Accijns, beleidsregels accijnswetgeving

Type Beleidsregel
Publication 2025-01-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit van 11 april 2023, nr. 2023-7713, Stcrt. 2023, 11419 , dat hiermee wordt ingetrokken.

De volgende beleidsregels zijn ingetrokken:

Gebruikte begrippen en inhoudsopgave

In dit beleidsbesluit wordt verstaan onder:

De hoofdstukindeling van dit besluit is voor zover mogelijk gelijk aan de hoofdstukindeling van de wet. De inhoudsopgave ziet er daarom als volgt uit:

De beleidsregels zijn onder de desbetreffende hoofdstukken (1 t/m 6) opgenomen.

1. Inleidende bepalingen

1.1. Tijdelijk buiten de AGP brengen

Indien accijnsgoederen tijdelijk buiten een AGP worden gebracht om ze elders een bewerking te laten ondergaan is op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de wet sprake van uitslag tot verbruik. Indien de goederen weer binnen de AGP worden gebracht, kan de accijns worden teruggevraagd. Op grond van artikel 81 van de wet kan worden toegestaan dat gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten tijdelijk buiten de AGP worden gebracht om elders een bewerking te ondergaan, zonder dat dit wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik. Een dergelijke toestemming is niet voor andere accijnsgoederen in de wet opgenomen.

Ik keur goed dat de inspecteur toestaat dat ook andere accijnsgoederen dan gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten tijdelijk buiten de AGP worden gebracht om elders een bewerking te ondergaan. Dit wordt dan niet aangemerkt als uitslag tot verbruik.

De toestemming wordt in de vergunning voor de AGP opgenomen en kan worden verleend onder de volgende voorwaarden en beperkingen:

1.2. Vermelding van een code in plaats van het adres van de plaats van rechtstreekse aflevering in het e-AD

Op grond van de Gedelegeerde Verordening moeten de adresgegevens van de plaats van rechtstreekse aflevering in het e-AD worden vermeld. Op basis van tussen de lidstaten gemaakte afspraken kan worden toegestaan dat een code wordt gebruikt in plaats van de adresgegevens van de plaats van rechtstreekse aflevering van de accijnsgoederen.

Ik keur goed dat de vergunninghouder van een AGP of een in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde aan wie toestemming is verleend tot het toepassen van rechtstreekse aflevering een code kan gebruiken in plaats van de adresgegevens van de plaats van rechtstreekse aflevering. Deze code kan in het e-AD worden gebruikt in plaats van de adresgegevens van vak 7c, 7e en 7f. Deze code bestaat uit maximaal 10 alfanumerieke karakters en wordt in de vergunning opgenomen.

1.3. Achterwege laten van een maandverklaring als bedoeld in artikel 2a van het besluit

Op grond van artikel 2a van het besluit kan de inspecteur toestaan dat onder bepaalde voorwaarden het overbrengen van accijnsgoederen tussen twee AGP’s niet plaatsvindt met een e-AD, maar gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring. Indien deze regeling wordt toegepast door een vergunninghouder van een AGP die tevens vergunninghouder is van andere AGP’s, moet deze vergunninghouder ook maandverklaringen afgeven voor de overbrengingen van en naar die AGP’s onderling.

Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek toestemming kan verlenen om een maandverklaring als bedoeld in artikel 2a van het besluit achterwege te laten. Naast de in artikel 2a van het besluit genoemde voorwaarden gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

1.4. A-B-C transacties tussen vergunninghouders van een AGP voor minerale oliën voor afhaaltransacties per truck bij depots en raffinaderijlaadpunten

Op grond van artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het besluit is de toestemming tot het toepassen van rechtstreekse aflevering beperkt tot het rechtstreeks afleveren aan een afnemer die een ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en die niet optreedt in de hoedanigheid van een vergunninghouder van een AGP of een geregistreerde geadresseerde.

Tot 1 januari 2011 was in beleidsregel 1.2.1 goedgekeurd dat de toestemming tot het toepassen van rechtstreekse aflevering ook kon worden toegepast bij aflevering aan een afnemer met een AGP-vergunning. In de praktijk werd deze handelwijze ook toegepast bij zogenoemde afhaaltransacties. Het betreft A-B-C transacties tussen vergunninghouders van een AGP voor minerale oliën voor afhaaltransacties per truck bij depots en raffinaderijlaadpunten in combinatie met de toepassing van maandverklaringen als bedoeld in artikel 2a van het besluit. In dit kader worden door vergunninghouder C, op het contract van vergunninghouder B met vergunninghouder A, bij vergunninghouder A onder schorsing van accijns minerale oliën afgehaald. Vergunninghouder C, die de minerale oliën komt afhalen, is vooraf gevalideerd door middel van speciale badges voor het mogen beladen. De gevalideerde badges zijn in het geautomatiseerde systeem van vergunninghouder A gekoppeld aan verkoopcontracten van vergunninghouder A met vergunninghouder B. In verband met de onderliggende verkopen en facturatie worden de onder schorsing van accijns afgehaalde minerale oliën door middel van een maandverklaring overgedragen van vergunninghouder A naar vergunninghouder B en vervolgens van vergunninghouder B naar vergunninghouder C. Naar aanleiding van het vervallen van beleidsregel 1.2.1 per 1 januari 2011 is door het bedrijfsleven verzocht om de hierboven beschreven handelwijze met betrekking tot afhaaltransacties per truck na 1 januari 2011 te mogen voortzetten.

Wegens gebleken behoefte bij het bedrijfsleven en gezien de verregaande geautomatiseerde beheersing van het proces van afhaaltransacties per truck door middel van speciale badges keur ik goed dat vorenbedoelde afhaaltransacties tussen vergunninghouders van een AGP minerale oliën plaatsvinden onder de volgende voorwaarden en beperkingen:

1.5. Overbrenging onder schorsing van accijns van afval van schepen van de plaats van invoer naar een AGP

Afval en ladingresiduen afkomstig van zeeschepen die zijn aan te merken als minerale oliën in de zin van artikel 25 van de wet moeten, voor zover deze onder het verbod van artikel 5 van de wet vallen, vanaf de plaats van invoer door een vergunninghouder geregistreerde afzender met een e-AD worden overgebracht naar een AGP. Op grond van de douanewetgeving gelden vereenvoudigde douaneformaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen. Deze goedkeuring omvat, overeenkomstig het doel van Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad, een op de douanewetgeving en milieuwetgeving aansluitende vereenvoudigde procedure voor het overbrengen van afval en ladingresiduen afkomstig van zeeschepen onder schorsing van accijns van de plaats van invoer naar een AGP.

Ik keur goed dat een inzamelaar, die houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 9 Besluit inzamelen afvalstoffen, bij het overbrengen van afval van schepen van de plaats van invoer naar een AGP die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen en beschikt over een installatie voor verdere be- of verwerking van afval van schepen:

Ook keur ik goed dat een inzamelaar die bij meerdere zeeschepen afval van schepen inzamelt, deze in dezelfde ladingtank van het vervoermiddel waarmee het wordt ingezameld, overbrengt naar zijn AGP.

Deze goedkeuring is van toepassing als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2. Definities van de accijnsgoederen en tarieven

2.1

(Vervallen per 01-01-2022)

2.2. Omrekeningsfactor bij toepassing van het tarief voor vloeibaar gemaakt petroleumgas

Op grond van artikel 27, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt de accijns voor vloeibaar gemaakt petroleumgas berekend per 1.000 kilogram. In de praktijk wordt vloeibaar gemaakt petroleumgas veelal verhandeld in liters in plaats van in kilogrammen.

Ik keur goed dat voor de omrekening van liters naar kilogrammen wordt uitgegaan van een soortelijke massa van 0,54. De goedkeuring is alleen van toepassing indien vloeibaar gemaakt petroleumgas bestaat uit een mengsel van propaan en butaan en degene die de accijns is verschuldigd de exacte samenstelling en soortelijke massa niet kent of kan kennen.

2.3. Accijnsheffing op mengsmering en smeerolie voor tweetaktmotoren

Op grond van de wet is accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van lichte olie die als brandstof wordt gebruikt voor tweetaktmotoren van motorrijtuigen ongeacht de toevoegingen. Hoewel aan de lichte olie smeerolie is toegevoegd blijft het eindproduct een lichte olie in de zin van de wet en blijft over het gehele eindproduct de accijns verschuldigd.

In artikel 27 van de wet is voor smeerolie (GN codes 2710 1981 t/m 2710 1999) geen tarief vastgesteld. Op grond van artikel 28 van de wet is deze minerale olie belast met accijns als deze bestemd is voor gebruik, wordt aangeboden voor de verkoop of wordt gebruikt als motorbrandstof.

Hoewel de smeerolie voor de smering van de tweetaktmotor in bepaalde gevallen aan de lichte olie wordt toegevoegd, kan men niet spreken van een product dat wordt aangeboden voor de verkoop als motorbrandstof of wordt gebruikt als motorbrandstof. Deze smeerolie wordt in die gevallen niet toegevoegd aan de brandstof om als brandstof te dienen, maar omdat er vanwege de technische constructie geen andere manier bestaat om de smeerolie in de motor te krijgen. Het toevoegen van de smeerolie heeft eerder een verslechtering van het verbrandingsproces van de brandstof in de motor tot gevolg. De smeerolie voor tweetaktmotoren is vergelijkbaar met de smeerolie voor viertaktmotoren, die ook niet belast is.

Ik keur daarom goed dat de smeerolie die wordt uitgeslagen tot verbruik in afzonderlijke verpakking om als smeermiddel voor een tweetaktmotor te dienen, niet onder de accijnsheffing valt.

2.4

(Vervallen per 01-01-2024)

3. Uitslag tot verbruik

3.1

(Vervallen per 01-01-2025)

3.2. Levering vanuit AGP met tankauto’s en schepen

Een AGP is, gelet op artikel 42 van de wet, een geografisch vastgestelde locatie die in de vergunning is omschreven. Het is daarom in beginsel niet mogelijk een schip of vrachtauto als AGP aan te wijzen.

Bij de levering van minerale oliën aan tankstations en schepen is het op het tijdstip van de uitslag tot verbruik nog niet bekend hoeveel minerale olie daadwerkelijk zal worden afgeleverd. Dit speelt ook bij bier dat vanuit de AGP met tankauto’s wordt afgeleverd bij horecaondernemers. De geleverde hoeveelheid staat pas vast bij de daadwerkelijke aflevering aan het tankstation, aan het schip of aan de horecaondernemer. Mede ter voorkoming van extra administratieve handelingen bestaat er daarom behoefte om voor deze leveringen een uitzondering te maken op vorenbedoeld vereiste met betrekking tot de locatie van een AGP.

Ik keur goed dat tankauto’s die bier aan horecaondernemingen afleveren en tankauto’s die minerale olie aan tankstations afleveren met het oog op die afleveringen geacht worden deel uit te maken van de AGP waaruit wordt afgeleverd. Deze goedkeuring moet worden opgenomen in de vergunning voor de AGP waaruit wordt afgeleverd.

De goedkeuring is van toepassing onder de volgende voorwaarden:

Ik keur goed dat tankauto’s en leurschepen die minerale oliën met vrijstelling van accijns op grond van artikel 66 van de wet afleveren aan schepen geacht worden deel uit te maken van de AGP waaruit wordt afgeleverd. Deze goedkeuring moet worden opgenomen in de vergunning voor de AGP waaruit wordt afgeleverd.

De goedkeuring is van toepassing onder de volgende voorwaarden:

De aflevering van minerale oliën met tankauto’s kan alleen plaatsvinden onder de volgende voorwaarden:

De aflevering van minerale oliën met zogenoemde leurschepen kan alleen plaatsvinden onder de volgende voorwaarden:

3.3. Mengen op de boei

Bij enkele vergunninghouders van een AGP bestaat de behoefte om bepaalde verwerkingshandelingen met betrekking tot minerale oliën te verrichten buiten hun AGP. Het betreft hier het mengen van bepaalde minerale oliën aan boord van een schip, dat is gelegen aan een boei dan wel een vaste paal1Hierna wordt kortheidshalve alleen over ‘boei’ gesproken. in de haven (hierna: mengen op de boei). De minerale oliën die aan boord worden gebracht (via de zogenoemde ‘boord-boordoverslag’) zijn veelal afkomstig uit een of meer AGP’s of belastingentrepots. In het merendeel van de gevallen vindt het mengen plaats aan boord van een zeeschip, waarmee de minerale olie die ontstaat na vermenging wordt uitgevoerd. Het is echter ook mogelijk dat de na vermenging ontstane minerale olie naar een andere AGP wordt overgebracht. Vanuit logistieke overwegingen is het in bepaalde gevallen efficiënter om dit mengen aan boord van het (uitgaande) schip te verrichten in plaats van in een landtank van een in het havengebied gelegen AGP dan wel in een schip dat is gelegen aan de steiger van die AGP en dat verbonden is met de daar aanwezige installaties van de AGP.

Het mengen van minerale oliën waarbij de samenstelling wordt gewijzigd wordt aangemerkt als het verwerken van minerale oliën als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de wet. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet is het niet toegestaan een accijnsgoed te produceren of verwerken buiten een AGP die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen. Artikel 1a, eerste lid, van de wet bepaalt dat onder een AGP wordt verstaan iedere plaats in Nederland waar op grond van de bepalingen van de wet accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden geproduceerd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden opgeslagen, mogen worden ontvangen of mogen worden verzonden. Uit het samenstel van wettelijke bepalingen en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat het bij een AGP gaat om een fysieke locatie zoals een gebouw of een terrein.

Hoewel de huidige systematiek van de wet zich verzet tegen het verrichten van verwerkingshandelingen buiten een AGP, ben ik van mening dat in dit specifieke geval aanleiding bestaat aan de wens van deze vergunninghouders van een AGP tegemoet te komen. De eventuele heffing van accijns moet echter voldoende zijn verzekerd. Ik keur het volgende goed.

De inspecteur kan op schriftelijk verzoek van een hierna te noemen vergunninghouder van een AGP het volgende toestaan.

Een vergunninghouder van een AGP die beschikt over een vaste locatie van zijn AGP in het havengebied waarin de boei is gelegen kan verzoeken om een nauwkeurig omschreven boei met het in de directe omgeving van die boei gelegen water samen met een aan die boei gelegen schip dan wel bepaalde compartimenten van het schip, waarin het mengen op de boei plaatsvindt, als onderdeel van zijn AGP aan te merken. De combinatie van boei en schip (dan wel de vorenbedoelde compartimenten van het schip) maakt alsdan onderdeel uit van (de locatie van) zijn AGP, met dien verstande dat dit slechts geldt gedurende de tijd dat het mengen plaatsvindt in het aan de boei gelegen schip. Alle uit de vergunning voor zijn AGP voortvloeiende rechten en verplichtingen gelden onverkort voor de tijdelijk als onderdeel van zijn AGP aangemerkte combinatie van boei en schip.

Een bepaalde boei kan door verschillende vergunninghouders van een AGP worden gebruikt, mits zij beschikken over vorenbedoelde toestemming van de inspecteur. Een aan de boei gelegen schip waarin het mengen plaatsvindt kan slechts onderdeel uitmaken van één AGP.

Op de toestemming zijn de hierna genoemde voorwaarden van toepassing. Bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan wordt de verleende toestemming ingetrokken.

De toestemming wordt opgenomen in de vergunning van de houder van de AGP. De toestemming is alleen van toepassing op de minerale oliën die in de vergunning zijn vermeld.

Voor het verlenen van de toestemming aan een vergunninghouder van een AGP gelden de volgende voorwaarden:

Indien nodig kan de inspecteur nog nadere voorwaarden stellen aan het toezicht op de naleving van bovengenoemde voorwaarden.

3.4

(Vervallen per 01-01-2025)

3.5. Minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen in normale brandstofreservoirs

Met ingang van 1 januari 2013 is het tariefonderscheid tussen hoogbelaste en laagbelaste halfzware olie en gasolie afgeschaft. De verplichting om laagbelaste halfzware olie en gasolie te voorzien van herkenningsmiddelen is daarom vervallen. De verplichting om minerale oliën te voorzien van herkenningsmiddelen blijft alleen bestaan voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de aandrijving van schepen, andere dan pleziervaartuigen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.