerekenbaar zijn aan de werkzaamheden met betrekking tot de verwerving of vervreemding van de deelneming.
2.1.3.4. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; gemengde kosten
Als kosten zonder de verwerving of vervreemding van een deelneming in het geheel niet zouden zijn gemaakt, maar deze kosten ook andere zakelijke doeleinden dienen, kan afhankelijk van de feiten en omstandigheden, op een deel van die kosten het aftrekverbod niet van toepassing zijn. Als bijvoorbeeld een due diligence-rapport wordt opgesteld voor het besluit om een deelneming wel of niet te verwerven, en dit rapport ook noodzakelijk is voor de financiering van de deelneming, kan voornoemd aftrekverbod voor een (beperkt) deel van de kosten achterwege worden gelaten. Dit neemt niet weg dat als het belang van het due diligence-rapport van bijkomstige betekenis is voor de financiering, de kosten volledig onder het aftrekverbod vallen.
2.1.3.5. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; Warranty & Indemnity-verzekering
Bij de vervreemding of verwerving van een deelneming kan een Warranty & Indemnity (W&I)-verzekering worden afgesloten om schade die ontstaat als gevolg van het schenden van bepaalde (balans)garanties en vrijwaringen die door de verkoper zijn afgegeven, te verzekeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een koperspolis en een verkoperspolis. Bij een koperspolis sluit de koper de W&I-verzekering af. De koper betaalt de W&I-premie aan en ontvangt een eventuele uitkering van de verzekeraar. Bij een verkoperspolis sluit de verkoper de W&I-verzekering af. De verkoper betaalt de W&I-premie aan de verzekeraar. Afhankelijk van de overeenkomst wordt een eventuele uitkering betaald aan de verkoper, die deze op zijn beurt doorbetaalt aan de koper. Het komt ook voor dat de verzekeraar een eventuele uitkering rechtstreeks aan de koper uitbetaalt.
Bij de vervreemding of verwerving van een deelneming kan een Warranty & Indemnity (W&I)-verzekering worden afgesloten om schade die ontstaat als gevolg van het schenden van bepaalde (balans)garanties en vrijwaringen die door de verkoper zijn afgegeven, te verzekeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een koperspolis en een verkoperspolis. Bij een koperspolis sluit de koper de W&I-verzekering af. De koper betaalt de W&I-premie aan en ontvangt een eventuele uitkering van de verzekeraar. Bij een verkoperspolis sluit de verkoper de W&I-verzekering af. De verkoper betaalt de W&I-premie aan de verzekeraar. Afhankelijk van de overeenkomst wordt een eventuele uitkering betaald aan de verkoper, die deze op zijn beurt doorbetaalt aan de koper. Het komt ook voor dat de verzekeraar een eventuele uitkering rechtstreeks aan de koper uitbetaalt.
De premie van een W&I-verzekering van zowel een koperspolis als een verkoperspolis valt onder het aftrekverbod, er bestaat namelijk een rechtstreeks oorzakelijk verband met de verwerving of vervreemding van de deelneming.
2.1.3.6. Kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming; resultaat op valutatermijncontracten8Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:023:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Als het voornemen bestaat om een deelneming te verwerven waarvan de koopsom in een andere valuta luidt dan de functionele valuta, dan kan het om bedrijfseconomische redenen gewenst zijn om de valutakoers van de te betalen koopsom te fixeren door gebruik te maken van een afdekkingsinstrument, zoals een valutatermijncontract. Een resultaat op een valutatermijncontract valt niet onder het aftrekverbod.9Vgl. HR 17 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8760.
2.2. Artikel 13, tweede lid Wet Vpb
2.2. Artikel 13, tweede lid Wet Vpb
2.2.1. Begrip ‘deelneming’
Artikel 13, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb bepaalt dat er sprake is van een deelneming als de aandelen ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen. Omdat het criterium het nominaal gestorte kapitaal is, telt het nominale gestorte kapitaal op aandelen zonder winst- of stemrecht ook mee bij het bepalen van de 5%-eis. Dit betekent dat een belang in een andere vennootschap dat uitsluitend bestaat uit (preferente) aandelen zonder winst- of stemrecht, een deelneming kan vormen in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Daarvoor moeten deze aandelen dus ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen.
Artikel 13, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb bepaalt dat er sprake is van een deelneming als de aandelen ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen. Omdat het criterium het nominaal gestorte kapitaal is, telt het nominale gestorte kapitaal op aandelen zonder winst- of stemrecht ook mee bij het bepalen van de 5%-eis. Dit betekent dat een belang in een andere vennootschap dat uitsluitend bestaat uit (preferente) aandelen zonder winst- of stemrecht, een deelneming kan vormen in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Daarvoor moeten deze aandelen dus ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen.
De 5%-eis is een harde eis. Een belang – het gewone, winstrechtloze en stemrechtloze aandelenkapitaal samen – in een vennootschap dat minder dan 5% van het nominaal gestorte kapitaal uitmaakt, vormt geen deelneming in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Dit is niet anders – behoudens artikel 13, derde lid, Wet Vpb – als dat belang recht geeft op ten minste 5% van alle stemrechten.
2.2.1.2. Deelneming; vereniging en onderlinge waarborgmaatschappij
Uit artikel 13, tweede lid, Wet Vpb volgt dat volledig belastingplichtige verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen geen deelneming kunnen vormen. Daarom keur ik het volgende goed.
Uit artikel 13, tweede lid, Wet Vpb volgt dat volledig belastingplichtige verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen geen deelneming kunnen vormen. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat een direct belang van ten minste 5% in een volledig belastingplichtige vereniging wordt behandeld als een bezit van aandelen in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.
Ook keur ik onder voorwaarden goed dat een belang in een onderlinge waarborgmaatschappij voor de leden/verzekerden wordt behandeld als een lidmaatschapsrecht van een coöperatie en voor de leden/kapitaalverschaffers wordt behandeld als een bezit van aandelen in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Voor deze leden/kapitaalverschaffers geldt dus een 5%-eis ten aanzien van het aandelen/waarborgkapitaal om voor de deelnemingsvrijstelling in aanmerking te komen.
Voor deze goedkeuringen gelden de volgende twee voorwaarden:
2.2.1.3. Optierechten
De voordelen uit een optierecht op aandelen vallen onder de deelnemingsvrijstelling als deze aandelen op zich zelf beschouwd na de uitoefening van dit optierecht als een deelneming zouden kwalificeren (zie HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8488, het zogenoemde Falconsarrest). Om het voordeel uit het optierecht daadwerkelijk onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, moeten de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder en bij deze partij tot een deelneming behoren (zie HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1738). Het Falconsarrest brengt echter niet mee dat de kwalificerende optierechten als een deelneming worden aangemerkt.
2.3. Artikel 13, derde lid, Wet Vpb
Gereserveerd.
2.4. Artikel 13, vierde lid, Wet Vpb
In artikel 13, vierde lid, Wet Vpb is een meesleepregeling opgenomen. In onderdeel 2.5.2 is een standpunt opgenomen dat mede ziet op deze meesleepregeling.
2.5. Artikel 13, vijfde lid, Wet Vpb
In artikel 13, vijfde lid, Wet Vpb is een meetrekregeling opgenomen op grond waarvan in een aantal beschreven situaties mede sprake is van een deelneming.
2.5.1. Verbonden natuurlijk persoon
De meetrekregeling is ook van toepassing als de verbondenheid tot stand komt via een natuurlijk persoon. Het andersluidende antwoord tijdens de parlementaire behandeling van de Wet werken aan winst (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 99) verdraagt zich niet met de tekst van de wet.
2.5.2. Optierechten
De meetrekregeling van artikel 13, vijfde lid, onderdeel a, Wet Vpb kan gelet op het Falconsarrest ook van toepassing zijn bij een optierecht op aandelen. Hiermee is bedoeld dat het voordeel uit een optierecht dat recht geeft op de koop van minder dan 5% van een aandelenbelang, bij de belastingplichtige onder de deelnemingsvrijstelling moet worden gebracht, als een met de belastingplichtige verbonden lichaam in de desbetreffende vennootschap een deelneming heeft als bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, Wet Vpb. Overeenkomstig mijn standpunt in onderdeel 2.2.1.3 moeten de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder en bij deze partij tot een deelneming behoren.
De meetrekregeling van artikel 13, vijfde lid, onderdeel a, Wet Vpb kan gelet op het Falconsarrest ook van toepassing zijn bij een optierecht op aandelen. Hiermee is bedoeld dat het voordeel uit een optierecht dat recht geeft op de koop van minder dan 5% van een aandelenbelang, bij de belastingplichtige onder de deelnemingsvrijstelling moet worden gebracht, als een met de belastingplichtige verbonden lichaam in de desbetreffende vennootschap een deelneming heeft als bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, Wet Vpb. Overeenkomstig mijn standpunt in onderdeel 2.2.1.3 moeten de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder en bij deze partij tot een deelneming behoren.
Als het met de belastingplichtige verbonden lichaam echter een optierecht heeft op aandelen in de desbetreffende vennootschap en de voordelen uit dat optierecht bij dat verbonden lichaam op grond van het Falconsarrest onder de deelnemingsvrijstelling vallen, is de meetrekregeling bij de belastingplichtige niet van toepassing. Uit het Falconsarrest volgt namelijk niet dat het optierecht wordt aangemerkt als een deelneming. Hieruit volgt dat een aandelenbelang van minder dan 5% bij de belastingplichtige niet als deelneming kwalificeert, als een met de belastingplichtige verbonden lichaam een optierecht van ten minste 5% heeft op hetzelfde lichaam, terwijl bij dit verbonden lichaam de deelnemingsvrijstelling op de optie wel van toepassing is.
Het Falconsarrest brengt ook mee dat de meesleepregeling (artikel 13, vierde lid, Wet Vpb) van toepassing kan zijn bij een optierecht op aandelen. Hiermee is bedoeld dat het voordeel uit een optierecht dat recht geeft op de koop van minder dan 5% van een aandelenbelang, bij de belastingplichtige onder de deelnemingsvrijstelling moet worden gebracht, als de belastingplichtige in de desbetreffende vennootschap een deelneming heeft als bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, Wet Vpb. Overeenkomstig mijn standpunt in onderdeel 2.2.1.3 moeten de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder en bij deze partij tot een deelneming behoren.
2.6. Artikel 13, zesde lid, Wet Vpb
Een (gedeelte van een) deelneming kan worden vervreemd of verkregen tegen een prijs die (gedeeltelijk) bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat. In dat geval behoren de waardeveranderingen van dat recht en de met dat recht corresponderende verplichting bij de vervreemder en de verkrijger tot de voordelen uit hoofde van de deelneming op grond van artikel 13, zesde lid, eerste volzin, Wet Vpb.
2.6.1. Begrip prijs
Uit HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1019 volgt dat het begrip ‘prijs’ in de zin van artikel 13, zesde lid, Wet Vpb moet worden opgevat als hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt. Bij de vervreemding van een deelneming tegen schuldigerkenning is van belang of er een onverbrekelijke samenhang bestaat tussen de vervreemding van de deelneming en de daarvoor bedongen koopsom enerzijds en de vordering die voortvloeit uit de overeenkomst van schuldigerkenning anderzijds. Als die onverbrekelijke samenhang bestaat, is deze vordering de tegenprestatie.
2.6.2. Prijsaanpassing
Op grond van de tweede volzin van artikel 13, zesde lid, Wet Vpb behoren ook aanpassingen van de prijs waartegen een (gedeelte van een) deelneming is vervreemd of verkregen tot de voordelen uit hoofde van de deelneming.
Op grond van de tweede volzin van artikel 13, zesde lid, Wet Vpb behoren ook aanpassingen van de prijs waartegen een (gedeelte van een) deelneming is vervreemd of verkregen tot de voordelen uit hoofde van de deelneming.
2.7. Artikel 13, zevende lid, Wet Vpb
Als vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, behoort een voordeel uit deze rechtshandeling tot de voordelen uit hoofde van deze deelneming op grond van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb. Overigens slechts voor zover de hoofdsom van het afdekkingsinstrument de waarde van de deelneming niet te boven gaat. Dit betreft een continue toets. Deze rechtshandelingen kunnen verschillende vormen aannemen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan een valutatermijntransactie, een swap of een optie. Ook kan het valutarisico worden afgedekt door de deelneming te financieren met een lening in dezelfde valuta als die van de deelneming.
Als vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, behoort een voordeel uit deze rechtshandeling tot de voordelen uit hoofde van deze deelneming op grond van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb. Overigens slechts voor zover de hoofdsom van het afdekkingsinstrument de waarde van de deelneming niet te boven gaat. Dit betreft een continue toets. Deze rechtshandelingen kunnen verschillende vormen aannemen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan een valutatermijntransactie, een swap of een optie. Ook kan het valutarisico worden afgedekt door de deelneming te financieren met een lening in dezelfde valuta als die van de deelneming.
2.7.1. Indienen verzoek
Voor de toepassing van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb is vereist dat vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen. Als de rechtshandeling is aangegaan nadat het verzoek is ontvangen, maar voordat de inspecteur beslist heeft op het verzoek of als het verzoek is ontvangen nadat de rechtshandeling heeft plaatsgevonden, acht ik het onredelijk om de belastingplichtige om die reden de mogelijkheid om een (positieve) beschikking te verkrijgen volledig te ontzeggen. Ik acht het in een dergelijke situatie binnen de strekking van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb passend dat een (positieve) beschikking kan worden afgegeven die geldt voor voordelen die opkomen uit de desbetreffende rechtshandeling nadat de rechtshandeling is aangegaan of, indien dit later is, het volledige verzoek is ontvangen. Daarom keur ik het volgende goed.
Voor de toepassing van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb is vereist dat vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen. Als de rechtshandeling is aangegaan nadat het verzoek is ontvangen, maar voordat de inspecteur beslist heeft op het verzoek of als het verzoek is ontvangen nadat de rechtshandeling heeft plaatsgevonden, acht ik het onredelijk om de belastingplichtige om die reden de mogelijkheid om een (positieve) beschikking te verkrijgen volledig te ontzeggen. Ik acht het in een dergelijke situatie binnen de strekking van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb passend dat een (positieve) beschikking kan worden afgegeven die geldt voor voordelen die opkomen uit de desbetreffende rechtshandeling nadat de rechtshandeling is aangegaan of, indien dit later is, het volledige verzoek is ontvangen. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat het afgeven van een (positieve) beschikking kan plaatsvinden als de rechtshandeling die strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, is aangegaan nadat een volledig verzoek is ontvangen maar voordat de inspecteur heeft beslist op dit verzoek. In dat geval behoren voordelen uit de desbetreffende rechtshandeling tot de voordelen uit hoofde van de deelneming voor zover deze voordelen opkomen nadat de rechtshandeling is aangegaan.
2.7.2. Indirect gehouden belang
Als een belastingplichtige een valutarisico loopt met een deelneming, kan dat valutarisico door deze direct gehouden deelneming worden veroorzaakt, maar ook door een onderliggend, indirect gehouden belang. Deze laatste situatie doet zich bijvoorbeeld voor als een niet-eurobelang wordt gehouden door een binnenlandse deelneming van de belastingplichtige of door een in een euroland gevestigde buitenlandse deelneming van de belastingplichtige. In dit kader stel ik mij op het standpunt dat een valutarisico – hoezeer dit ook in een waardeverandering van de direct door de belastingplichtige gehouden deelneming tot uitdrukking kan komen – in de eerste plaats een risico is van het lichaam dat dit belang direct houdt. Als de belastingplichtige besluit om een dergelijk indirect valutarisico af te dekken, dan kunnen de resultaten uit dit afdekkingsinstrument niet onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht.
2.7.3. Raamovereenkomst
Om te voorkomen dat een belastingplichtige die veelvuldig rechtshandelingen verricht die strekken tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen vooraf voor elke rechtshandeling afzonderlijk om een beschikking moet verzoeken, keur ik het volgende goed.
Om te voorkomen dat een belastingplichtige die veelvuldig rechtshandelingen verricht die strekken tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen vooraf voor elke rechtshandeling afzonderlijk om een beschikking moet verzoeken, keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst (hierna: raamovereenkomst) wordt gesloten waarin voor voornoemde rechtshandelingen afspraken worden gemaakt.
2.7.4. Aankoop deelneming tegen koopsom in vreemde valuta10Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen mede naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:023:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Als een belastingplichtige het voornemen heeft om een deelneming te kopen waarvan de koopsom in een andere valuta luidt dan de functionele valuta, kan het om bedrijfseconomische redenen gewenst zijn om de valutakoers van de te betalen koopsom te fixeren. Als dit zich voordoet dan zal de belastingplichtige in de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke betaling van de koopsom een positie opbouwen in die andere valuta. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aanhouden van tegoeden in de andere valuta of aan valutatermijntransacties. Omdat er op dat moment nog geen deelneming is, kan voor deze afdekkingsinstrumenten geen verzoek in de zin van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb worden gedaan. In de vennootschappelijke jaarrekening maken de valutaresultaten behaald in de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke aankoop en betaling van de deelneming onderdeel uit van de kostprijs van die deelneming. Het voorgaande geldt niet alleen bij het voornemen om een deelneming te verwerven, maar ook bij het voornemen tot het verrichten van een kapitaalstorting in de functionele valuta van een deelneming die een andere is dan de functionele valuta die de belastingplichtige hanteert. Omdat ik op dit punt de fiscaliteit in lijn wil brengen met de bedrijfseconomische realiteit, keur ik het volgende goed.
Als een belastingplichtige het voornemen heeft om een deelneming te kopen waarvan de koopsom in een andere valuta luidt dan de functionele valuta, kan het om bedrijfseconomische redenen gewenst zijn om de valutakoers van de te betalen koopsom te fixeren. Als dit zich voordoet dan zal de belastingplichtige in de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke betaling van de koopsom een positie opbouwen in die andere valuta. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aanhouden van tegoeden in de andere valuta of aan valutatermijntransacties. Omdat er op dat moment nog geen deelneming is, kan voor deze afdekkingsinstrumenten geen verzoek in de zin van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb worden gedaan. In de vennootschappelijke jaarrekening maken de valutaresultaten behaald in de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke aankoop en betaling van de deelneming onderdeel uit van de kostprijs van die deelneming. Het voorgaande geldt niet alleen bij het voornemen om een deelneming te verwerven, maar ook bij het voornemen tot het verrichten van een kapitaalstorting in de functionele valuta van een deelneming die een andere is dan de functionele valuta die de belastingplichtige hanteert. Omdat ik op dit punt de fiscaliteit in lijn wil brengen met de bedrijfseconomische realiteit, keur ik het volgende goed.
2.7.5. Dividenden, verkoopopbrengsten en liquidatie-uitkeringen in vreemde valuta
Als een belastingplichtige buitenlandse deelnemingen in niet-eurolanden houdt, dan kunnen daaruit dividendbetalingen in vreemde valuta opkomen. Als om bedrijfseconomische redenen de wens bestaat om voorafgaand aan de daadwerkelijke betaling van het dividend de valutakoers te fixeren door een afdekkingsinstrument, dan kan hiervoor een verzoek in de zin van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb worden gedaan. Het valutaresultaat – behaald met het afdekkingsinstrument – vormt dan een voordeel uit hoofde van de deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb. Op het moment dat het dividend zich in fiscale zin van de deelneming heeft afgescheiden en bij de belastingplichtige als een vordering op de balans komt, verliezen de resultaten uit het afdekkingsinstrument het deelnemingskarakter. Op deze wijze is er steeds sprake van een evenwicht. Aanvankelijk zijn de waardemutaties van het te ontvangen dividend en de resultaten uit het afdekkingsinstrument aan te merken als voordelen uit hoofde van de deelneming. Nadat het dividend zich heeft afgescheiden van de deelneming behoren beide (tegengestelde) resultaten tot de belastbare winst.
Als een belastingplichtige buitenlandse deelnemingen in niet-eurolanden houdt, dan kunnen daaruit dividendbetalingen in vreemde valuta opkomen. Als om bedrijfseconomische redenen de wens bestaat om voorafgaand aan de daadwerkelijke betaling van het dividend de valutakoers te fixeren door een afdekkingsinstrument, dan kan hiervoor een verzoek in de zin van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb worden gedaan. Het valutaresultaat – behaald met het afdekkingsinstrument – vormt dan een voordeel uit hoofde van de deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb. Op het moment dat het dividend zich in fiscale zin van de deelneming heeft afgescheiden en bij de belastingplichtige als een vordering op de balans komt, verliezen de resultaten uit het afdekkingsinstrument het deelnemingskarakter. Op deze wijze is er steeds sprake van een evenwicht. Aanvankelijk zijn de waardemutaties van het te ontvangen dividend en de resultaten uit het afdekkingsinstrument aan te merken als voordelen uit hoofde van de deelneming. Nadat het dividend zich heeft afgescheiden van de deelneming behoren beide (tegengestelde) resultaten tot de belastbare winst.
2.8. Artikel 13, achtste lid, Wet Vpb
Gereserveerd.
2.9. Artikel 13, negende lid, Wet Vpb
Op grond van artikel 13, negende lid, Wet Vpb is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op een beleggingsdeelneming, tenzij er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming.
2.9.1. Beleggingsdeelneming; IC-DISC
In de Verenigde Staten van Amerika kan een vennootschap onder bepaalde voorwaarden opteren om als Interest Charge-Domestic International Sales Corporation (hierna: IC-DISC) te worden aangemerkt. Als een belastingplichtige een belang in een IC-DISC heeft, worden de aandelen in deze IC-DISC – doorgaans – ter belegging gehouden. Veelal zal er ook geen sprake zijn van een kwalificerende beleggingsdeelneming, omdat de IC-DISC niet aan een belasting naar de winst is onderworpen die resulteert in een naar Nederlandse maatstaven reële heffing en de bezittingen van de IC-DISC – doorgaans – voor 50% of meer uit laagbelaste vrije beleggingen bestaan. De deelnemingsvrijstelling is in deze situaties dus niet van toepassing op het belang in de IC-DISC. Daarentegen is artikel 13a Wet Vpb van toepassing als de belastingplichtige een belang van 25% of meer in de IC-DISC heeft en de bezittingen van de IC-DISC voor meer dan 90% uit laagbelaste vrije beleggingen bestaan.
2.10. Artikel 13, tiende lid, Wet Vpb
2.10. Artikel 13, tiende lid, Wet Vpb
Bij de consolidatie van artikel 13, tiende lid, onderdeel a, Wet Vpb kan worden gekozen voor een consolidatie op basis van de commerciële cijfers of op basis van de waarde in het economische verkeer. Deze keuze geldt voor alle lichamen in het desbetreffende concernonderdeel. Wel moet over de jaren heen een bestendige gedragslijn worden gevolgd. Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat artikel 13, elfde lid, onderdeel b, Wet Vpb – in tegenstelling tot artikel 13, tiende lid, onderdeel a, Wet Vpb – uitgaat van toerekening in plaats van consolidatie.
2.11. Artikel 13, elfde lid, Wet Vpb
Een lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, wordt als kwalificerende beleggingsdeelneming aangemerkt als:
2.11.1. Onderworpenheidstoets
2.11.1. Onderworpenheidstoets
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet werken aan winst is het volgende aangegeven over de invloed van een groupreliefregeling op de zinsnede ‘is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een heffing van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde winst’ (de onderworpenheidstoets van artikel 13, tiende lid, Wet Vpb zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2010). De overdracht aan een beleggingsdochter (A) van verlies van een andere, in datzelfde land gevestigde, vennootschap (B) op grond van een groupreliefregeling blijft buiten beschouwing bij de bepaling van de effectieve belastingdruk op het niveau van de beleggingsdochter (A). (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 35 en Kamerstukken I 2006/07, 30 572, nr. C, p. 15).
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet werken aan winst is het volgende aangegeven over de invloed van een groupreliefregeling op de zinsnede ‘is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een heffing van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde winst’ (de onderworpenheidstoets van artikel 13, tiende lid, Wet Vpb zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2010). De overdracht aan een beleggingsdochter (A) van verlies van een andere, in datzelfde land gevestigde, vennootschap (B) op grond van een groupreliefregeling blijft buiten beschouwing bij de bepaling van de effectieve belastingdruk op het niveau van de beleggingsdochter (A). (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 35 en Kamerstukken I 2006/07, 30 572, nr. C, p. 15).
Aan de onderworpenheidstoets (vanaf 1 januari 2010 opgenomen in artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb) is tijdens de parlementaire behandeling van Overige fiscale maatregelen 2010 een andere invulling gegeven. Zo is ten aanzien van consolidatiesystemen opgemerkt dat verschillen in fiscale consolidatie – en andere mogelijkheden voor winst- of verliesoverdracht die afwijken van de Nederlandse fiscale eenheid – niet in de weg staan aan voldoende onderworpenheid, tenzij als gevolg van de consolidatie of winst- of verliesoverdracht (grouprelief) niet of onvoldoende belasting zou worden geheven, dat wordt veroorzaakt door een stelselafwijking.
Dochtervennootschap X belegt en is onderworpen aan een winstbelasting met een tarief van meer dan 10% zonder stelselafwijking. X is dan voldoende onderworpen. Dochtervennootschap Y maakt wel gebruik van een stelselafwijking. Als een fiscaal verlies van Y dat is ontstaan door de stelselafwijking, door middel van consolidatie of verliesoverdracht wordt afgezet tegen de beleggingswinst van X, is X onvoldoende onderworpen (vergelijk Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 63 en nr. 8, p. 35).
2.11.1.2. Reële heffing; rente-imputatie; Dormant company’s; Verenigd Koninkrijk
In het Verenigd Koninkrijk bestaan zogenoemde ‘dormant companies’ (niet actieve vennootschappen). Als tussen dergelijke vennootschappen een vordering-schuldverhouding bestaat, is het – in afwijking van de standaard transferpricingregels – fiscaal toegestaan dat de berekening van rente achterwege blijft. Dit geldt echter alleen als deze beide vennootschappen de dormant-status al bezaten tussen 31 december 2003 en 31 maart 2004 en nadien onafgebroken deze status hebben behouden. Het fiscale gevolg daarvan is dat enerzijds geen sprake is van een renteaftrek bij de schuldenaar en anderzijds geen rentebate bij de schuldeiser. Naar Nederlandse maatstaven zou echter rente moeten worden geïmputeerd.
In het Verenigd Koninkrijk bestaan zogenoemde ‘dormant companies’ (niet actieve vennootschappen). Als tussen dergelijke vennootschappen een vordering-schuldverhouding bestaat, is het – in afwijking van de standaard transferpricingregels – fiscaal toegestaan dat de berekening van rente achterwege blijft. Dit geldt echter alleen als deze beide vennootschappen de dormant-status al bezaten tussen 31 december 2003 en 31 maart 2004 en nadien onafgebroken deze status hebben behouden. Het fiscale gevolg daarvan is dat enerzijds geen sprake is van een renteaftrek bij de schuldenaar en anderzijds geen rentebate bij de schuldeiser. Naar Nederlandse maatstaven zou echter rente moeten worden geïmputeerd.
Ik keur goed dat het niet in de heffing betrekken van de rentebate bij de schuldeiser op zich niet leidt tot onvoldoende onderworpenheid bij deze schuldeiser. Uitgangspunt hierbij is dat de van de standaard transferpricingregels afwijkende transactie plaatsvindt tussen vennootschappen die in hetzelfde land zijn gevestigd en onder goedkeuring van de fiscus van dat land.
De goedkeuring geldt slechts als het vennootschappen betreft die overigens – zonder de regeling van de dormant companies – zijn onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing.
In aanvulling op het vorenstaande merk ik nog op dat de goedkeuring niet van toepassing is voor zover vanaf 1 januari 2007 (per saldo) waardedalingen van de deelneming ten laste van de winst zijn gebracht.
Als tussen 1 januari 2007 en het indieningtijdstip van het verzoek ter zake van het desbetreffende belang een bedrag ten laste van de Nederlandse winst is gebracht, omdat op dat belang de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was vanwege de omstandigheid dat niet werd voldaan aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, tiende lid, Wet Vpb (tekst tot 1 januari 2010) en de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb (tekst vanaf 1 januari 2010), verbindt de inspecteur aan de goedkeuring ook de voorwaarde dat de goedkeuring slechts van toepassing is voor zover de voordelen uit het belang het vorenbedoeld bedrag overtreffen.
2.11.1.3. Belasting naar de winst; Cypriotische Special Defense Contribution Law
Op Cyprus wordt een belasting geheven op grond van de Special Defense Contribution Law. Deze Special Defense Contribution (hierna: SDC) heeft naast kenmerken van een winstbelasting ook kenmerken van een bronbelasting. De SDC wordt bij de bron ingehouden als zowel de uitkerende vennootschap als de aandeelhouder een inwoner van Cyprus is. Daarnaast krijgt een buitenlandse aandeelhouder alle SDC terug die als gevolg van de deemed distributionregels eerder is ingehouden. De SDC heeft dus geen wereldwijde werking. Dit is één van de kenmerken van een bronbelasting. Hoewel deze SDC dus ook kenmerken van een bronbelasting heeft, merk ik deze heffing aan als een belastingheffing naar de winst. Om aan de onderworpenheidstoets te voldoen, moet vervolgens nog sprake zijn van een naar Nederlandse begrippen reële heffing.
2.11.1.4. Reële heffing; grensoverschrijdende situaties; kwalificatieverschillen
Dit onderdeel gaat in op de werking van de onderworpenheidstoets in de grensoverschrijdende situatie dat met betrekking tot een dochtervennootschap sprake is van een kwalificatieverschil. Er is sprake van een kwalificatieverschil als er vanuit Nederland bezien sprake is van een zelfstandig belastingplichtige dochtervennootschap van een Nederlandse belastingplichtige, terwijl bezien vanuit het land waarin die dochtervennootschap is gevestigd dat lichaam transparant is en dat land dus niet het lichaam zelf, maar de achterliggende belanghebbende belast (in dit geval de Nederlandse belastingplichtige). In een dergelijke situatie acht ik het redelijk dat door mij wordt goedgekeurd dat het lichaam voldoende is onderworpen als de achterliggende belanghebbenden voldoende zijn onderworpen aan de winstbelasting van het land waarin het desbetreffende lichaam is gevestigd. Dit past bij de gedachte achter de onderworpenheidstoets dat de winst van de dochtervennootschap op adequate wijze in een winstbelasting wordt betrokken.
Dit onderdeel gaat in op de werking van de onderworpenheidstoets in de grensoverschrijdende situatie dat met betrekking tot een dochtervennootschap sprake is van een kwalificatieverschil. Er is sprake van een kwalificatieverschil als er vanuit Nederland bezien sprake is van een zelfstandig belastingplichtige dochtervennootschap van een Nederlandse belastingplichtige, terwijl bezien vanuit het land waarin die dochtervennootschap is gevestigd dat lichaam transparant is en dat land dus niet het lichaam zelf, maar de achterliggende belanghebbende belast (in dit geval de Nederlandse belastingplichtige). In een dergelijke situatie acht ik het redelijk dat door mij wordt goedgekeurd dat het lichaam voldoende is onderworpen als de achterliggende belanghebbenden voldoende zijn onderworpen aan de winstbelasting van het land waarin het desbetreffende lichaam is gevestigd. Dit past bij de gedachte achter de onderworpenheidstoets dat de winst van de dochtervennootschap op adequate wijze in een winstbelasting wordt betrokken.
Een kwalificatieverschil kan zich ook in de spiegelbeeldsituatie voordoen; namelijk als de buitenlandse dochter door Nederland als een transparant lichaam wordt gezien en door het andere land als een zelfstandig belastingplichtig lichaam. Dit kan gevolgen hebben voor de beoordeling van de onderworpenheid van een buitenlandse beleggingsdochter indien deze beleggingsdochter door een Nederlandse moeder wordt gehouden via een vanuit Nederlandse optiek fiscaal transparant lichaam dat door het andere land als zelfstandig belastingplichtig wordt gezien (een zogeheten hybride lichaam). Het kwalificatieverschil kan in combinatie met een fiscale consolidatie in het andere land tussen het buitenlandse hybride lichaam en de beleggingsdochter leiden tot onvoldoende onderworpenheid.
Een Nederlandse moeder houdt een buitenlandse beleggingsdochter via een vanuit Nederlandse optiek fiscaal transparant lichaam. Er is geen sprake van een vaste inrichting in het andere land. Het andere land behandelt dat lichaam als zelfstandig belastingplichtig (niet transparant). Het hybride lichaam maakt gebruik van een stelselafwijking. Te denken valt aan een fictieve kostenaftrek of aan het in aanmerking nemen van een rentelast terwijl de daaraan ten grondslag liggende schuld vanuit Nederlandse optiek fiscaal niet bestaat. Als een verlies van dit hybride lichaam dat wordt veroorzaakt door de stelselafwijking, via een fiscaal consolidatieregime wordt afgezet tegen winsten van de beleggingsdochter, leidt dit tot onvoldoende onderworpenheid, ook als de beleggingsdochter zonder toepassing van het consolidatieregime wel voldoende onderworpen zou zijn geweest.
2.11.1.5. Reële heffing; subjectieve vrijstellingen
Aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb is niet voldaan als een deelneming wordt gehouden in een binnenlandse of buitenlandse subjectief vrijgestelde deelneming. Er is dan namelijk geen sprake van een naar Nederlandse maatstaven reële heffing.
2.11.1.6. Reële heffing; earningsstrippingregeling
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Overige fiscale maatregelen 2010 is aangegeven dat er geen sprake is van een stelselafwijking als een belastingstelsel in plaats van het Nederlandse complex aan renteaftrekbeperkingen andere renteaftrekbeperkingen met een andere reikwijdte of andere effecten kent (bijvoorbeeld een earningsstrippingregeling). Evenwel is het voor de onderworpenheidstoets van belang dat het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden, mede vanwege deze renteaftrekbeperkingen, op een vanuit Nederlandse optiek adequate wijze in een winstbelasting wordt betrokken.11Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 62 en Kamerstukken I 2009/10, 32 128 enz., E, p. 9. Daarnaast is aangegeven dat een toekomstige wijziging van de Nederlandse heffing van winstbelasting doorwerkt in de onderworpenheidstoets.12Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 61 en Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 32.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Overige fiscale maatregelen 2010 is aangegeven dat er geen sprake is van een stelselafwijking als een belastingstelsel in plaats van het Nederlandse complex aan renteaftrekbeperkingen andere renteaftrekbeperkingen met een andere reikwijdte of andere effecten kent (bijvoorbeeld een earningsstrippingregeling). Evenwel is het voor de onderworpenheidstoets van belang dat het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden, mede vanwege deze renteaftrekbeperkingen, op een vanuit Nederlandse optiek adequate wijze in een winstbelasting wordt betrokken.11Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 62 en Kamerstukken I 2009/10, 32 128 enz., E, p. 9. Daarnaast is aangegeven dat een toekomstige wijziging van de Nederlandse heffing van winstbelasting doorwerkt in de onderworpenheidstoets.12Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 61 en Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 32.
2.11.2. Bezittingentoets
2.11.2. Bezittingentoets
Voor het bepalen van de toerekeningsbalans moeten de bezittingen van middellijke belangen naar rato van het belang in aanmerking worden genomen. Dit geldt echter niet voor de toepassing van de wetsfictie dat belangen kleiner dan 5% in ieder geval een belegging zijn (artikel 13, veertiende lid, Wet Vpb).
Voor het bepalen van de toerekeningsbalans moeten de bezittingen van middellijke belangen naar rato van het belang in aanmerking worden genomen. Dit geldt echter niet voor de toepassing van de wetsfictie dat belangen kleiner dan 5% in ieder geval een belegging zijn (artikel 13, veertiende lid, Wet Vpb).
2.11.2.2. Onderlinge vorderingen en schulden; dubbeltellingen
Voor de toepassing van de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel b, Wet Vpb worden de bezittingen van een deelneming en haar (on)middellijke dochters – naar rato van het belang – bij elkaar opgeteld. Hierbij blijven de passiva dus buiten aanmerking. Als echter een geldbedrag in meerdere schakels van een concern wordt doorgeleend, kan dit – ook na de toepassing van artikel 13, vijftiende lid, Wet Vpb – leiden tot dubbeltellingen. Daarom keur ik het volgende goed.
Voor de toepassing van de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel b, Wet Vpb worden de bezittingen van een deelneming en haar (on)middellijke dochters – naar rato van het belang – bij elkaar opgeteld. Hierbij blijven de passiva dus buiten aanmerking. Als echter een geldbedrag in meerdere schakels van een concern wordt doorgeleend, kan dit – ook na de toepassing van artikel 13, vijftiende lid, Wet Vpb – leiden tot dubbeltellingen. Daarom keur ik het volgende goed.
2.12. Artikel 13, twaalfde lid, Wet Vpb
2.12. Artikel 13, twaalfde lid, Wet Vpb
Vrije beleggingen zijn op grond van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel a, Wet Vpb onder meer andere beleggingen dan die welke redelijkerwijs noodzakelijk zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam dat de beleggingen onmiddellijk bezit. Bij de vraag of een belegging al dan niet redelijkerwijs noodzakelijk is, is van belang welke plaats het vermogensbestanddeel inneemt in het vermogen van het lichaam waar het op de balans staat. Bij deze beoordeling wordt het gehele vermogen van het lichaam in ogenschouw genomen: dus zowel de actief- als passiefzijde van de balans.
2.12.1.1. Redelijkerwijs noodzakelijk; handelsvorderingen
Een handelsvordering waarvan de betalingstermijn korter is dan drie maanden kan naar mijn mening voor de toepassing van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel a, Wet Vpb, niet als vrije belegging worden aangemerkt. Bij een langere betalingstermijn dan drie maanden, moet worden bezien of dit verstrekte krediet redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam dat de handelsvordering op de balans heeft staan. Is dit het geval, dan is geen sprake van een vrije belegging.
2.12.1.2. Redelijkerwijs noodzakelijk; overnamekas en andere liquiditeiten
Liquiditeiten – zoals bijvoorbeeld een overnamekas – worden niet als vrije beleggingen aangemerkt als deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de onderneming van het lichaam dat de liquiditeiten bezit. Hiervan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat de liquiditeiten worden aangehouden met het oog op een investering in activa – zoals bijvoorbeeld belangen in andere ondernemingen – die voor de ondernemingsactiviteiten van het lichaam noodzakelijk zijn.
2.12.1.3. Begrip ‘onroerende zaak’
In overeenstemming met het OESO Modelverdrag wordt in artikel 13, twaalfde lid, onderdeel a, Wet Vpb voor de uitleg van het begrip ‘onroerende zaak’ (daaronder mede begrepen rechten die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken) uitgegaan van de betekenis die dat begrip heeft volgens de wetgeving van de staat waarin de desbetreffende onroerende zaak is gelegen.
2.13. Artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb
Gereserveerd.
2.14. Artikel 13, veertiende lid, Wet Vpb
2.14. Artikel 13, veertiende lid, Wet Vpb
Op grond van artikel 13, veertiende lid, Wet Vpb worden bezittingen die bestaan uit belangen in lichamen, voor de toepassing van artikel 13, elfde en twaalfde lid, en artikel 13a Wet Vpb in ieder geval als belegging aangemerkt als deze bezittingen bestaan uit belangen van minder dan 5% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal, van het aantal in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid of in het aandeel in het door een commanditaire vennootschap behaalde voordeel. Deze wetsfictie geldt alleen als het lichaam dat het belang onmiddellijk houdt, een belang heeft van minder dan 5%.
2.15. Artikel 13, vijftiende lid, Wet Vpb
Gereserveerd.
2.16. Artikel 13, zestiende lid, Wet Vpb
In artikel 13, zestiende lid, Wet Vpb is de regeling voor zogenoemde aflopende deelnemingen opgenomen. Hierdoor is het onder voorwaarden mogelijk dat de deelnemingsvrijstelling nog drie jaar van toepassing blijft op belangen die – om welke reden dan ook – op een gegeven moment niet langer voldoen aan de 5%-voorwaarde, bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid, Wet Vpb.
2.16.1. Aflopende deelneming; begrip ‘jaar’
In de regeling voor aflopende deelnemingen komt twee maal het begrip ‘jaar’ voor. Hieronder wordt in beide gevallen een aaneengesloten periode van twaalf maanden verstaan.
2.16.2. Aflopende deelneming; deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing geweest
Een belastingplichtige kan een belang in de zin van artikel 13, tweede en derde lid, Wet Vpb ten minste een jaar dat direct voorafgaat aan het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, hebben gehouden zonder dat de deelnemingsvrijstelling in die periode van toepassing is geweest op dat belang. De reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat de belastingplichtige in die periode niet belastingplichtig was voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. In dat geval is de regeling voor de aflopende deelneming niet van toepassing. De regeling vereist namelijk dat de belastingplichtige ten minste een jaar dat direct voorafgaat aan het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in artikel 13, tweede of derde lid, Wet Vpb onafgebroken in aanmerking kwam voor de deelnemingsvrijstelling ter zake van het belang dat niet langer voldoet aan de 5%-voorwaarde.
2.16.3. Aflopende deelneming; opties
De regeling voor de aflopende deelnemingen ziet niet op de situatie waarbij een belastingplichtige een optierecht op aandelen heeft die op grond van het Falconsarrest onder de deelnemingsvrijstelling valt en dit optierecht bij uitoefening niet langer tot het verkrijgen van een deelneming leidt. Het Falconsarrest brengt namelijk niet mee dat het optierecht als een deelneming wordt aangemerkt.
2.16.4. Aflopende deelneming; meesleep- en meetrekregeling
De regeling voor aflopende deelnemingen ziet niet op meegesleepte en meegetrokken belangen. Als een belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden lichaam niet langer een deelneming als bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid, Wet Vpb heeft, vallen alleen de voordelen uit deze belangen nog drie jaar onder de deelnemingsvrijstelling. De voordelen uit de meegesleepte en meegetrokken belangen (winstbewijzen, schuldvorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb en optierechten) vallen dan niet langer onder de deelnemingsvrijstelling.
2.17. Artikel 13, zeventiende lid, Wet Vpb
In artikel 13, zeventiende lid, Wet Vpb is geregeld dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op voordelen uit hoofde van een deelneming voor zover die voordelen bestaan uit vergoedingen of betalingen die bij het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden rechtens dan wel in feite direct of indirect in aftrek kunnen komen voor een winstbelasting. De uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling geldt ook voor hetgeen de belastingplichtige ontvangt ter vervanging van de belastbare vergoedingen of betalingen.
2.17.1. Naar haar aard aftrekbaar
Voor de toepassing van artikel 13, zeventiende lid, Wet Vpb is van belang of de vergoeding of betaling naar haar aard in het buitenland in aftrek kan komen bij de bepaling van de totaalwinst van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden. Een eventuele aftrekbeperking van de vergoeding of betaling staat evenals het niet daadwerkelijk in aftrek brengen van de vergoeding of betaling niet in de weg aan de toepassing van deze bepaling. Daarnaast is niet van belang of de vergoeding of betaling in hetzelfde jaar in aftrek kan worden gebracht als het jaar waarin deze wordt ontvangen.13Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, p. 7.
2.17.2. Vervreemdingsresultaat
Bij de verkoper valt het vervreemdingsresultaat onder de deelnemingsvrijstelling. Als de gehele hybride schuldvordering wordt vervreemd staat artikel 13, zeventiende lid, onderdeel b, Wet Vpb niet aan de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de weg.15Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, p. 11.
Bij de verkoper valt het vervreemdingsresultaat onder de deelnemingsvrijstelling. Als de gehele hybride schuldvordering wordt vervreemd staat artikel 13, zeventiende lid, onderdeel b, Wet Vpb niet aan de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de weg.15Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, p. 11.
2.17.3. Betalingen om niet tussen vennootschappen in het buitenland
Het komt voor dat een vennootschap die gevestigd noch belastingplichtig is in Nederland een in het buitenland aftrekbare betaling rechtstreeks verricht aan een andere in dat (buiten)land gevestigde vennootschap, zonder dat daar een levering van een goed of dienst tegenover staat. Als deze vennootschappen gelieerd zijn aan een in Nederland belastingplichtige vennootschap kan deze betaling bij de Nederlandse belastingplichtige tot een verkapte winstuitdeling leiden. Op grond van doel en strekking van artikel 13, zeventiende lid, Wet Vpb is in dit specifieke geval deze bepaling niet van toepassing.
3. Artikel 13a Wet Vpb
Gereserveerd.
4. Artikel 13aa Wet Vpb
Gereserveerd.
5.1. Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb
5.1.1. Begrip ‘deelneming’; middellijk gehouden buitenlands belang
5.1.1. Begrip ‘deelneming’; middellijk gehouden buitenlands belang
Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing bij een afgewaardeerde vordering op een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam een deelneming heeft. Het begrip ‘deelneming’ beoogt slechts aan te geven dat het verbonden lichaam een belang in de schuldenaar moet hebben dat voldoet aan de objectieve criteria van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb (zie Kamerstukken I 2004/05, 29 686, nr. C, p. 3). Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is dus ook van toepassing als de deelneming wordt gehouden door een verbonden lichaam dat niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige voor de heffing van de vennootschapsbelasting.
5.1.2. Begrip ‘afgewaardeerde schuldvordering’; liquidatie-uitkeringen
X BV heeft een vordering op haar dochtervennootschap Y BV. Deze vordering is op de nominale waarde gewaardeerd. Het aandelenbezit in Y BV vormt een deelneming. X BV besluit Y BV te liquideren. Y BV keert hierbij ter voldoening van de schuld aan X BV al haar bezittingen – bestaande uit de aandelen in vennootschap Z BV – uit aan X BV. De waarde van de aandelen Z BV is echter lager dan de boekwaarde van de vordering op Y BV.
In dit voorbeeld ontvangt X BV in het kader van de liquidatie van Y BV ter aflossing van de vordering een pakket aandelen in Z BV, waarvan de waarde lager is dan de boekwaarde van deze vordering. Dit moet worden opgevat als een (definitieve) afwaardering van deze vordering. Dit standpunt is in overeenstemming met de bedoeling van artikel 13b Wet Vpb. Dit artikel tracht claimverlies te voorkomen in de gevallen waarin de toekomstige waardestijging van een vordering niet in Nederland kan worden belast. X BV heeft namelijk ter aflossing van de vordering een aandelenpakket in Z BV verkregen, waarvan de waardestijging onder de deelnemingsvrijstelling valt. Hierdoor kan het verlies op de vordering op Y BV in de toekomst dus niet meer met te belasten winst worden gecompenseerd.
In artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is bepaald dat een schuldeiser in sommige gevallen het bedrag van de afwaardering tot zijn winst moet rekenen. Uit artikel 13b, derde lid, Wet Vpb volgt dat dit ook het geval is als de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de schuldeiser. In dit voorbeeld bestaat de onderneming van Y BV uit het aandelenpakket in Z BV en de schuld aan X BV. De aandelenoverdracht in het kader van de liquidatie van Y BV moet als een vervreemding van haar onderneming worden aangemerkt (zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 686, nr. 3, p. 9, laatste alinea).
In artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is bepaald dat een schuldeiser in sommige gevallen het bedrag van de afwaardering tot zijn winst moet rekenen. Uit artikel 13b, derde lid, Wet Vpb volgt dat dit ook het geval is als de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de schuldeiser. In dit voorbeeld bestaat de onderneming van Y BV uit het aandelenpakket in Z BV en de schuld aan X BV. De aandelenoverdracht in het kader van de liquidatie van Y BV moet als een vervreemding van haar onderneming worden aangemerkt (zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 686, nr. 3, p. 9, laatste alinea).
5.2. Artikel 13b, tweede lid, Wet Vpb
Gereserveerd.
5.3.1. Afwaardering schuldvordering; valutaverliezen
5.3.1. Afwaardering schuldvordering; valutaverliezen
De afwaardering moet ook worden teruggenomen als de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon (artikel 13b, derde lid, Wet Vpb).
De reden hiervoor is dat de vervreemding van de onderneming tot gevolg heeft dat een waardestijging van de afgewaardeerde schuldvordering (door een betere gang van zaken van de onderneming van de schuldenaar) zich niet meer kan voordoen.
Als de waardedaling van een vordering echter alleen is veroorzaakt door valutaverliezen, is naar mijn mening geen sprake van een situatie die artikel 13b, derde lid, Wet Vpb wil treffen. De mogelijkheid dat de vordering weer in waarde stijgt (door valutawinsten), wordt namelijk niet beïnvloed door de vervreemding van de onderneming van de schuldenaar. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de inspecteur de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb op verzoek achterwege kan laten.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
Ik verleen hierbij de inspecteur toestemming als volgt te beslissen op een dergelijk verzoek:
Onder verwijzing naar onderdeel 5.3.1 van het besluit van [19 september 2024 onderhavig besluit], nr. 2024-20865, keur ik goed dat de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb achterwege blijft ten aanzien van de overdracht van de onderneming of een gedeelte van de onderneming door [naam vervreemder/schuldenaar] aan [naam verkrijger].
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden:
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden:
6.1. Artikel 13ba, eerste lid, Wet Vpb
6.1. Artikel 13ba, eerste lid, Wet Vpb
Artikel 13ba, eerste lid, Wet Vpb bepaalt dat de belastingplichtige onder bepaalde omstandigheden een bedrag gelijk aan een ten laste van de winst gekomen afwaardering op een schuldvordering tot de winst moet rekenen. Dit bedrag kan gelijktijdig ten laste van de winst worden toegevoegd aan een opwaarderingsreserve. Deze bepaling ziet niet alleen op een afwaardering die het gevolg is geweest van een waardedaling van een schuldvordering door de slechte gang van zaken bij de schuldenaar, maar ook op een waardedaling van een schuldvordering door valutaverliezen.
6.1.1. Opwaarderingsreserve
In artikel 13ba is geregeld in welke gevallen de opwaarderingsreserve wordt toegevoegd aan de winst. Volledigheidshalve merk ik op dat het niet mogelijk is om de opwaarderingsreserve vrijwillig toe te voegen aan de winst.
In artikel 13ba is geregeld in welke gevallen de opwaarderingsreserve wordt toegevoegd aan de winst. Volledigheidshalve merk ik op dat het niet mogelijk is om de opwaarderingsreserve vrijwillig toe te voegen aan de winst.
6.1.2. Afgewaardeerde schuldvordering; afgedekt valutaresultaat
Als een schuldvordering in vreemde valuta luidt, kan de belastingplichtige het valutarisico dat hij loopt op deze schuldvordering hebben afgedekt. Als de schuldvordering door valutawijzigingen in waarde is gedaald, zal tegenover deze waardedaling van de schuldvordering een waardestijging van het afdekkingsinstrument staan. Of en in welke mate deze waardestijging op enig moment in de winst wordt begrepen hangt af van de feitelijke situatie. Het maakt voor de toepassing van artikel 13ba Wet Vpb echter niet uit of het valutarisico op de schuldvordering is afgedekt. In situaties waarbij sprake is van een afdekking en het afdekkingsinstrument gelijktijdig met de rechtshandelingen genoemd in artikel 13ba, tweede lid, Wet Vpb wordt afgewikkeld, ben ik bereid om te bezien of er onder voorwaarden aanleiding is tot toepassing van artikel 63 AWR. Belanghebbenden kunnen hiertoe een verzoek richten aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
6.2.1. Artikel 13ba, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb; storting gevolgd door aflossing
6.2.1. Artikel 13ba, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb; storting gevolgd door aflossing
Volledigheidshalve merk ik op dat artikel 13ba Wet Vpb alleen aan de orde komt als de eerder genomen afwaardering niet al op grond van het totaal- en jaarwinstbeginsel teruggenomen moet worden.
Volledigheidshalve merk ik op dat artikel 13ba Wet Vpb alleen aan de orde komt als de eerder genomen afwaardering niet al op grond van het totaal- en jaarwinstbeginsel teruggenomen moet worden.
6.2.2. Artikel 13ba, tweede lid, onderdeel b Wet Vpb; onzakelijke kwijtschelding zakelijke schuldvordering
De handeling waarbij een belastingplichtige een zakelijke schuldvordering op een deelneming geheel of ten dele uitsluitend op grond van aandeelhoudersmotieven kwijtscheldt wordt bestreken door artikel 13ba, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb en dus niet door artikel 13ba, tweede lid, onderdeel c, Wet Vpb.17Vgl. Kamerstukken II 2001/02, 27 209, nr. 89b, p. 2. Als gevolg hiervan is een beroep op artikel 13ba, vierde lid, Wet Vpb in dat geval niet mogelijk.
7. Artikel 13c Wet Vpb
Artikel 13c Wet Vpb is ingevoerd om te voorkomen dat de zogenoemde inhaalregeling van artikel 35 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt ontlopen. Het terugnemen van inhaalverliezen als bedoeld in artikel 13c Wet Vpb ziet op verliezen uit een buitenlandse onderneming die voorheen door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam werd gedreven, maar die na de omzetting in een deelneming wordt gedreven door het lichaam waarin die deelneming wordt gehouden. Zonder artikel 13c Wet Vpb zou het mogelijk zijn om inhaalverliezen definitief te maken door een buitenlandse onderneming om te zetten in een deelneming. Met ingang van 2012 is artikel 13c Wet Vpb vervallen. Op grond van artikel 33b, vijfde lid, Wet Vpb blijft dit artikel echter van toepassing in de daar beschreven gevallen. De volgende paragrafen hebben daarom ook na 2011 hun belang behouden.
7.1.1. Begrip ‘positieve voordelen’
7.1.1. Begrip ‘positieve voordelen’
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat artikel 13c Wet Vpb alleen wordt toegepast op de positieve voordelen die zijn toe te rekenen aan de voortgezette buitenlandse onderneming.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
Naar mijn mening is in ieder geval sprake van een kennelijke onredelijkheid als de buitenlandse onderneming altijd verliesgevend is geweest en kort na de voortzetting wordt beëindigd vanwege de slechte gang van zaken.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het feit dat artikel 13c Wet Vpb geen mogelijkheid biedt tot winstsplitsing, maar aansluit bij de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming, op zichzelf niet leidt tot een kennelijke onredelijkheid.
Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
7.1.2. Niet meer verrekenbare verliezen
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de 13c-claim kan worden verminderd met het bedrag van deze niet meer verrekenbare verliezen.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
Hiertoe strekkende verzoeken moeten bij de inspecteur worden ingediend. De inspecteur beoordeelt of in een concreet geval voldoende samenhang bestaat tussen de niet meer verrekenbare verliezen en de buitenlandse verliezen. De inspecteur zendt het verzoek – vergezeld van een ambtsbericht – door naar de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)