Regeling van het College voor toetsen en examens van 10 maart 2025, nummer CvTE-25.00532, houdende vaststelling van het beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen in het primair onderwijs voor Caribisch Nederland (Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen PO BES)

Type ZBO-regeling
Publication 2025-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens;

Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 28 maart 2025, nummer 51401875,

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt.

Artikel 1. Beoordelingskader

Het beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens wordt vastgesteld als opgenomen in de bijlage van deze regeling.

Artikel 2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt.

Artikel 3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen PO BES.

Bijlage 1. Beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijs volgsystemen voor primair onderwijs op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES)

Bijlage behorende bij artikel 1 van de Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen PO BES.

1. Inleiding

1.1. Begrippen en definities

1.2. Reikwijdte

Scholen zijn ingevolge respectievelijk artikel 51a en 51b van de Wet primair onderwijs BES verplicht om in ieder geval gebruik te maken van door het CvTE erkende toetsen verbonden aan het LVS. Voor scholen op Saba en Sint Eustatius geldt die verplichting voor de terreinen Rekenen, Engels en Nederlands. Voor de scholen op Bonaire geldt de verplichting voor Rekenen, Papiamentu en Nederlands. Dit beoordelingskader is daarnaast ook toepasbaar op LVS-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar voor de niet wettelijk verplichte terreinen. Scholen mogen ook LVS-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar inzetten die niet door het CvTE goedgekeurd zijn voor de wettelijk verplichte terreinen, mits zij daarnaast ook door het CvTE erkende LVS-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar gebruiken. Verder staat het scholen vrij om LVS-instrumenten van verschillende toetsaanbieders te combineren. Toetsaanbieders kunnen ook onderdelen van een LVS door het CvTE laten beoordelen. Het onderhavige beoordelingskader biedt criteria voor de kwaliteit van de toetsen behorende tot het LVS. Aanbieders van een LVS voor (ook) de eerste twee leerjaren kunnen hun instrument eveneens door het CvTE laten beoordelen.

In dit beoordelingskader wordt een onderscheid gemaakt in vier typen instrumenten die kunnen worden ingezet om de leerling te volgen:

Het CvTE beoordeelt alleen leerlingvolgsystemen die worden gebruikt in het onderwijs. Daar vallen dus geen screeningsinstrumenten onder die worden afgenomen bij individuele leerlingen om diagnoses te kunnen stellen door een zorgaanbieder.

1.3. Is er sprake van een leerlingvolgsysteem?

Een LVS bestaat uit observatie- en registratie instrumenten die in vier typen worden onderscheiden.

1.3.1. Observatie- en registratie-instrumenten – type (I) en (II)

De aanvraag voor erkenning van observatie- en registratie-instrument type (I) en (II) bevat de volgende kenmerken en bescheiden:

Alvorens het CvTE een aanvraag in behandeling neemt, moet de aanvrager de navolgende gegevens en bescheiden verstrekken:

Let op: bovenstaande opsomming is niet uitputtend en een indicatie voor de aan te leveren documentatie. Met het invullen van de leeswijzer maakt een aanbieder helder in welke documentatie de kwaliteitscriteria precies worden verantwoord. Ook wanneer een aanbieder een kwaliteitscriterium niet van toepassing acht, moet in de verantwoordingsdocumenten duidelijk worden waarom een aanbieder dit kwaliteitscriterium niet van toepassing acht en moet de leeswijzer hiernaar verwijzen.

Als de aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager in gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Als de aanvrager niet alsnog de informatie verstrekt die noodzakelijk is voor het behandelen van diens aanvraag, kan het CvTE besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.

1.3.1.1. Aanvullende voorwaarden voor observatie- en registratie-instrumenten groep 1-2 – type (I)

Verder gelden als aanvullende voorwaarden voor observatie- en registratie-instrumenten voor leerlingen in de eerste twee leerjaren (type I):

1.3.2. Kenmerken LVS-instrumenten – type (III) en (IV)

De aanvraag voor erkenning van LVS-instrument type (III) of (IV) bevat de volgende gegevens en bescheiden:

Aanvullend dient voor een LVS-instrument van het type (III) het aangeleverde informatiepakket eveneens te bestaan uit:

Let op: bovenstaande opsomming is niet uitputtend en een indicatie voor de aan te leveren documentatie. Met het invullen van de leeswijzer maakt een aanbieder helder in welke documentatie de kwaliteitscriteria precies worden verantwoord. Ook wanneer een aanbieder een kwaliteitscriterium niet van toepassing acht, moet in de verantwoordingsdocumenten duidelijk worden waarom een aanbieder dit kwaliteitscriterium niet van toepassing acht en moet de leeswijzer hiernaar verwijzen.

Als de aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager in gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Als de aanvrager niet alsnog de informatie verstrekt die noodzakelijk is voor het behandelen van diens aanvraag, kan het CvTE besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.

1.4. Algemene criteria

Op basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, Toetsbesluit PO geeft het CvTE een oordeel over de volgende algemene criteria van observatie- en registratie-instrumenten en toetsinstrumenten: inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering. In paragraaf 1.4.1 en 1.4.2 worden deze algemene criteria voor observatie- en registratie-instrumenten en LVS-instrumenten toegelicht.

1.4.1. Oordeel observatie- en registratie-instrumenten – type (I) en (II)

Conform het Toetsbesluit PO worden bij het kwaliteitsoordeel over observatie- en registratie-instrumenten (type I en II) in ieder geval betrokken:

In paragraaf 1.5 wordt uiteengezet hoe deze criteria worden geoperationaliseerd.

1.4.2. Oordeel LVS-instrumenten – type (III) en (IV)

Bij het kwaliteitsoordeel over LVS-instrumenten (type III en IV) worden in ieder geval betrokken:

In de paragraaf 1.5 wordt uiteengezet hoe deze criteria worden geoperationaliseerd.

1.5. Operationalisering in onderwijskundige, psychometrische en organisatorische aspecten

De voorgaande algemene criteria uit paragraaf 1.4 zijn in dit beoordelingskader in de onderstaande tabellen per type instrument gespecificeerd naar de voor dat type instrument geldende kwaliteitseisen voor onderwijskundige aspecten (kwaliteitseisen O.I.1 t/m O.VI.5 in hoofdstuk 2), psychometrische aspecten (kwaliteitseisen P.I.1 t/m P.VIII.3 in hoofdstuk 3) en organisatorische aspecten (kwaliteitseisen B.I.1 t/m B.I.7 in hoofdstuk 4).

De onderwijskundige aspecten richten zich op de inhoudsvaliditeit en de eerdergenoemde punten b) en c) in de paragrafen 1.4.1 en 1.4.2. De psychometrische aspecten richten zich op de in paragraaf 3.1 genoemde betrouwbaarheid en deugdelijke normering en het eerdergenoemde punt a) in de paragrafen 1.4.1 en 1.4.2. De organisatorische aspecten richten zich op de criteria voor veilig toetsen.

Per kwaliteitseis is per type instrument met zwarte balletjes aangegeven wanneer de eis altijd beantwoord en beoordeeld moet worden. Doorzichtige balletjes betekenen dat de kwaliteitseis ook niet van toepassing kan zijn. Wanneer dat geldt, wordt beschreven bij de kwaliteitseisen in de betreffende paragrafen. Voor wat betreft de psychometrische kwaliteitseisen voor instrument type II heeft de aanbieder de keuzemogelijkheid om de psychometrische kwaliteitseisen voor instrument type I te volgen, de psychometrische kwaliteitseisen voor instrument type III en IV te volgen, of om een combinatie van de psychometrische kwaliteitseisen voor instrument type I en voor instrument type III en IV te volgen. Welke combinaties mogelijk zijn, wordt eveneens in onderstaande tabellen aangegeven.

1.6. Wijze van beoordelen

De aanbieder kan het observatie- en registratie-instrument voor het volgen van de leerling indienen bij het CvTE. Een adviseur heeft de taak om het CvTE te adviseren over de onderwijskundige, psychometrische en organisatorische aspecten van de LVS-instrumenten en de observatie- en registratie-instrumenten. De procedure voor het beoordelen van de instrumenten en het bijbehorende tijdpad zijn gepubliceerd op de website van het CvTE.

1.6.1. Beslisregel om te komen tot een kwaliteitsoordeel

De onderwijskundige aspecten, psychometrische aspecten en organisatorische aspecten uit paragraaf 1.5 zijn alle drie geconcretiseerd in kwaliteitseisen in vraagvorm inclusief bijbehorende codes. De vragen van de separate kwaliteitseisen zijn te beantwoorden met ‘ja’, ‘nee’ of soms met ‘niet van toepassing’. De beslisregel is als volgt: Om een aspect met een voldoende te kunnen afsluiten, dienen alle vragen van de kwaliteitseisen van het betreffende aspect met ‘ja’ of ‘niet van toepassing’ te worden beantwoord.

Op basis van de beslisregels worden de drie aspecten uit paragraaf 1.5 separaat gescoord met:

Bij ‘onvoldoende’ geeft het CvTE aan welke kwaliteitseisen per aspect nog niet voldoende zijn.

Ingevolge artikel 3a, derde lid, Wet CvTE besluit het College binnen 15 weken.

1.7. Initiële beoordeling en tussentijdse check

1.7.1. Initiële beoordeling

De initiële beoordeling door het CvTE is een uitgebreide beoordeling van de onderwijskundige, psychometrische en organisatorische aspecten van het instrument. De erkenning van de toetsen is vanaf de datum van afgifte tien jaar geldig.

1.7.2. Tussentijdse check

De erkenning door het CvTE van een LVS-instrument is tien jaar geldig. In tien jaar kunnen er echter veel ontwikkelingen plaatsvinden die de kwaliteit van een LVS-instrument beïnvloeden. Daarom vinden er één of meerdere tussentijdse checks plaats. De aanbieder is gehouden de informatie aan het CvTE te verstrekken die het nodig heeft om een tussentijdse check uit te voeren.

Een tussentijdse check kan resulteren in het oordeel 'voldoende of 'onvoldoende’. Bij een oordeel 'onvoldoende' volgt intrekking van de erkenning.

De volgende drie scenario’s omschrijven de noodzakelijkheid voor een tussentijdse check:

Voor een instrument dat in tien jaar niet is gewijzigd, vindt vijf jaar na het afgeven van een kwaliteitsoordeel een tussentijdse check plaats. De aanbieder wordt hierbij gevraagd om aan te tonen dat het instrument nog steeds aan alle kwaliteitseisen uit het kader voldoet. Dit houdt in dat het instrument aansluit bij de actuele eisen en standaarden, en dat de items, observatiecategorieën en normering nog steeds actueel en passend zijn.

De volgende drie vragen dienen als leidraad voor de verantwoording van de beoordelingscriteria tijdens de tussentijdse check:

Indien nodig wordt voor een tussentijdse check zonder wijzigingen in de toelichtingen van bepaalde eisen aanvullende informatie gegeven.

Als de inhoud van de toets periodiek wezenlijk verandert en dit in de verantwoording beschreven staat, maakt het CvTE bij de initiële beoordeling met de aanbieder afspraken over de frequentie en omvang van tussentijdse checks. Dit zou bijvoorbeeld bij jaarlijkse verversing van items in een itembank het geval kunnen zijn.

Als er incidenteel fundamentele wijzigingen worden voorzien, zoals het vervangen van enkele items, het wijzigen van de afnamevorm (digitaal in plaats van papier) of het wijzigen van de normering (bijvoorbeeld het type normering of een wijziging van de schaal) meldt de aanbieder dit bij het CvTE. Over de relevantie en impact van de veranderingen en de noodzaak van een tussentijdse check, vindt overleg plaats tussen het CvTE en de aanbieder. Afhankelijk van de wijzigingen vindt er al dan niet een extra tussentijdse check plaats of dient de aanbieder de instrumenten (deels) opnieuw in.

2. Onderwijskundige aspecten

2.1. Inleiding

De beoordeling van de onderwijskundige aspecten van een LVS-instrument richt zich op de in paragraaf 1.4 genoemde inhoudsvaliditeit.

De kwaliteitseisen onderwijskundige aspecten voor observatie- en registratie-instrumenten type (I) en (II) zijn te vinden in de paragrafen 2.2.1 en 2.2.2. De kwaliteitseisen onderwijskundige aspecten voor LVS-instrumenten type (III) en (IV) zijn te vinden in de paragrafen 2.3.1 tot en met 2.3.4.

2.2. Kwaliteitseisen onderwijskundige aspecten observatie- en registratie-instrumenten – type (I) en (II)

2.2.1. Uitgangspunten van de constructie

Deze paragraaf beschrijft de kwaliteitseisen voor de uitgangspunten van de constructie van het observatie- en registratie-instrument, met specifieke aandacht voor de kwaliteitseis inhoudsvaliditeit.

Toelichting bij O.I.1:

De aanbieder beschrijft ten minste op passende, gedegen en complete wijze zijn visie op de ontwikkeling van het kind en geeft hiervoor een deugdelijke onderbouwing, indien nodig inclusief leeswijzer, bijvoorbeeld door middel van referenties naar de actuele pedagogische en/of psychologische wetenschappelijke literatuur.

Toelichting bij O.I.2:

Met de actuele inhoudelijke verantwoording is er sprake van een (kwalitatieve) verantwoording van de representativiteit van de ontwikkelingsdoelen voor de onderbouwde theorie (in voorkomend geval inhoud) van het instrument. Daarmee wordt voldaan aan de eis voor inhoudsvaliditeit, zijnde de eigenschap dat de operationalisering van de inhoud van het instrument een representatieve weergave is van de te observeren en te volgen ontwikkeling van het kind.

Toelichting bij O.I.3:

Indien de ontwikkelingsdoelen in het instrument zijn verbijzonderd in inhoudelijk bijpassende indicatoren (in voorkomend geval observatie-categorieën) van observeerbare (gedrags)kenmerken, wordt er een actuele gedegen en gedetailleerde onderbouwing van het ontwikkelingsverloop van de ontwikkelingsdoelen en eventuele tussentijdse mijlpalen gegeven.

Als voorbeeld: er is een actuele gedegen en gedetailleerde beschrijving van het ontwikkelingsverloop van Papiamentu, met een verbijzondering in het domein Mondelinge taalvaardigheid. De inhoud van dit domein wordt gedegen en in detail beschreven in bijvoorbeeld de mijlpalen Gesprekken voeren. De mijlpalen worden daarbij geoperationaliseerd in indicatoren van observeerbare (gedrags)kenmerken (bijvoorbeeld: de leerling begrijpt dat lezen van links naar rechts gaat) op basis waarvan de leerkracht zijn of haar observaties over een zelf gekozen dan wel over een door het instrument voorgeschreven periode kan registreren in het instrument. Ter inspiratie kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de inhoudskaarten met aanbodsdoelen voor het jonge kind van Expertisecentrum SLO.

Toelichting bij O.I.4:

Indien de ontwikkelingsdoelen in het instrument zijn verbijzonderd in inhoudelijk bijpassende indicatoren van observeerbare (gedrags)kenmerken, voldoet de formulering van deze indicatoren aan de kwaliteitscriteria voor observatie-categorieën: relevantie, objectiviteit, efficiëntie, specificiteit en neutraliteit, een en ander zoals gespecificeerd in de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven.

Toelichting bij O.I.5:

De definitie van de doelgroep van het instrument betreft het noemen van de leerjaren waarin het instrument ingezet kan worden. Indien van toepassing dient de aanbieder in aanvulling hierop aan te geven in welke bijzondere situaties(s) en/of bij welke individuele ondersteuningsbehoeften van een leerling het instrument niet geschikt is.

Toelichting O.I.6:

Er is in de verantwoording aangegeven dat het gebruiksdoel het observeren, registreren en, indien van toepassing, signaleren van de individuele ontwikkeling van het (jonge) kind betreft, zoals gedefinieerd in de doelgroep en een en ander conform de in hoofdstuk 1 genoemde bepalingen.

2.2.2. Inzicht in de individuele ontwikkeling

Deze paragraaf beschrijft de kwaliteitseisen betreffende het inzicht in de individuele ontwikkeling, met specifieke aandacht voor de kwaliteitseisen signaleringsfunctie en/of volgaspect.

Toelichting O.II.1:

Er is bij een volgaspect altijd sprake van een aantal (twee of meer) verschillende observatiemomenten op hetzelfde construct; de afnamemomenten kunnen daarbij vast of variabel zijn.

Toelichting O.II.2:

Indien de ontwikkelingsdoelen in het instrument zijn verbijzonderd in inhoudelijk bijpassende indicatoren van observeerbare (gedrags-)kenmerken, bevat het rapport per leerling per registratiemoment de wel (en nog niet of niet langer) bij hem of haar door de leerkracht geobserveerde indicatoren van de verbijzonderde ontwikkelingsdoelen. Het betreft hier een neutrale registratie van de observatie, zonder waardeoordeel. Zo geeft het rapport een overzichtelijk beeld van de individuele ontwikkeling in de tijd zowel op de verschillende ontwikkelingsdoelen afzonderlijk als in samenhang met elkaar voor wat betreft de ontwikkelingsdoelen per construct, waarbij geen sprake is van een relatieve normering van de individuele leerling. Het rapport maakt het op deze manier voor de leerkracht mogelijk om observaties van een leerling op verschillende momenten en in verschillende situaties met elkaar te kunnen vergelijken. Daarmee heeft het instrument tevens een signaleringsfunctie in de zin dat het instrument de eigen ontwikkeling van de individuele leerling weergeeft.

Toelichting O.II.3:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.