Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 januari 2025, nr. IENW/BSK-246458, houdende tijdelijke regels voor toekenning van rijksbijdragen voor verkeersveiligheidsmaatregelen voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 januari 2030 (Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2, derde lid, 4, eerste en tweede lid, 6, zesde lid, 8, eerste lid, 10, tweede lid, 15, vijfde lid, 22, tweede lid, en 23 vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M juncto 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, eerste lid, 8, tweede lid, onder a, 10, vierde lid, onder a tot en met d en f, 11, 12, aanhef en onder b, c en i, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, e en f, en tweede lid, 18 en 21 van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Artikel 3. Doel

Het doel van deze regeling is het stimuleren van het nemen of versnellen van kosteneffectieve en risicogestuurde verkeersveiligheidsmaatregelen op het onderliggend wegennet.

Artikel 4. Kosten die in aanmerking komen voor rijksbijdrage
1.

De minister kan op aanvraag een rijksbijdrage verstrekken voor de kosten van het uitvoeren van maatregelen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

2.

De volgende kosten komen voor de verstrekking van een rijksbijdrage in aanmerking:

3.

Op grond van deze regeling wordt geen rijksbijdrage verstrekt voor:

Artikel 5. Plafond, wijze van verdeling en bekendmaking aanvraagtijdvak
1.

Het rijksbijdrageplafond voor de jaren 2025–2030 bedraagt in totaal € 236.000.000,–. In bijlage 2 bij deze regeling is voor elke aanvrager bepaald welk bedrag van de rijksbijdrage voor de aanvrager ten hoogste beschikbaar is.

2.

De minister stelt per aanvraagtijdvak een plafond vast voor rijksbijdragen die op grond van deze regeling worden verstrekt. Een aanvraagtijdvak en het plafond worden uiterlijk zes weken voor aanvang ervan bekendgemaakt in de Staatscourant. Aanvraagtijdvakken vinden alleen plaats in het jaar 2025.

3.

De minister verdeelt de bedragen, bedoeld in het tweede lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 6. Hoogte van de rijksbijdrage

De totale rijksbijdrage per subsidieverstrekking bedraagt ten hoogste 50% van de kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met een maximum per ontvanger zoals vermeld in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 7. Aanvraag tot verlening
1.

Een rijksbijdrage wordt op aanvraag verstrekt.

2.

Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

3.

Rijksbijdragen kunnen worden aangevraagd gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken.

4.

In een aanvraagtijdvak kan een aanvrager ten hoogste één aanvraag indienen waarin alle voorgenomen maatregelen worden genoemd.

5.

Onverminderd artikel 10, vierde lid, onder a tot en met d en f, van het Kaderbesluit subsidies I en M, worden in het volledig in te vullen aanvraagformulier, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

6.

De begroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onder c, van het Kaderbesluit subsidies I en M, specificeert uitsluitend de uitvoerings- en infrastructurele kosten per maatregel en geeft tevens inzicht in de eigen bijdrage en de externe financiering.

7.

De aanvraag van de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag gaat tevens vergezeld van een maatregelenprogramma. De door de minister gehonoreerde aanvragen van Vervoerregio Amsterdam en Metropoolregio Rotterdam Den Haag worden uitgevoerd conform de subsidieverordening van de desbetreffende vervoerregio.

Artikel 8. Verlening en afwijzingsgronden
1.

Een besluit tot verlening vermeldt in elk geval:

2.

De minister wijst een aanvraag voor een rijksbijdrage af indien het plafond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, in geval van honorering van de aanvraag zou worden overschreden.

3.

De minister kan een aanvraag voor een rijksbijdrage tevens afwijzen, indien de aanvrager naar zijn oordeel in het verleden aanwijsbaar onvoldoende inspanning heeft gepleegd om eerder toegekende maatregelen te realiseren.

Artikel 9. Bevoorschotting en betaling
1.

De minister keert bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, een voorschot van 100% uit.

2.

Het voorschot wordt uiterlijk zes weken na de dagtekening van het besluit tot verlening uitgekeerd.

Artikel 10. Voorwaardelijke verlening

Voor zover de rijksbijdrage wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 11. Verplichtingen ontvanger
1.

De ontvanger besteedt de rijksbijdrage uitsluitend aan de maatregelen waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend.

2.

Alle maatregelen waarvoor een rijksbijdrage is verstrekt, zijn uiterlijk op 31 december 2028 gerealiseerd.

Artikel 12. Verantwoording
1.

Provincies, gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, namens de daartoe behorende gemeenten, leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Waterschappen leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage overeenkomstig de Regeling informatieverstrekking sisa.

3.

De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zenden informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de activiteiten uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Minister in de vorm van de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 13. Vaststelling van de rijksbijdrage

De minister stelt de rijksbijdrage vast op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 12, heeft plaatsgevonden.

Artikel 14. Evaluatieverslag

De minister publiceert voor 1 januari 2029 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk.

Artikel 15. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 januari 2025 en werkt terug tot en met 1 januari 2025. De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op een rijksbijdrage die voor die datum is verstrekt.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030.

Bijlage 1. bedoeld in artikel 4, eerste lid

De volgende maatregelen komen voor de verstrekking van een rijksbijdrage in aanmerking.

Algemeen

Fietsinfrastructuur

30 km/uur wegen

50 km/uur wegen

60 km/uur wegen

Algemeen

Fietsinfrastructuur

Bijlage 2. bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 6

Op de volgende rijksbijdrage kan de aanvrager ten hoogste aanspraak maken gedurende de looptijd van deze regeling.

60 km/uur wegen

80 km/uur wegen

100 km/uur wegen

Gemeenten binnen Metropoolregio Rotterdam Den Haag

Gemeenten

Provincies

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel a1. Grondslagen BES

Deze regeling berust mede op de artikelen 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M in samenhang met artikel 92, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 13a. Beschikking tot vaststelling bijzondere uitkering BES
1.

De Minister stelt de bijzondere uitkering overeenkomstig de verlening vast.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de bijzondere uitkering lager worden vastgesteld dan het bij beschikking verleende bedrag als:

3.

De Minister kan de bijzondere uitkering geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:

Artikel 13b. Intrekken en wijzigen verlening bijzondere uitkering BES
1.

Zolang de bijzondere uitkering niet is vastgesteld kan de Minister de verlening van de bijzondere uitkering intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien:

2.

De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijzondere uitkering is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 13c. Intrekking en wijziging vaststelling bijzondere uitkering BES

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.