Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 oktober 2024, nr. WJZ/ 43866467, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties met diersoorten behorend tot kleinere sectoren voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren)
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemeen
Artikel 1. begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl;
- –. dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;
- –. diersoorten behorend tot kleinere sectoren: geiten, overig rundvee, vleeseenden, konijnen, vleeskalveren;
- –. geiten: de diercategorieën met diernummers 600, 601 en 602, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;
- –. konijnen: de diercategorieën met diernummers 900 en 901, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;
- –. landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
- –. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- –. Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in de bijlage, behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;
- –. natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
- –. omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- –. omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel b, van de Omgevingswet;
- –. overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;
- –. overig rundvee: de diercategorieën met diernummers 104 en 120, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;
- –. productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen;
- –. stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden;
- –. veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
- –. veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;
- –. veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;
- –. vleeseenden: de diercategorieën met diernummers 801, 802 en 803, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;
- –. vleeskalveren: de diercategorieën met diernummers 112, 115, 116, 117 en 122, bedoeld in bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Artikel 2. bepaling stikstofvracht
De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:
- a. het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;
- b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in 2021 zijn gehouden.
Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.
Artikel 3. kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
De artikelen 6, 22, 23, 26, 27, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Criteria voor subsidieverstrekking
Artikel 4. grondslag
De minister kan een veehouder die een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien:
- a. de stikstofvracht die deze locatie op een overbelast Natura 2000-gebied veroorzaakt ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1; of
- b. de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt ten minste 2.500 mol stikstof per jaar bedraagt.
Het eerste lid, onderdeel b, geldt niet voor een veehouderijlocatie met vleeskalveren.
Het eerste lid geldt alleen voor een veehouderij die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria.
Artikel 5. vereisten
Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:
- a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie;
- b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie;
- c. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:
- 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt; of
- 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;
- d. in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergunning is ingetrokken tenzij onderdeel e van toepassing is;
- e. in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:
- 1°. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,
- 2°. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;
- f. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd;
- g. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om: en
- 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
- 3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten en voor zover van belang voor het op grond van deze regeling te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- h. de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.
De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, met dat gebruik instemt.
Artikel 6. afwijzingsgronden
De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.
De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder:
- a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie; of
- b. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie of de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.
§ 3. Subsidiebedrag
Artikel 7. subsidiecomponenten
De subsidie omvat:
- a. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid;
- b. Voor veehouderijen met een stikstofvracht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b; een bijdrage in verband met de kosten van het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de locatie gebruikte productiecapaciteit.
Artikel 8. bijdrage waardeverlies en sloopkosten
De in artikel 7, onderdeel a, bedoelde bijdrage bedraagt:
- a. 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, voor zover het een veehouderijlocatie betreft met een stikstofvracht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a;
- b. 120% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, voor zover het een veehouderijlocatie betreft met een stikstofvracht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b;
behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.
De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b.
De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met € 45,–.
§ 4. Aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 9. openstellingsperiode en subsidieplafond
Aanvragen voor subsidie op grond van artikel 4, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 18 november 2024 tot en met 20 december 2024.
Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 128.000.000,–.
Artikel 10. aanvraag subsidieverlening
Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.