Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 oktober 2024, nr. IENW/BSK-2024/294197, houdende vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de realisering van walstroomvoorzieningen voor zeeschepen 2024–2027 (Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2024–2027)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b en e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 5, tweede lid, 6, zesde lid, 7, derde lid, 8, eerste en tweede lid, onder b, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vijfde lid, 22, tweede lid, en 23, vijfde lid van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel en toepassingsbereik van de regeling
1.

Het doel van de regeling is het realiseren van enerzijds een reductie van de stikstofdepositie ten behoeve van stikstofgevoelige en met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden en ruimtelijke ontwikkelingen die gebruik maken van het stikstofregistratiesysteem (SSRS) en anderzijds het realiseren van een reductie van de geluidemissies en verbetering van de luchtkwaliteit door het stimuleren van de aanleg van walstroomvoorzieningen in Nederlandse zeehavens ten behoeve van de energievoorziening van zeeschepen.

2.

De Minister kan subsidie verstrekken voor een project.

Artikel 3. Subsidieplafond en subsidiemaximum
1.

Voor de periode tot en met 31 december 2027 is voor projecten, als bedoeld in artikel 1, ten hoogste € 18.800.000,00 beschikbaar:

2.

De subsidie wordt verleend met toepassing van artikel 56 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.000.000,00 per project.

4.

Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

5.

Subsidie die door de Commissie van de Europese Unie is verstrekt voor hetzelfde project, wordt niet in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager krachtens deze regeling in aanmerking komt.

Artikel 4. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 5. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij het project betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

3.

Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,00 per uur.

Artikel 6. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing forfaitair uurtarief loonkosten
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,00 per uur.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij het project betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

Artikel 7. Specifieke afwijzingsgronden

Onverminderd de in artikel 11 en 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, wordt een aanvraag tot subsidie in ieder geval afgewezen indien:

Artikel 8. Subsidievoorwaarden en selectiecriteria
1.

Een aanvraag tot subsidie heeft betrekking op één project.

2.

Subsidieverlening vindt plaats door de subsidieaanvragen in een tenderronde, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, te rangschikken.

3.

De rangschikking wordt bepaald op basis van de volgende selectiecriteria:

4.

Aan alle in het derde lid benoemde selectiecriteria wordt een gelijkwaardige wegingsfactor toegekend.

5.

De rangschikking wordt uitgevoerd door RVO.

Artikel 9. Voorschot

Bij de beschikking tot subsidieverlening wordt een voorschot van 80% verleend.

Artikel 10. Aanvraagvereisten
1.

Een aanvraag tot subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.

2.

Een aanvraag kan worden ingediend bij RVO:

3.

Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat een aanvraag:

Artikel 11. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.

Het project wordt binnen 48 maanden na de startdatum van het project afgerond. De startdatum is maximaal 6 maanden na de beschikking tot subsidieverlening.

2.

De subsidieontvanger doet gedurende de uitvoering van het project, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 8 van het Kaderbesluit, middels een jaarrapport en een eindrapport verslag van de voortgang van het project. Het eindrapport geeft de mate weer waarin het project naar verwachting gaat bijdragen aan het doel van deze regeling zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid.

3.

De subsidieontvanger toont aan dat het project waarvoor de subsidie is verleend is verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie door middel van verstrekking van gegevens die betrekking hebben op de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten tot vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling en voor zover medewerking redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

5.

De subsidieontvanger verschaft aan de Minister desgevraagd tot vijf jaar na de datum van subsidievaststelling gegevens over de hoeveelheid jaarlijkse geleverde elektriciteit van de walstroomvoorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

6.

Met de Minister voor Natuur en Stikstof kunnen gegevens van de aanvrager worden gedeeld met betrekking tot de criteria genoemd in artikel 8, derde lid, het aanvraagvereiste in artikel 10, derde lid, en de verplichting in het vijfde lid van dit artikel.

Artikel 12. Subsidievaststelling

Binnen dertien weken nadat het project is afgerond dient de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling in met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.