Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 november 2024, nr. 2024-0000896682, houdende de vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling gericht op het uitvoeren van interventies ter uitbreiding van de arbeidstijd voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van het programma Meer uren werkt! (Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd)
Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvraagtijdvak: een door de Minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;
- aanvrager: een organisatievorm, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, die de subsidie aanvraagt op basis van deze regeling, of in het geval van een samenwerkingsverband, de hoofdaanvrager;
- activiteit: een activiteit als bedoeld in artikel 2.2;
- bevoegd gezag van een school: het bevoegd gezag van een uit ’s Rijks kas bekostigde school, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
- brancheorganisatie: een organisatie die de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde branche behoren;
- brutoloon: bruto jaarsalaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;
- btw: omzetbelasting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968;
- deelnemende organisaties: organisaties bij welke de activiteiten worden uitgevoerd met een minimum van vijftig werknemers per organisatie, waarbij eventuele verschillende vestigingen onderdeel zijn van de deelnemende organisatie en geen aparte deelnemende organisaties;
- deeltijdwerknemer: een werknemer van wie de werktijd korter is dan een arbeidsduur welke gemiddeld vijfendertig werkuren per week omvat;
- hoofdaanvrager: een organisatie als bedoeld in artikel 2.10, vijfde lid;
- interventiepartner: een organisatie, niet zijnde de kennisinstelling, die activiteiten uitvoert binnen de deelnemende organisaties, volgens de door de kennisinstelling voorgeschreven wetenschappelijk methode;
- Kaderregeling subsidies: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- kennisinstelling: Universiteit Utrecht;
- Minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- O&O-fonds: een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:
- a. is opgericht bij een bij de Minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties; of
- c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;
- onderzoekslocatie: een of meerdere vestigingen van een deelnemende organisatie met een groep deelnemers;
- samenwerkingsverband: een samenwerking tussen partijen genoemd in artikel 2.10, tweede lid;
- sector kinderopvang: de sectoren met sbi-code 88.91 en 88.99;
- sector onderwijs: de sectoren met sbi-codes 85.2 en 85.3;
- sector zorg en welzijn: de sectoren met sbi-codes 86, 87 en 88.1;
- subsidieontvanger: het samenwerkingsverband of de aanvrager waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling;
- voltijdwerknemer: een werknemer van wie de werktijd gelijk is aan dan wel langer is dan een arbeidsduur welke gemiddeld vijfendertig werkuren per week omvat;
- werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werkgevers beoogt;
- werknemer: een werknemer in dienst van een deelnemende organisatie;
- werknemersorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werknemers beoogt.
Artikel 1.2. Toepasselijkheid kaderregeling subsidies en benodigde formulieren
Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1.
De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Hoofdstuk 2. Onderzoeksactiviteiten
Artikel 2.1. Doel
Het doel van deze regeling is dat aanvragers of samenwerkingsverbanden worden gestimuleerd tot het uitvoeren van activiteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek, in alle sectoren van de arbeidsmarkt en in het bijzonder in de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en kinderopvang, gericht op:
- a. het wegnemen van drempels bij uitbreiding van het aantal te werken uren voor deeltijdwerknemers;
- b. contractuitbreiding en cultuurverandering in de maatschappij, inclusief concrete handvatten hoe deze in de praktijk kunnen worden gebracht; en
- c. het bevorderen van een maatschappelijke beweging en kennisontwikkeling gericht op het stimuleren van meer uren werken.
Artikel 2.2. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten die passen bij het doel van deze regeling en bedoeld zijn voor deeltijdwerknemers in de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en kinderopvang:
- a. de activiteit genaamd ‘alternatieve roostersessies’, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat op maat gemaakte alternatieve roostering betekent;
- b. de activiteit genaamd ‘herstructureren van taken’, waarbij een andere verdeling van werkzaamheden wordt uitgeprobeerd;
- c. de activiteit genaamd ‘het goede gesprek’, waarin leidinggevende en werknemers wordt geleerd hoe zij gesprekken over contractuitbreiding op een goede manier kunnen voeren;
- d. de activiteit genaamd ‘combinatiebanen’, waarbij met de werknemer wordt onderzocht hoe het huidige werk met andere functies, rollen of taken kan worden gecombineerd om zo meer uren te kunnen werken;
- e. de activiteit genaamd ‘mantelzorgvriendelijke organisaties’, waarbij binnen organisaties informatie wordt verspreid over regelingen en mogelijkheden in het kader van mantelzorg.
De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten die passen bij het doel van deze regeling en bedoeld zijn voor voltijd- en deeltijdwerknemers in alle sectoren op de arbeidsmarkt:
- a. de activiteit genaamd ‘oudervriendelijke organisaties’, voor het stimuleren van een ‘oudervriendelijke’ organisatie, waarbij gendernormen worden geadresseerd binnen organisaties;
- b. de activiteit genaamd ‘financiële inzichten’, inhoudende het wegnemen van misverstanden rond marginale druk, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat voor de werknemer de financiële gevolgen zijn van meer of minder werken.
De activiteiten worden in samenwerking met de kennisinstelling uitgevoerd op basis van de samenwerkingsovereenkomst overeenkomstig het daartoe verstrekte format op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, geldt dat per aanvraag een tot tien deelnemende organisaties uit dezelfde sector deelnemen en het onderzoek op tien onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.
Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt dat per aanvraag een tot tien deelnemende organisaties deelnemen en het onderzoek op tien onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.
Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat per aanvraag een tot twintig deelnemende organisaties deelnemen en het onderzoek op twintig onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.
Per aanvraag geldt, voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, en het tweede lid, onderdeel a, een minimumaantal deelnemers van 250, waarvan 130 werknemers deelnemen aan de activiteit en 120 deelnemen als controlegroep. Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt een minimumaantal deelnemers van 500, waarvan 260 werknemers deelnemen aan de activiteit en 240 deelnemen als controlegroep. Indien het aantal deelnemers hoger ligt dan het minimumaantal, worden de groepen volgens dezelfde verhouding ingedeeld.
Artikel 2.3. Subsidiabele kosten
Voor de subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:
- a. directe loonkosten van de werknemers die zich in de organisatie van de aanvrager of een van de partijen in het samenwerkingsverband bezighouden met de uitvoering van de activiteit, op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon van die personen vermeerderd met een opslag van 32% naar rato van de individuele gerealiseerde uren en uitgaande van 1.565 werkbare uren op jaarbasis bij een 40-urig voltijds dienstverband. Bij een afwijkend voltijds dienstverband kunnen de werkbare uren naar rato worden bijgesteld;
- b. externe kosten voor een interventiepartner tot een bedrag van € 65.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, en € 210.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, mits sprake is van marktconformiteit als bedoeld in het vierde of vijfde lid;
- c. externe kosten voor HR-ondersteuning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, tot een bedrag van € 100.000, mits sprake is van marktconformiteit als bedoeld in het vierde lid;
- d. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in onderdelen a en b. De kosten waarover de toeslag wordt berekend zijn gemaximeerd tot een bedrag van € 65.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, en € 210.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a;
- e. een forfaitair bedrag ter dekking van de kosten van een accountantsproduct ter hoogte van € 7.500, indien deze verplicht is op grond van artikel 2.14, derde lid, onderdeel b; en
- f. in rekening gebrachte btw, voor zover deze kosten niet verrekend kunnen worden en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op het BTW-compensatiefonds, genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds.
De aanvrager kan in plaats van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, € 10.000 per deelnemende organisatie ontvangen tot een bedrag van € 100.000. De subsidieontvanger is verplicht deze subsidie door te betalen aan de deelnemende organisaties.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van de activiteit zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering van de activiteit zijn toe te rekenen.
Voor externe kosten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:
- a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de aanvrager, indien de opdrachtwaarde onder de nationale aanbestedingsdrempel blijft en de in het project opgenomen kosten meer bedragen dan € 50.000; of
- b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.
Een uurtarief van een interventiepartner wordt geacht marktconform te zijn, indien het uurtarief van de interventiepartner maximaal € 135 exclusief btw bedraagt of het uurtarief op maximaal dat bedrag is bepaald. Dit lid is niet van toepassing indien de Aanbestedingswet 2012 op de subsidieontvanger van toepassing is.
Werkzaamheden ten behoeve van de activiteiten zijn uitsluitend subsidiabel op basis van directe loonkosten, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien deze zijn uitgevoerd door:
- a. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de aanvrager, in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband of een begunstigde;
- b. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
- 1°. in het bestuur van de aanvrager zijn vertegenwoordigd;
- 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd; of
- 3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;
- c. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
- 1°. de aanvrager;
- 2°. een partij uit het samenwerkingsverband; of
- 3°. een begunstigde;
- d. een organisatie waarin de aanvrager, een partij uit het samenwerkingsverband, of een begunstigde, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
- e. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het project betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
Het zesde lid is niet van toepassing op deelnemende organisaties.
Artikel 2.4. Niet-subsidiabele kosten
Niet voor subsidie komen in aanmerking:
- a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van de activiteit of een onderdeel daarvan;
- b. kosten van de activiteit die niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;
- c. kosten gemaakt buiten de projectperiode;
- d. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;
- e. opleidings- en scholingskosten;
- f. kosten voor verbruiksgoederen;
- g. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werknemers voor niet-werkbare uren als gevolg van deelname aan een subsidiabele activiteit; en
- h. externe kosten waarvoor geen factuur en betaalbewijs kan worden overgelegd.
Artikel 2.5. Subsidieplafond en hoeveelheid aanvragen
De Minister stelt in het kalenderjaar 2025 in totaal een bedrag beschikbaar van € 6.600.000, waarvan € 1.050.000 beschikbaar is voor ieder van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, en € 300.000 beschikbaar is voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b.
Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, bedraagt het subsidiebedrag ten minste € 25.000 en ten hoogste € 350.000 per aanvraag, waarvan maximaal € 100.000 voor de kosten van HR-ondersteuning.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, bedraagt het subsidiebedrag ten minste € 25.000 en ten hoogste € 75.000 per aanvraag.
Voor iedere activiteit wordt een aparte aanvraag ingediend.
Per sector wordt maximaal één aanvraag per activiteit, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a tot en met e, toegewezen.
In afwijking van het vijfde lid, kan per sector meer dan één aanvraag per activiteit worden toegewezen, indien het beschikbare bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, voor een activiteit niet volledig wordt benut. Het resterende bedrag wordt in die gevallen aangewend voor de eerstvolgende volledige aanvraag voor een activiteit in een andere sector.
Artikel 2.6. Aanvraagtijdvak
Het eerste aanvraagtijdvak loopt van maandag 13 januari 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 14 februari 2025 17:00 uur.
Het tweede aanvraagtijdvak loopt van maandag 2 juni 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 20 juni 2025 17:00 uur.
Het derde aanvraagtijdvak loopt van maandag 24 november 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 5 december 2025 17:00 uur.
Artikel 2.7. Looptijd van de activiteiten en projectperiode
De activiteiten starten uiterlijk drie maanden na de datum van de subsidieverlening, met uitzondering van de activiteiten in de sector onderwijs. Deze starten uiterlijk in de maand februari volgend op de datum van de subsidieverlening.
De projectperiode van een activiteitenplan start op de dag waarop het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6, opengaat waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend. De projectperiode eindigt op de dag waarop de looptijd, bedoeld in het derde en vierde lid, eindigt.
De activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c en e, en tweede lid, onderdeel b, hebben een looptijd van minimaal zeventien weken en maximaal 52 weken, gerekend vanaf de startdatum van de activiteit.
De activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a, b en d, en tweede lid, onderdeel a, hebben een looptijd van minimaal 26 weken en maximaal 52 weken, gerekend vanaf de startdatum van de activiteit.
Artikel 2.8. Subsidieaanvraag
De subsidieaanvraag wordt ingediend door middel van een elektronisch aanvraagformulier ondertekend door een daartoe bevoegd functionaris van de aanvrager. Onderdeel van de aanvraag is in ieder geval:
- a. een activiteitenplan dat, in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling subsidies, voldoet aan de eisen die worden gesteld in bijlage I bij deze regeling;
- b. het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- c. een beschrijving waarom de subsidie in de gevraagde omvang noodzakelijk is voor de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd;
- d. de verwachte startdatum van de activiteit, de verwachte einddatum van de activiteit en een planning van de te ondernemen stappen ten aanzien van de activiteit zoals in het activiteitenplan verwoord;
- e. een onderbouwde begroting van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
De subsidieaanvraag gaat vergezeld met de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het artikel 2.2, derde lid, en, indien van toepassing, de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in 2.10, vierde lid.
Voor zover de aanvrager of het samenwerkingsverband naast de activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is aangevraagd een of meer activiteiten als bedoeld in deze regeling beoogt uit te voeren op basis van een andere subsidie of daarvoor een andere financiële bijdrage heeft gevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van het aangevraagde bedrag en de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.
Door het indienen van een aanvraag stemt de aanvrager of het samenwerkingsverband ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar kan worden gemaakt.
Artikel 2.9. Behandeling subsidieaanvragen
De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.
Indien bij overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond blijkt dat het tijdstip van ontvangst van de aanvragen op de desbetreffende dag niet is vast te stellen, zal van de op die dag ontvangen aanvragen de volgorde van ontvangst door middel van loting worden vastgesteld.
Artikel 2.10. Aanvragers
Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O-fondsen, brancheorganisaties of het bevoegd gezag van een school kunnen een aanvraag indienen.
Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O-fondsen of brancheorganisaties kunnen in een samenwerkingsverband een aanvraag indienen.
Aanvragers of de partijen in het samenwerkingsverband bestaan ten tijde van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar. Hiervan wordt afgeweken indien de aanvrager of de partij in het samenwerkingsverband een onderwijsregio betreft.
De samenwerking in een samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een door alle partijen van het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model, waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen, die wordt gemachtigd het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot deze regeling.
De hoofdaanvrager is een werkgeversorganisatie, een werknemersorganisatie, een O&O-fonds, dan wel een brancheorganisatie die deel uitmaakt van het samenwerkingsverband.
Betalingen van subsidie en voorschotten daarop aan de hoofdaanvrager gelden als betalingen aan het samenwerkingsverband.
Artikel 2.11. Subsidieverlening
De Minister besluit binnen 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6, op de in dat tijdvak ingediende subsidieaanvragen.
De subsidie wordt verleend aan de aanvrager.
Aan de subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden gesteld.
Bij de subsidieverlening wordt een eerste voorschot van 20% van het subsidiebedrag verleend.
Na 16 weken na ontvangst van het eerste voorschot wordt een tweede voorschot van 40% van het subsidiebedrag verleend.
Artikel 2.12. Weigeringsgronden
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wijst de Minister een aanvraag tot verlening van subsidie geheel of gedeeltelijk af, indien:
- a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen;
- b. de subsidieaanvraag niet binnen het aanvraagtijdvak is ingediend;
- c. een activiteit niet uitvoerbaar is wegens strijd met wet- en regelgeving;
- d. de subsidiabele kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;
- e. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in een aanvraagtijdvak wordt overschreden;
- f. dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van deze of een andere regeling worden gefinancierd.
Artikel 2.13. Administratievoorschriften
Voor de aanvrager geldt dat deze:
- a. indien de verleende subsidie tussen de € 25.000 tot € 125.000 bedraagt: een inzichtelijke en controleerbare administratie bijhoudt met betrekking tot de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is verleend en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten;
- b. indien de verleende subsidie € 125.000 of meer bedraagt: binnen drie maanden na ontvangst van de beschikking tot subsidieverlening een kopie van de opdrachtbevestiging of een andere schriftelijke mededeling overlegt, waarin de toepassing en naleving van de administratievoorschriften door de controlerend accountant wordt bevestigd.
De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde onderdelen van de activiteit.
De administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten en uitgaven die aan een activiteit worden toegerekend. De administratie bevat in ieder geval:
- a. voor externe kosten: de opdrachtbevestiging, facturen, betaalbewijzen en, indien van toepassing, de offertes;
- b. voor directe loonkosten: een onderbouwing van bestede uren en de berekeningen van uurtarieven; en
- c. voor zowel externe kosten als directe loonkosten: de gerealiseerde prestaties.
De administratie bevat een bijlage met een overzicht van de deelnemende organisaties aan de activiteit, de interventiepartner en, indien van toepassing, alle partijen in het samenwerkingsverband, voorzien van de door de Kamer van Koophandel toegekende unieke nummers aan een onderneming of maatschappelijke activiteit in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.
De volledige administratie is te allen tijde voor controle beschikbaar op één voor de aanvrager vrij toegankelijke locatie.
De aanvrager verstrekt desgevraagd inzage in of informatie uit de administratie aan de Minister.
Artikel 2.14. Subsidievaststelling
De aanvrager dient binnen 22 weken na afloop van de projectperiode door middel van een elektronisch formulier een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de Minister.
Een verzoek tot vaststelling van een subsidie omvat, indien sprake is van een verleende subsidie van € 25.000 of meer, maar minder dan € 125.000, een verklaring inzake werkelijke kosten.
Een verzoek tot vaststelling van de subsidie omvat, indien sprake is van een verleende subsidie van meer dan € 125.000:
- a. een activiteitenverslag, een financieel verslag met daarin overzicht van de kosten per activiteit; en
- b. een accountantsproduct, overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model met inachtneming van een door de Minister vastgesteld accountantsprotocol.
Een verzoek tot vaststelling van de subsidie omvat een verklaring van de kennisinstelling, overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model, dat de aanvrager of het samenwerkingsverband bij de uitvoering van de subsidiabele activiteiten de door de kennisinstelling gestelde wetenschappelijke randvoorwaarden heeft toegepast.
Het subsidiebedrag kan op nihil worden vastgesteld, of naar evenredigheid worden verlaagd als naar het oordeel van de Minister geen gronden aanwezig zijn om de subsidie op nihil vast te stellen indien het vereiste minimumaantal werknemers dat aan de activiteit deelneemt niet is behaald.
Indien de aanvrager niet voldoet aan dit artikel kan de beschikking tot subsidieverlening geheel worden ingetrokken.
Indien het subsidiebedrag wordt verlaagd dan wel de subsidieverlening wordt ingetrokken, worden onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd.
Artikel 2.15. Intrekking en terugvordering
Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht kan de beschikking tot subsidieverlening geheel worden ingetrokken indien:
- a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten; of
- b. de subsidieontvanger niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de Minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.
Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de aanvrager teruggevorderd.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 3.1. Evaluatie
De Minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.
De aanvrager of het samenwerkingsverband werkt mee aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de Minister. De aanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, onderzoeksbestanden, gegevens en bescheiden.
Artikel 3.2. Inwerkingtreding en vervaldatum
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat de regeling zoals die luidde voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt van toepassing blijft op de dan lopende afwikkeling van besluiten en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling.
Artikel 3.3. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd.
Bijlage I. behorend bij artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a
Het activiteitenplan waar in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, naar wordt verwezen moet in elk geval een aantal onderdelen bevatten. In deze bijlage wordt toegelicht uit welke onderdelen dit activiteitenplan moet bestaan.
-
- Activiteitenbeschrijving Het activiteitenplan is een beschrijving van de geplande activiteiten. Tenzij anders aangegeven is de interventiepartner verantwoordelijk voor de activiteiten. Het ingediende activiteitenplan dient een overzicht van de deelnemende organisaties en de locatie(s) waar een activiteit wordt uitgevoerd te bevatten.
Vijf activiteiten (interventies) staan open voor de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en kinderopvang. Voor deze activiteiten is een inschatting van het aantal deeltijdwerknemers dat per deelnemende organisatie zal deelnemen aan de activiteit onderdeel van het activiteitenplan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen actieve deelname en deelname in het kader van de controlegroep, waarbij deze groepen ongeveer even groot dienen te zijn. Voor de activiteit mantelzorgvriendelijke organisaties geldt dat deze is gericht op deeltijdwerkers met (beoogde) mantelzorgtaken. In het kader van deze activiteit dient in het activiteitenplan per deelnemende organisatie een inschatting te worden gemaakt van het aantal deeltijdwerkers met (beoogde) mantelzorgtaken dat het activiteitenplan geheel zal doorlopen. Ook moet worden aangegeven hoeveel deeltijdwerknemers met (beoogde) mantelzorgtaken naar schatting onderdeel zijn van de controlegroep. In aanvulling op bovenstaande wordt in het kader van het activiteitenplan ook vermeld hoeveel deeltijdwerkers in totaal werken bij de deelnemende organisaties.
Voor de activiteiten ‘oudervriendelijke organisaties’ en ‘financiële inzichten’, is het niet van belang of de deelnemers in deeltijd werken. Om die reden volstaat het benoemen van het totale aantal medewerkers, het geschatte aantal medewerkers dat het hele activiteitenplan zal doorlopen en het geschatte aantal medewerkers dat onderdeel zal zijn van de controlegroep per deelnemende organisatie. Bij de controlegroep vinden naast het invullen van de vragenlijsten geen andere activiteiten plaats. De deelnemers in het kader van de controlegroep en de deelnemers die het hele activiteitenplan doorlopen dienen voor alle activiteiten evenredig te zijn verdeeld. Een deelnemer telt alleen mee voor de minimumaantallen als het hele activiteitenplan is doorlopen of als -in het geval van de controlegroep- de benodigde vragenlijsten zijn ingevuld.
Indien deelnemende organisaties betrokken zijn bij de uitvoering van andere activiteiten (interventies) gericht op contractuitbreiding, dan wordt in het activiteitenplan opgenomen hoe wordt gewaarborgd dat een medewerker niet deelneemt aan meerdere activiteiten (interventies) gericht op het werken van meer uren. Daarnaast dient uit het activiteitenplan te blijken dat de controlegroep en de actieve deelnemers zo min mogelijk met elkaar in aanraking komen op de werkvloer, bijvoorbeeld door deze te scheiden op basis van verschillende werklocaties. Dit is een voorwaarde om de effectiviteit van de verschillende activiteiten te meten. Voor elke soort activiteit is een verschillende beschrijving noodzakelijk. Daarom neemt de aanvrager in het activiteitenplan de onderstaande onderdelen van de aangevraagde activiteit op:
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling
- −. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit.
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie van de deelnemende organisatie, leidinggevenden, actieve deelnemers en de betrokken HR-medewerkers over de ruimte, wensen en behoeftes om roostering anders vorm te geven.
- –. Het middels gesprekken voorbereiden van de leidinggevenden en actieve deelnemers op de interventie.
- –. Het ophalen van informatie bij de deelnemende organisatie (leidinggevende en actief deelnemende medewerkers) over de relevante huidige gang van zaken in het kader van de roostering.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet bij de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de activiteit (interventie)
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt. Zo wordt bijvoorbeeld een alternatief rooster gemaakt en worden de vorm en inhoud van de bijeenkomsten bepaald. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting (waarin de deelnemende medewerkers wordt gevraagd naar hun wensen in een alternatieve roostering).
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling)
- –. Voorbereiden en houden van bijeenkomsten met actief deelnemende medewerkers, leidinggevenden, roosteraars en planners over de aangepaste roostering.
- –. Faciliteren dat de actief deelnemende medewerkers die dat willen de aangepaste roostering uitproberen.
- –. Bieden van ondersteuning terwijl actief deelnemende medewerkers werken met de aangepaste roostering.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de uitvoering van de activiteit (interventie) ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met de directie, leidinggevenden, actieve deelnemers, en HR -medewerkers over de ervaringen met de aangepaste roosters.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de aangepaste manier van roosteren geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat aangepaste roostering binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van een link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit.
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie van de deelnemende organisatie, leidinggevenden, actieve deelnemers en de betrokken HR-medewerkers over de ruimte, randvoorwaarden, wensen en behoeftes om taken te herstructureren.
- –. Het middels gesprekken voorbereiden van de leidinggevenden en actieve deelnemers op de activiteit (interventie).
- –. Het ophalen van informatie bij de deelnemende organisatie (leidinggevende en actief deelnemende medewerkers) over de relevante huidige gang van zaken in het kader van de taken en de taakverdeling binnen deelnemende organisaties.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet bij de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt. Zo wordt bijvoorbeeld een herverdeling van de taken gemaakt op basis van process mining technieken. Ook worden de vorm en inhoud van de bijeenkomsten bepaald. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling)
- –. Voorbereiden en houden bijeenkomsten met leidinggevenden en actief deelnemende medewerkers over de voor- en nadelen van een andere taakverdeling. De herverdeling van taken dient in het kader van deze bijeenkomsten te worden afgestemd met de actieve deelnemers, leidinggevenden en eventuele andere relevante betrokkenen binnen de deelnemende organisatie.
- –. Faciliteren dat actief deelnemende medewerkers die dat willen gaan werken volgens de herverdeling.
- –. Bieden van ondersteuning terwijl actief deelnemende medewerkers werken met de herverdeling.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de uitvoering van de activiteit (interventie) ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, de directie, leidinggevenden en HR-medewerkers over hun ervaringen met de herstructurering van taken.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de aangepaste wijze van taakverdeling geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling.
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit.
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie, de leidinggevenden, de actieve deelnemers en HR-medewerkers over de ruimte om urenuitbreiding/contractuitbreiding te realiseren. Ook worden de randvoorwaarden, wensen en behoeftes van de actieve deelnemers en leidinggevenden geïnventariseerd.
- –. Ophalen van informatie bij de organisatie over de huidige gang van zaken die relevant is voor het voeren van de gesprekken in het kader van mogelijke urenuitbreiding.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet naar de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt, zoals bijvoorbeeld de vorm en inhoud van de trainingssessies. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling).
- –. Voorbereiden en houden van trainingssessies voor leidinggevenden.
- –. Actief deelnemende medewerkers met de HR-medewerker voorbereiden op het goede gesprek met hun leidinggevende (onder meer door de medewerker te helpen bij het formuleren van de wensen en behoeften in relatie tot urenuitbreiding).
- –. Faciliteren dat leidinggevenden de goede gesprekken voeren met de actief deelnemende medewerkers. De HR-medewerker is verantwoordelijk voor het vastleggen van de afspraken die tijdens de gesprekken worden gemaakt.
- –. Bieden van ondersteuning tijdens de gesprekken over urenuitbreiding tussen leidinggevenden en actief deelnemende medewerkers.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de interventie ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, HR-medewerkers, de directie en leidinggevenden over hun ervaringen met het goede gesprek.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de werkwijze rond de goede gesprekken geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling.
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit (interventie).
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie, leidinggevenden, actieve deelnemers en HR-medewerkers over de randvoorwaarden, wensen en behoeftes van deze partijen omtrent het combineren van functies/rollen.
- –. Voorbereiden van de leidinggevenden en actieve deelnemers op de interventie.
- –. Ophalen van informatie bij de deelnemende organisatie over de huidige gang van zaken die relevant is voor het maken van combinaties tussen functies en rollen.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet naar de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt, zoals bijvoorbeeld de vorm en inhoud van de bijeenkomsten. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling).
- –. Voorbereiden en houden van informatiesessies voor actieve deelnemers en leidinggevenden.
- –. Faciliteren dat actieve deelnemers die dat willen de combinatiebaan uitproberen.
- –. Bieden van ondersteuning terwijl actieve deelnemers werken in combinatiebanen. In dat kader begeleidt de interventiepartner bij het vinden van een oplossing voor eventuele problemen.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de interventie ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, leidinggevenden, de directie en HR-medewerkers over hun ervaringen met combinatiebanen.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de werkwijze rond het faciliteren van combinatiebanen geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen van afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling.
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit (interventie).
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie, leidinggevenden, actieve deelnemers en HR-medewerkers over de randvoorwaarden, wensen en behoeftes in het kader van het geven/krijgen van ruimte voor mantelzorg, met het oog op een mantelzorgvriendelijke organisatie.
- –. Ophalen van informatie bij de deelnemende organisatie over de huidige gang van zaken die relevant is voor een mantelzorgvriendelijke organisatie.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet naar de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om een overzicht van de wettelijke regelingen en de mogelijkheden binnen de deelnemende organisatie op het gebied van (mantel)zorg en de inhoud van trainingssessies. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling).
- –. Verspreiden van een overzicht van wettelijke regelingen op het gebied van (mantel)zorg en de (aanvullende) mogelijkheden binnen de deelnemende organisatie.
- –. Voorbereiden en houden van trainingssessies voor leidinggevenden om actieve deelnemers te helpen bij het combineren van werk- en zorgtaken.
- –. Faciliteren dat leidinggevenden gesprekken voeren met actieve deelnemers over wat er nodig is voor een goede combinatie en balans tussen werk en mantelzorg. De HR-medewerker is verantwoordelijk voor het vastleggen van afspraken die uit de gesprekken volgen.
- –. Bieden van ondersteuning tijdens gesprekken over de combinatie en de balans tussen werk en mantelzorg.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de interventie ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, leidinggevenden, de directie en HR-medewerkers over hun ervaringen met de activiteit ‘mantelzorgvriendelijke organisaties’.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de werkwijze rond het bevorderen van een mantelzorgvriendelijke organisatie geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen van afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling.
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit (interventie).
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met de directie, leidinggevenden, actieve deelnemers en HR-medewerkers over de ruimte, randvoorwaarden, wensen en behoeften die er zijn met het oog op een ‘oudervriendelijke’ organisatie.
- –. Voorbereiden van de leidinggevenden en de actieve deelnemers op deelname aan de activiteit (interventie).
- –. Ophalen van informatie bij de deelnemende organisatie over de huidige gang van zaken die relevant is voor een oudervriendelijke organisatie.
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet naar de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om een communicatieplan waarin regelingen in het kader van de combinatie tussen arbeid en zorg op een genderneutrale wijze onder de aandacht worden gebracht. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling).
- –. De interventiepartner adviseert HR-medewerkers over hoe regelingen gericht op het combineren van arbeid en zorg zo kunnen worden aangepast dat deze gericht zijn op ouders (i.p.v. primair op moeders). HR-medewerkers zijn in het kader van de activiteit verantwoordelijk voor de aanpassing van de regelingen.
- –. Het opstellen en uitvoeren van een ‘oudervriendelijk’ communicatieplan over regelingen die zijn gericht op de combinatie arbeid en zorg. Oudervriendelijk betekent dat het communicatieplan is gericht op ouders (i.p.v. primair op moeders), waarbij geen sprake is van stereotypering van de rol van vaders of moeders.
- –. Voorbereiden en houden van trainingssessies voor de leidinggevenden over genderneutraal, familie-ondersteunend leiderschap.
- –. Sessies voor actieve deelnemers over gendernormen in de organisatie en beschikbare regelingen gericht op de combinatie arbeid en zorg.
- –. Bieden van ondersteuning tijdens de sessies met leidinggevenden en actieve deelnemers.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de interventie ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, leidinggevenden, de directie en HR-medewerkers over hun ervaringen met de activiteit ‘oudervriendelijke organisaties’.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de werkwijze rond het bevorderen van een oudervriendelijke organisatie geborgd gaat worden. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen van afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Onderdeel 1: Afstemming van de activiteit (interventie) met interventiepartners binnen andere samenwerkingsverbanden in het kader van deze regeling
- –. De kennisinstelling verzorgt de afstemming van de uitvoering van de activiteit (interventie) met de verschillende samenwerkingsverbanden en stelt de wetenschappelijke randvoorwaarden vast. De interventiepartner past deze wetenschappelijke randvoorwaarden toe bij de uitvoering van alle onderdelen van de activiteit (interventie).
Onderdeel 2: Deelnemende organisaties voorbereiden op de activiteit (interventie)
- –. Het organiseren en begeleiden van kennismakingsbijeenkomsten met de contactpersoon van de deelnemende organisatie, onderzoeker van de kennisinstelling en de betrokken HR-medewerkers om het plan van aanpak af te stemmen.
- –. De deelnemende organisatie vraagt medewerkers zich te melden bij de interventiepartner als ze willen deelnemen. De interventiepartner en de onderzoeker van de kennisinstelling informeren de medewerkers over de privacyaspecten van deelname aan de activiteit (interventie) en het gekoppelde onderzoek. De medewerker wordt ook geïnformeerd over de privacyaspecten van de gebruikte instrumenten, zoals bijvoorbeeld de WerkUrenBerekenaar. De medewerkers besluiten vervolgens of ze deel willen nemen en of ze akkoord gaan met de toestemmingsverklaring voor de verwerking van de benodigde persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de activiteit en het gekoppelde onderzoek.
- –. Met de kennisinstelling wordt afgestemd welke deelnemers het activiteitenplan doorlopen (actieve deelnemers) en welke deelnemers onderdeel zijn van de controlegroep. Hierbij worden deze groepen evenredig verdeeld.
- –. Het op de hoogte stellen van de actieve deelnemers en de deelnemers in het kader van de controlegroep van het onderzoek.
- –. Gesprekken met directie, leidinggevenden, actieve deelnemers en HR-medewerkers over de werkwijze in het kader van het bieden van financiële inzichten aan medewerkers.
- –. Voorbereiden leidinggevenden en actieve deelnemers op de activiteit (interventie).
- –. Het inplannen, vormgeven en begeleiden van bijeenkomsten.
- –. Het uitzetten van de nulmeting bij deelnemende medewerkers (inclusief controlegroep), leidinggevenden en HR-medewerkers. De kennisinstelling levert in dit kader een link naar vragenlijsten die de interventiepartner uitzet naar de deelnemende medewerkers, betrokken leidinggevenden en HR-medewerkers met het verzoek deze in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
Onderdeel 3: bouwen van de interventie
- –. Met inachtneming van de randvoorwaarden van de kennisinstelling worden de interventiematerialen gemaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om een informatiecampagne gericht op het aanbieden van instrumenten om financieel inzicht te geven in de financiële gevolgen van urenuitbreiding. De interventiematerialen worden afgestemd met de kennisinstelling. De afstemming met de kennisinstelling dient ertoe dat de kennisinstelling kan bijsturen, indien de interventiematerialen niet in lijn zijn met de interventiematerialen van de overige samenwerkingsverbanden.
- –. Verwerken van eventuele nieuwe inzichten vanuit de kennisinstelling in de interventiematerialen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de nulmeting.
Onderdeel 4: Uitvoeren van de activiteit (interventie) zoals bepaald in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling (na afstemming door de kennisinstelling met andere samenwerkingsverbanden in het kader van de regeling).
- –. Het opstellen van een informatiecampagne om instrumenten gericht op het verkrijgen van inzicht in wat meer of minder uren werk financieel betekent (zoals de WerkUrenBerekenaar) te verspreiden en aan te bieden bij actieve deelnemers. De actieve deelnemers maken zelfstandig gebruik van de instrumenten en delen hun financiële gegevens niet met de interventiepartner. De interventiepartner is beschikbaar voor de ondersteuning van actieve deelnemers bij het gebruik van de instrumenten en bij de duiding van de verkregen inzichten in de vorm van consulten.
- –. Voorbereiden en uitvoeren van consulten met actieve deelnemers.
- –. Faciliteren dat een onderzoeker meeloopt tijdens de interventie ten behoeve van het onderzoek van de kennisinstelling.
- –. Bijhouden van een logboek met ervaringen dat inzicht geeft in hoe de activiteit is uitgevoerd en hoe het proces kan worden verbeterd.
Onderdeel 5: Borging en evaluatie
- –. Evaluatiebijeenkomsten met actieve deelnemers, leidinggevenden, de directie en HR-medewerkers over hun ervaringen met de activiteit ‘financiële inzichten’.
- –. Uitzetten van nameting één bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
- –. Bij positieve ervaringen: afstemmen hoe de werkwijze rond het aanbieden van inzicht in de financiële gevolgen van urenuitbreiding wordt geborgd. De interventiematerialen worden dusdanig aangepast voor de deelnemende organisatie dat de werkwijze binnen de hele deelnemende organisatie kan worden toegepast. De interventiematerialen worden overgedragen aan de deelnemende organisatie.
- –. Vastleggen van afspraken over het uitzetten van nameting twee bij actieve deelnemers, leidinggevenden, de controlegroep en HR-medewerkers.
Onderdeel 6: data
- –. Faciliteren van de dataverzameling en -overdracht zoals beschreven in de documenten die beschikbaar zijn gesteld door de kennisinstelling.
- –. Het uitzetten van de link naar vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting en metingen gedurende de activiteit (interventie) met het verzoek de vragenlijsten in te vullen. Waar nodig wordt maatwerk toegepast.
- –. Bijhouden van een logboek omtrent de uitvoering van de interventie in het door de kennisinstelling aangeleverde format.
- –. Indien van toepassing, het begeleiden van de overdracht aan de kennisinstelling van logbestanden uit computersystemen en noodzakelijke data uit HR-systemen.
Bijlage I. behorend bij artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a
Het activiteitenplan is de beschrijving van de geplande activiteiten ter uitvoering van de door u gekozen activiteit (interventie). Ieder activiteitenplan bevat minimaal de zeven onderdelen, zoals opgenomen in deze bijlage. In de basis geldt voor elke interventie hetzelfde activiteitenplan – waar aanvullende of afwijkende voorwaarden gelden voor een specifieke interventie is dat hieronder aangegeven. Voor het opstellen van het activiteitenplan is een format beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Verplichte activiteiten ter uitvoering van een interventie:
t.b.v. activiteit [naam interventie] in het kader van Onderzoeksproject ‘Meer Uren Werkt!’
TUSSEN
Beschrijf in uw activiteitenplan hoe u de onderstaande activiteiten gaat uitvoeren:
Hierna gezamenlijk ook te noemen ‘Partijen’ of ieder afzonderlijk een ‘Partij’.
Beschrijf in uw activiteitenplan hoe u de onderstaande activiteiten gaat uitvoeren:
PARTIJEN KOMEN HIERBIJ OVEREEN ALS VOLGT:
Artikel 1. Definities
In deze Overeenkomst wordt onder de volgende begrippen verstaan:
Artikel 2. Reikwijdte en uitvoering van de Overeenkomst
Onderdeel 6. Data
Artikel 4. Geheimhouding
Onderdeel 7. Overige zaken
Artikel 6. Intellectuele Eigendomsrechten
Artikel 7. Toegangsrechten
Artikel 8. Materiaal
Artikel 9. Geen garanties / Aansprakelijkheid en vrijwaring
Artikel 10. Duur, inwerkingtreding en beëindiging
Artikel 11. Diversen
Artikel 12. Toepasselijk recht en geschillenbeslechting
Door Partijen in tweevoud getekend
Bijlagen:
Bijlage 1. – Bestaande intellectuele eigendomsrechten
De Bestaande Intellectuele Eigendomsrechten van Universiteit Utrecht bestaan uit:
Alles wat Universiteit Utrecht inbrengt in het Deelproject, waaronder maar niet beperkt tot:
De Bestaande Intellectuele Eigendomsrechten van het Samenwerkingsverband bestaan uit:
Bijlage 2. – Activiteitenplan van het samenwerkingsverband in het kader van deze overeenkomst
(tevens bijlage bij indiening van het subsidievoorstel van het Samenwerkingsverband)
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.1a. Overgangsbepaling
De subsidieregeling, zoals hij luidde op 14 februari 2025, blijft van toepassing op subsidies die zijn verstrekt op basis van het eerste aanvraagtijdvak.
Onderdeel 1. Afstemming van de interventie met de kennisinstelling en met andere aanvragen
Onderdeel 2. Deelnemende organisaties voorbereiden op de interventie
Onderdeel 3. Bouwen van de interventie
Onderdeel 4. Uitvoeren van de interventie
Beschrijf in uw activiteitenplan hoe u de onderstaande activiteiten gaat uitvoeren:
Onderdeel 5. Borging en evaluatie
Beschrijf in uw activiteitenplan hoe u de onderstaande activiteiten gaat uitvoeren:
Beschrijf in uw activiteitenplan hoe u de onderstaande activiteiten gaat uitvoeren:
Naast de bovenstaande onderwerpen bevat het activiteitenplan tot slot de volgende informatie:
Bijlage II. Samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.3, derde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)