Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 juni 2025, nr. MBO/[52787847], houdende regels voor de subsidieverstrekking voor Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden
Gelet op artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- Ervaringsdeskundige: persoon die zelf laagopgeleid of laaggeletterd is of is geweest en vanuit praktijkervaring advies kan leveren;
- Instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of 1.4.1 van de WEB of artikel 1.1.1 of 1.4.1 van de WEB BES, instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de WHW of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- Kandidaat: laagopgeleide of laaggeletterde die deelneemt aan de activiteiten als bedoeld in artikel 3, onderdeel b;
- LLO: Leven Lang Ontwikkelen;
- Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- Opleider:
- a. publieke opleider, zijnde een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEBof de WEB BES of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
- b. private opleider formeel onderwijs, zijnde een andere dan een in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES bedoelde instelling die op grond van artikel 1.4.1 van de WEB of de WEB BES bevoegd is een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB of artikel 7.4.8 van de WEB BES af te geven voor het met goed gevolg afleggen van het examen van ten minste één beroepsopleiding, of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;
- penvoerder: penvoerder als bedoeld in artikel 6;
- project: subsidiabele activiteiten uitgevoerd door een samenwerkingsverband in één regio in het Europese deel van Nederland of op een eiland in Caribisch Nederland als bedoeld in artikel 3 tezamen;
- regio: regio als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de WEB of een eiland in Caribisch Nederland;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 7;
- WEB BES: Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
- werkgeversorganisatie: brancheorganisatie, een ondernemersvereniging, een regionale afdeling van MKB Nederland of VNO-NCW;
- Werknemersorganisatie: vereniging of ander type organisatie met als doel de belangen van werknemers te behartigen;
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.
Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten
De minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van de volgende cumulatieve activiteiten in een project door een samenwerkingsverband:
- a. het ontwikkelen van onderwijsaanbod dat aansluit bij de leerwensen van de kandidaten, op maat gemaakt en gericht op duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het verbinden van basisvaardigheden en vakvaardigheden;
- b. het verzorgen van het onderwijs, bedoeld in onderdeel a, inclusief begeleiding, voor ten minste 200 kandidaten per regio in het Europese deel van Nederland en voor ten minste 15 kandidaten in Caribisch Nederland.
- c. werkzaamheden in het kader van projectmanagement, samenwerking en kennisdeling met regionale en landelijke instelling-, werkgevers- en werknemersorganisaties, en
- d. werkzaamheden om de activiteiten, bedoeld in onderdelen a en b, voort te kunnen zetten na afloop van de subsidieperiode, bedoeld in het tweede lid.
De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, starten vanaf 1 januari 2026 en worden uiterlijk op 31 december 2027 afgerond.
De minister kan de periode waarin de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht met negen maanden verlengen bij onvoorziene omstandigheden in de uitvoering van de activiteiten. De activiteiten worden bij toepassing van de mogelijkheid tot verlenging uiterlijk op 30 september 2028 voltooid.
Artikel 4. Hoogte subsidiebedrag
Per project in het Europese deel van Nederland is een bedrag van ten minste € 125.000,– en ten hoogste € 2.200.000,– beschikbaar.
Per project in Caribisch Nederland is een bedrag van ten minste € 125.000,– en ten hoogste € 500.000,– beschikbaar.
Artikel 5. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is een bedrag van ten hoogste € 40.000.000,– beschikbaar.
Artikel 6. Penvoerder
Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een penvoerder, niet-zijnde een gemeente, een provincie of een openbaar lichaam, namens een samenwerkingsverband.
Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.
Artikel 7. Samenstelling samenwerkingsverband
Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit:
- a. een opleider;
- b. een overheidsorganisatie; en
- c. een werkgeversorganisatie.
Artikel 8. Aanvraag subsidie
De subsidieaanvraag kan worden ingediend van 15 september 2025 13.00 uur CET tot en met vrijdag 31 oktober 13 uur CET.
Aanvragen die buiten de in het eerste lid genoemde periode worden ingediend, worden afgewezen.
Een aanvraag wordt afgewezen indien uit de begroting blijkt dat het aangevraagde bedrag onder de € 125.000,– is.
Per samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag worden ingediend. Eventuele tweede of opvolgende aanvragen voor hetzelfde samenwerkingsverband worden afgewezen.
Artikel 9. In te dienen documenten
Een subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe is bekendgemaakt op de website van DUS-I.
Onverminderd artikel 3.3 van de Kaderregeling bevat de aanvraag de volgende documenten:
- a. een visiedocument als bedoeld in artikel 10;
- b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 11;
- c. een begroting als bedoeld in artikel 12;
- d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 13;
- e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.
Artikel 10. Visiedocument
In het visiedocument beschrijft de aanvrager:
- a. de ambitie van het samenwerkingsverband ten aanzien van LLO voor laaggeletterden en laagopgeleiden;
- b. de strategie ten aanzien van het bereiken en de begeleiding van de kandidaten, de betrokkenheid van ervaringsdeskundigen en hoe men het onderwijsaanbod inhoudelijk wil vormgeven;
- c. de wijze waarop de werkgevers, de laagopgeleide of laaggeletterde werkenden en werkzoekenden in de regio of op het eiland waar het samenwerkingsverband zich op richt, bereikt zullen worden;
- d. de arbeidsmarkt binnen de regio of op het eiland waar de aanvrager zich met LLO op richt;
- e. de professionaliseringsopgaven bij docenten en andere betrokken professionals op het gebied van kennis over en bewustzijn van de uitdagingen waar laagopgeleide en laaggeletterde onderwijsdeelnemers mee te maken hebben, die noodzakelijk zijn om de beoogde LLO-organisatie te realiseren;
- f. de organisatie van de aanvrager en de mate waarin LLO voor laaggeletterden en laagopgeleiden verankerd is dan wel verankerd zal worden in strategie, beleid en uitvoering;
- g. de verbinding met mogelijke andere groeifondsprojecten in de regio of daarbuiten, en hoe dit al dan niet bijdraagt aan de kwaliteit van het project en hoe dit kan leiden tot projectvoordelen; en
- h. de wijze waarop de subsidieaanvrager de activiteiten en resultaten na afronding van het project wil verduurzamen en verankeren in de regio.
Artikel 11. Activiteitenplan
Onverminderd artikel 3.4 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan in ieder geval:
- a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- b. een beschrijving hoe deze activiteiten bijdragen aan de na te streven doelstellingen en resultaten en hoe de geleerde lessen uit de eerste twee pilotregio’s hierin meegenomen zijn;
- c. een activiteitenplanning met daarin de start- en einddatum van het project en een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in de projectperiode waarin in ieder geval fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en eindresultaten zijn opgenomen;
- d. een beschrijving van de projectorganisatie met een verdeling van de taken waarbij aannemelijk wordt gemaakt dat de subsidieaanvrager in staat is het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren;
- e. een analyse van de afbreukrisico’s die het project kunnen vertragen of het behalen van de doelstellingen kunnen belemmeren en een beschrijving van de wijze waarop deze risico’s worden gemitigeerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van eerder geleerde lessen uit de eerste twee pilotregio’s;
- f. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden geëvalueerd en de aanpak indien nodig wordt bijgesteld; en
- g. een beschrijving van de bijdrage aan de vier landelijke projecten binnen het LLO Collectief, namelijk het landelijk projectleiderschap, de impactmonitor en de twee trajecten voor professionalisering van docenten en professionals.
Artikel 12. Begroting
De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting.
De begroting gaat in op de kosteneffectiviteit door inzichtelijk te maken wat de kosten per bereikte kandidaat zijn.
Voor het bepalen van de uurtarieven van personen die belast worden met de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt aansluiting worden gezocht bij de Handleiding Overheidstarieven 2025.
De begroting wordt ingediend in het hiervoor bestemde format, dat bekend zal worden gemaakt op de website van DUS-I.
Artikel 13. Samenwerkingsovereenkomst
De deelnemers aan een samenwerkingsverband sluiten een overeenkomst die wordt opgesteld met gebruikmaking van het format dat DUS-I hiervoor beschikbaar stelt.
De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door alle partijen in het samenwerkingsverband.
In de samenwerkingsovereenkomst is in ieder geval vastgelegd:
- a. de beoogde start- en einddatum van het project;
- b. dat de penvoerder gemachtigd is om namens het samenwerkingsverband op te treden;
- c. wat elke partij in het samenwerkingsverband inhoudelijk, organisatorisch dan wel financieel bijdraagt aan het project;
- d. dat elke partij de intentie heeft om na afloop van het project de samenwerking te verduurzamen;
- e. dat het samenwerkingsverband een open netwerk is waar geïnteresseerde partijen in de regio of sector zich onder transparante en redelijke voorwaarden bij kunnen aansluiten; en
- f. dat alle partijen in het samenwerkingsverband medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.
Artikel 14. Verdeling van de beschikbare middelen
De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen op basis van een onderlinge afweging van de aanvragen.
De rangschikking vindt plaats aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als bijlage bij deze regeling. Hiervoor geldt hoe meer punten hoe hoger de rangschikking.
Om voor subsidie in aanmerking te komen geldt dat minimaal 5 punten moeten zijn toegekend op elk van de criteria van het beoordelingskader.
Bij de beoordeling wordt een hoger aantal punten toegekend naarmate de score op Impact, Kwaliteit en Verankering hoger is, blijkend uit:
- a. de kwaliteit van het visiedocument en de verbinding met de regio of sector waar de aanvrager zich op richt;
- b. de ambities van het project met betrekking tot doelstellingen en bereik;
- c. de kwaliteit van de samenwerking en het draagvlak waardoor het aannemelijk is dat de doelen van het project behaald worden;
- d. de kwaliteit van het activiteitenplan waardoor het aannemelijk is dat het project uitvoerbaar en haalbaar is;
- e. de kwaliteit van de begroting waardoor het aannemelijk is dat het project zo kostenefficiënt mogelijk wordt uitgevoerd en middelen effectief worden ingezet;
- f. de kwaliteit van de onderbouwing voor de verduurzaming van de activiteiten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.