Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 april 2025, nr. WJZ/ 98207028, tot vaststelling van voorwaarden van afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele systemen (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele objecten)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-04-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3.22, tweede lid, van de Telecommunicatiewet en de artikelen 1.3, eerste lid, 1.4, tweede lid en 2.3, tweede lid, van het Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Vrijstelling

Afwijkend gebruik van de frequentieruimte dat voldoet aan de artikelen 3 tot en met 10 is vrijgesteld van de bij of krachtens hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet gestelde verplichtingen.

Hoofdstuk 2. Eisen aan inzet afwijkend gebruik van de frequentieruimte

Artikel 3. Eisen aan en registratie van radiointerventiemiddel
1.

Het radiointerventiemiddel voldoet aan de volgende eisen:

2.

De verantwoordelijke:

3.

De registratie van de radiointerventiemiddelen omvat de volgende gegevens:

Artikel 4. Registratie vervoer en opslag radiointerventiemiddelen
1.

De eenheid houdt van het radiointerventiemiddel een eigen administratie bij ten aanzien van vervoer en opslag.

2.

Voor zover het niet-ingebouwde apparatuur betreft wordt deze opgeslagen op een door de verantwoordelijke aangewezen locatie of locaties.

3.

De eenheid geeft ten behoeve van toezichtsdoeleinden toegang tot de locatie, genoemd in het tweede lid, aan de minister.

Artikel 5. Kennis ambtenaar
1.

De ambtenaar die een radiointerventiemiddel zal configureren of inzetten, heeft:

2.

De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderhoudt de in het eerste lid bedoelde kennis en volgt daartoe de benodigde opleiding, en wordt elke twee jaar, na het behalen van het examen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, getoetst op alle onderdelen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6. Registratie aangewezen ambtenaren
1.

Ambtenaren die zijn aangewezen door de verantwoordelijke om radiointerventiemiddelen in te zetten, worden geregistreerd. Hierbij worden de volgende gegevens vastgelegd:

2.

De verantwoordelijke draagt zorg voor de registratie, bedoeld in het eerste lid en houdt deze registratie toegankelijk voor de minister.

Hoofdstuk 3. Voorwaarden aan mogelijke en daadwerkelijke inzet

Artikel 7. Impactanalyse
1.

De verantwoordelijke voor de inzet draagt er zorg voor dat een impactanalyse plaatsvindt van het afwijkend gebruik van de frequentieruimte op andere bij het frequentiegebruik betrokkenen en stelt deze betrokkenen voorafgaand aan de inzet op de hoogte van de voorgenomen inzet, voor zover nationale veiligheid of operationele belangen zich daar niet tegen verzetten.

2.

De impactanalyse omvat per voorgenomen inzet de volgende elementen:

3.

Betrokkenen zijn:

Artikel 8. Opstellen procedures en instructies
1.

De verantwoordelijke stelt procedures en instructies op waarin beschreven wordt hoe het radiointerventiemiddel zal worden ingezet.

2.

In deze procedures en instructies komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde:

3.

De verantwoordelijke informeert de minister jaarlijks over deze procedures en instructies.

Artikel 9. Melding aan de minister voorafgaand aan geplande inzet
1.

Een geplande inzet van afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt door de verantwoordelijke voorafgaand gemeld aan de minister, vergezeld van de gemaakte impactanalyse.

2.

De melding omvat ten minste de volgende gegevens:

3.

Indien het radiointerventiemiddel na de melding in gebruik is geweest, registreert de eenheid de volgende gegevens:

4.

Deze administratie wordt in ieder geval bewaard tot een jaar na de datum van inzet.

5.

Indien het gebruik niet overeenstemde met de melding, bedoeld in het tweede lid, meldt de verantwoordelijke aan de minister welke afwijkingen hebben plaatsgevonden.

Artikel 10. Melding na onmiddellijke inzet
1.

Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing in het geval van een dreiging waarbij onmiddellijk handelen is vereist. In dat geval wordt zo spoedig mogelijk na de inzet aan de minister gemeld:

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, wordt binnen 24 uur na de daadwerkelijke inzet aan de minister gemeld:

3.

Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11. Jaarlijkse evaluatie
1.

De minister evalueert jaarlijks met de relevante betrokkenen op vertrouwelijke wijze de organisatorische elementen van de inzet en de wijze van informatiedeling omtrent de inzet van het afwijkend gebruik van de frequentieruimte. De relevante betrokkenen zijn in ieder geval die partijen die genoemd zijn in de gemaakte impactanalyses uit het betreffende jaar, waarbij de inzet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.

De evaluatie vindt voor het eerst plaats één jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop het Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte in werking treedt.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele objecten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.