Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juni 2025, kenmerk 4136017-1084380-MEVA, houdende regels voor de verstrekking van subsidie ter ondersteuning van samenwerkingsverbanden bij het inrichten van een vernieuwde opleidingsstructuur voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen (Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen) [KetenID WGK027676]
Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AGB-code: Algemene Gegevens Beheer-code zoals geregistreerd in het AGB-register dat wordt beheerd door Vektis;
- de-minimisverordening: Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
- DAEB: dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- DAEB de-minimisverordening: Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen;
- erkend leerbedrijf: bedrijf of organisatie die bevoegd is om beroepspraktijkvorming te verzorgen, als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een erkenning heeft als bedoeld in artikel 1.5.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- helpende: helpende zorg en welzijn als bedoeld in artikel 3 en bijlage 1 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016;
- GGD: een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- Kamer van Koophandel: Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel;
- minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- onderwijsinstelling:
- a. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of
- b. instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- opleiding:
- a. beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of
- b. opleiding als bedoeld in artikel 7.3a of 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- opleidingsstructuur: onderlinge samenwerking tussen zorgaanbieders en eventueel welzijnsaanbieders en ten minste een onderwijsinstellinggericht op het organiseren van een netwerk voor het opleiden van helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen;
- toelatingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders;
- verpleegkundige: verpleegkundige als bedoeld in artikel 2 van het Besluit opleidingseisen verpleegkundige 2011;
- verzorgende: verzorgende als bedoeld in artikel 1 van het Besluit verzorgende in de individuele gezondheidszorg;
- welzijn:
- a. een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- b. jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- c. publieke gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, onder c, onder d en onder da, van de Wet publieke gezondheid;
- welzijnsaanbieder: rechtspersoon die bedrijfsmatig welzijn verleent;
- zorg:
- a. zorg die wordt bekostigd op grond van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet;
- b. zorg en overige diensten als bedoeld in artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg;
- zorgaanbieder: rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent.
Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling
Op deze regeling is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van artikel 10.1.
De subsidie is een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c of d, van de Kaderregeling.
Artikel 3. Doel van de regeling
Deze regeling heeft als doel het stimuleren van activiteiten ten behoeve van de totstandkoming van vernieuwde opleidingsstructuren die bijdragen aan het vergroten van de opleidingscapaciteit voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen en die passen bij de regionale arbeidsmarktopgave.
Artikel 4. Voorwaarden samenwerkingsverband en penvoerder
Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één onderwijsinstelling die een opleiding verzorgt, blijkens de Registratie instellingen en opleidingen, en
- a. twee zorgaanbieders, of één zorgaanbieder en één welzijnsaanbieder; of
- b. één GGD en één zorg- of welzijnsaanbieder.
De penvoerder is een zorg- of welzijnsaanbieder binnen het samenwerkingsverband.
De penvoerder treedt op als subsidieaanvrager namens een samenwerkingsverband en is verantwoordelijk voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Subsidie kan enkel worden verstrekt indien de penvoerder en ten minste een andere zorg- of welzijnsaanbieder beschikt over een toelatingsvergunning en AGB-code.
In afwijking van het eerste en vierde lid, kan subsidie worden verstrekt indien naar het oordeel van de minister op de in artikel 11, zesde lid, aangegeven wijze is aangetoond dat het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee zorgaanbieders of één welzijnsaanbieder en één zorgaanbieder, waaronder de penvoerder.
Indien de penvoerder mbo-leerlingen begeleidt, kan subsidie enkel worden verstrekt indien het een erkend leerbedrijf betreft.
Artikel 5. Subsidiabele activiteiten
De minister kan op aanvraag aan een penvoerder subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van het doel van de regeling en betreffen:
- a. het organiseren en het voeren van overleg en het schrijven van een breed gedragen plan om tot een vernieuwde opleidingsstructuur te komen;
- b. het inrichten van een vernieuwde opleidingsstructuur.
De activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, dient uiterlijk 31 december 2026 te zijn afgerond.
De activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, dient uiterlijk 24 maanden na de datum van de verleningsbeschikking te zijn afgerond.
Een aanvrager kan niet gelijktijdig subsidie aanvragen voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 6. Staatssteun
De activiteit, zoals genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, wordt aangewezen als een DAEB.
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de penvoerder met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat hem belast met en hij zich verplicht tot het verrichten van de DAEB, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7. Hoogte van de subsidie
De subsidie voor de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, bedraagt:
- a. € 13.000 per deelnemer in het samenwerkingsverband tot een maximum van € 78.000; en
- b. een vast bedrag van € 22.500 per samenwerkingsverband.
De subsidie voor de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, bedraagt per aanvraag minimaal € 125.000 en maximaal € 750.000.
Artikel 8. Subsidiabele kosten voor activiteit artikel 5, eerste lid, onder b
Het subsidiabele bedrag bestaat voor ten hoogste 40% uit andere kosten dan personele kosten.
Personele kosten zijn subsidiabel tot ten hoogste de uurtarieven zoals opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend.
De kosten voor begeleiding van helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen komen niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 9. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Het subsidieplafond bedraagt:
- a. voor het jaar 2025 € 35 miljoen;
- b. voor het jaar 2026 € 20 miljoen.
De minister verdeelt het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen, met dien verstande dat wanneer de penvoerder krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst geldt.
Artikel 10. Activiteitenplan voor activiteit artikel 5, eerste lid, onder b
In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, vermeldt de penvoerder voor de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, in het activiteitenplan:
- a. een beschrijving van de wijze waarop het activiteitenplan aansluit bij een of meerdere regiobeelden of regioplannen;
- b. een beschrijving van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband;
- c. een beschrijving van de acties die het samenwerkingsverband onderneemt om de met de subsidie beoogde veranderingen duurzaam te verankeren;
- d. een beschrijving van de fases en mijlpalen van de activiteit; en
- e. een beschrijving van de mogelijke risico’s die de uitvoering kunnen belemmeren en de genomen beheersmaatregelen.
Artikel 11. Aanvraag tot subsidieverlening
De subsidieaanvraag voor de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, kan worden ingediend in de periode van 18 augustus 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 13.00 uur.
De subsidieaanvraag voor de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, kan worden ingediend in de periode:
- a. van 18 augustus 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 13.00 uur;
- b. van 2 maart 2026 9.00 uur tot en met 27 maart 2026 13.00 uur; of
- c. van 31 augustus 2026 9.00 uur tot en met 28 september 2026 13.00 uur.
In aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling gaat de aanvraag vergezeld van:
- a. een opgave van het nummer waarmee de penvoerder en de andere zorg- of welzijnsaanbieder geregistreerd zijn bij de Kamer van Koophandel; en
- b. een samenwerkingsovereenkomst ondertekend door alle deelnemers in het samenwerkingsverband.
Indien sprake is van de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, gaat de aanvraag in aanvulling op het derde lid vergezeld van een verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening.
Indien sprake is van de activiteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, gaat de aanvraag in aanvulling op het derde lid vergezeld van:
- a. een door de minister vastgestelde ondertekende overeenkomst voor het vestigen van een DAEB als bedoeld in artikel 7, tweede lid; en
- b. een verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de DAEB de-minimisverordening.
Indien de penvoerder of de andere zorg- of welzijnsaanbieder niet beschikt over een toelatingsvergunning en AGB-code, bedoeld in artikel 4, vierde lid, dan dient de aanvraag vergezeld te gaan van:
- a. een contract tussen de financier en de betreffende zorg- of welzijnsaanbieder waaruit blijkt dat er in het jaar van de aanvraag zorg is of wordt ingekocht bij deze zorg- of welzijnsaanbieder in combinatie met factuur en betalingsbewijs in de vorm van een bankafschrift waaruit blijkt dat prestaties in het jaar van de aanvraag of het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zijn geleverd; of
- b. een schriftelijke verklaring van de financier aan de betreffende zorg- of welzijnsaanbieder in combinatie met een factuur en betalingsbewijs in de vorm van een bankafschrift waaruit blijkt dat prestaties in het jaar van de aanvraag of het jaar voorafgaand aan de aanvraag, zijn geleverd.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.