Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 mei 2025, nr. WJZ/ 97895810, houdende regels inzake de vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek (Regeling vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 10, tweede en derde lid, 12a, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 14, tweede lid, 14a, tweede en vierde lid, 15a, tweede en vierde lid, 24, derde en vierde lid, en 25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Een aanvraag voor een vergunning voor de kavel wordt ingediend in de periode van 16 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025, 17:00 uur.

2.

Een aanvrager dient ten hoogste één aanvraag in.

3.

Voor de toepassing van het tweede lid gelden rechtspersonen en vennootschappen in een groep of groepsmaatschappij als één aanvrager.

4.

Indien aanvragers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag in.

Artikel 3
1.

Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, van de wet, omvat ten minste:

2.

Bij de berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie zijn de beschikbaarheid, zogeffecten, elektriciteitsverliezen en terugregelverliezen opgenomen, waarbij voor het zogeffect uitsluitend rekening wordt gehouden met het windpark waarvoor de aanvraag wordt gedaan.

3.

In het tijdschema voor de bouw en exploitatie van het windpark, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel b, van de wet worden de realisatiedata vermeld van de volgende activiteiten:

4.

De raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet, omvat in ieder geval een exploitatieberekening met:

5.

Tot de bij de bouw en exploitatie van het windpark betrokken partijen, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel d, van de wet, worden gerekend:

6.

De beschrijving van de kennis en ervaring van de betrokken partijen, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel e, van de wet, betreft de kennis en ervaring bij windparken op zee en omvat:

Artikel 4

In aanvulling op artikel 12a, vierde lid, van de wet en artikel 3 bevat de aanvraag:

Artikel 5

De periode bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedraagt 52 maanden nadat de vergunning onherroepelijk is geworden.

Artikel 6
1.

Bij de beoordeling van de technische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met:

2.

Bij de beoordeling van de financiële haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet en de gegevens, bedoeld in artikel 4, onderdelen c, d, e en f. De gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de aanvrager, bedraagt ten minste 20% van de totale investeringskosten voor het windpark waarop de aanvraag betrekking heeft.

3.

Op verzoek van de aanvrager wordt voor het bepalen van de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen, zoals bedoeld in het tweede lid, meegerekend:

4.

Bij de beoordeling van de aannemelijkheid dat de bouw en exploitatie van een windpark gestart kan worden binnen 53 maanden na de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden, wordt in ieder geval rekening gehouden met:

5.

Bij de beoordeling van de economische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet.

Artikel 7
1.

De verlening van een vergunning geschiedt met de toepassing van de procedure van een vergelijkende toets met financieel bod.

2.

In aanvulling op artikel 25b, tweede lid, van de wet betrekt de minister bij de rangschikking de criteria:

Artikel 8
1.

De onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, genoemd in artikel 25b, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de wet en artikel 7, eerste en tweede lid, onderdelen a, b en c, vindt plaats overeenkomstig de waardering in punten zoals opgenomen in de bijlage waarbij een hoger aantal punten leidt tot een hogere rangschikking.

2.

Als bij de rangschikking van de aanvragen volgens de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, zwaarder dan de criteria, genoemd in artikel 25b, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de wet en artikel 7, tweede lid, onderdelen a, en b, gezamenlijk.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.