Beleidsregels VOG-NP-RP 202

Type Beleidsregel
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De minister besluit dat de Beleidsregels 2024 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen, vastgesteld bij besluit van 1 juli 2024 worden ingetrokken en vervangen door onderstaande beleidsregels. De nieuwe beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2025.

Paragraaf 1. Inleiding

Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) namens de bewindspersoon een Verklaring Omtrent het Gedrag af aan natuurlijke personen (VOG) en aan rechtspersonen (VOG RP). Voor aanvragen van een VOG door een natuurlijk persoon wordt een onderscheid gemaakt tussen aanvragen waarbij, naast dat justitiële gegevens een weigeringsgrond opleveren, ook politiegegevens wel of geen zelfstandige weigeringsgrond mogen zijn. Resumerend bestaan de volgende drie soorten aanvragen van een VOG:

1. VOG

Bij een aanvraag voor een VOG wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijk persoon. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG.

2. VOG politiegegevens

Bij een aanvraag voor een VOG politiegegevens wordt onderzoek gedaan naar de justitiële gegevens en politiegegevens van een natuurlijk persoon. Zowel justitiële gegevens als politiegegevens mogen voor deze aanvraag een zelfstandige weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG politiegegevens.

3. VOG RP

Bij een aanvraag voor een VOG-RP wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een rechtspersoon en haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG RP.

Voor alle soorten VOG-aanvragen geldt dat het belang van de aanvrager wordt afgewogen tegen het risico voor de samenleving in het licht van het doel van de aanvraag. Naar aanleiding hiervan wordt verklaard of al dan niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon en wordt de VOG geweigerd respectievelijk verstrekt.

Paragraaf 2. In behandeling nemen van de aanvraag

Artikel 30 van de Wjsg biedt de basis voor het aanvragen van een VOG. Het COVOG toetst of een aanvraag voor een VOG in behandeling wordt genomen. Daarnaast neemt het COVOG signalen van de Justitiële informatiedienst (Justid) in behandeling ten behoeve van de continue screening van specifieke beroepsgroepen.

Paragraaf 2.1. Aanvraag VOG

Het COVOG neemt een aanvraag om afgifte van een VOG in behandeling onder de voorwaarden dat:

1. VOG

Met betrekking tot de onder b genoemde voorwaarde geldt ten aanzien van een VOG voor een natuurlijk persoon dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager in ieder geval noodzakelijk is indien:

2. VOG politiegegevens

Met betrekking tot de onder b genoemde voorwaarde geldt ten aanzien van een VOG politiegegevens dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager noodzakelijk is als sprake is van een aanvraag door een natuurlijk persoon voor een aangewezen functie die is opgenomen in de Regeling aangewezen functies VOG politiegegevens. Het gaat hierbij uitsluitend om functies waarvoor een hoge mate van integriteit vereist is en waarin sprake is van een bevoegdheid om geweld te gebruiken, toegang tot gevoelige informatie op het terrein van openbare orde en veiligheid of handhaving van de rechtsorde, of betrokkenheid bij integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

3. VOG RP

Met betrekking tot de onder b genoemde voorwaarde geldt ten aanzien van een VOG RP dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager in ieder geval noodzakelijk is indien deze door een rechtspersoon wordt aangevraagd in verband met het aangaan van een zakelijke overeenkomst, contract of voor het aansluiten bij of lid worden van een brancheorganisatie, vereniging of stichting. Een onderzoek naar het gedrag van de rechtspersoon en haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders is in dat geval altijd noodzakelijk. Rechtspersonen die zijn opgericht naar buitenlands recht met een vestiging in Nederland, kunnen geen VOG RP aanvragen.

Paragraaf 2.2. Continue screening

Ten aanzien van taxikaarthouders en van personen werkzaam in de kinderopvang of in peuterspeelzalen kan het COVOG een continue screening uitvoeren (zie artikel 22a en artikel 22b van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens). Het COVOG beoordeelt bij continue screening, naar aanleiding van signalen van Justid, de betrouwbaarheid van de personen binnen de desbetreffende beroepsgroep. De signalen bestaan uit mutaties in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), waarop Justid doorlopend controleert. Het COVOG beoordeelt de signalen van Justid aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium. Indien het COVOG op basis van deze beoordeling tot het voorlopig oordeel komt dat een belemmering bestaat voor een behoorlijke uitoefening van de functie informeert het COVOG de desbetreffende toezichthouder daarover. De toezichthouder besluit vervolgens of hij de betrokkene verzoekt om een nieuwe VOG aan te vragen. Voor wat betreft het beoordelingskader (paragraaf 3) wordt de continue screening gelijkgesteld met reguliere VOG aanvragen.

Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Voor de beoordeling van een aanvraag voor een VOG kan het COVOG verschillende soorten gegevens ontvangen van verschillende partijen, namelijk justitiële gegevens via Justid, justitiële gegevens via ECRIS en politiegegevens.

Ten behoeve van de beoordeling van alle VOG-aanvragen ontvangt het COVOG van Justid automatisch alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. De justitiële gegevens in het JDS kunnen zowel uit Nederland als uit het buitenland afkomstig zijn.

Via ECRIS kunnen Europese justitiële gegevens tussen de Europese lidstaten worden opgevraagd en verstrekt. Deze uitwisseling van justitiële gegevens via ECRIS is mogelijk voor bestuursrechtelijke doelen zoals een VOG. Justitiële gegevens die in dat geval worden uitgewisseld betreffen onherroepelijke veroordelingen.

Ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag van een VOG politiegegevens vraagt het COVOG standaard bij de politie de beschikbare politiegegevens over de aanvrager op. Voor de aanvragen van een VOG of een VOG RP kan het COVOG op verzoek politiegegevens bij de politie opvragen, indien de aanwezigheid van een justitieel gegeven daartoe aanleiding geeft.

Indien sprake is van een aanvraag voor een VOG door een natuurlijk persoon en op naam van de aanvrager geen justitiële gegevens staan, wordt zonder meer de VOG afgegeven.

Wanneer op naam van de aanvrager wel justitiële gegevens staan, wordt de vraag of de VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.1. de beoordeling van een aanvraag voor een VOG.

Indien sprake is van een aanvraag voor een VOG politiegegevens door een natuurlijk persoon en op naam van de aanvrager geen justitiële gegevens staan en ook geen politiegegevens, wordt zonder meer een VOG politiegegevens afgegeven.

Wanneer op naam van de aanvrager wel justitiële gegevens staan en/of politiegegevens, wordt de vraag of de VOG politiegegevens kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.2. de beoordeling van een aanvraag voor een VOG politiegegevens.

Indien sprake is van een aanvraag voor een VOG RP door een rechtspersoon en op naam van de rechtspersoon en haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders geen justitiële gegevens staan, wordt zonder meer een VOG RP afgegeven.

Wanneer op naam van de rechtspersoon of haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders wel justitiële gegevens staan, wordt de vraag of de VOG RP kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.3. de beoordeling van een aanvraag voor een VOG RP.

Paragraaf 3.1. De beoordeling van een aanvraag voor een VOG

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager van een VOG wordt een terugkijktermijn in acht genomen. Voor de terugkijktermijn zijn van belang:

Paragraaf 3.1.1. Periode terugkijktermijn justitiële gegevens

Ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken bij justitiële gegevens wordt een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

In de navolgende gevallen wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt:

In alle andere gevallen dan hiervoor genoemd, is sprake van een terugkijktermijn die in duur wordt beperkt. Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van deze terugkijktermijn van vier jaren wordt slechts afgeweken wanneer sprake is van één van de hieronder genoemde uitzonderingen. In dat geval geldt de daar genoemde terugkijktermijn.

Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken indien:

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt het COVOG bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Paragraaf 3.1.2. Uitgangspunten terugkijktermijn justitiële gegevens

Om te bepalen of een justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen:

Alleen in onderstaande gevallen wordt van het bovenstaande afgeweken:

Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

Paragraaf 3.1.3.1. Justitiële gegevens

Alle justitiële gegevens die binnen de gehanteerde terugkijktermijn worden aangetroffen, kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van de VOG-aanvraag, behoudens justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.

Ook de inhoud van een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Ten aanzien van sepots geldt dat alleen sepotbeslissingen die op beleidsmatige gronden zijn genomen (de zogenoemde beleidssepots) in de beoordeling van een VOG-aanvraag worden betrokken. Sepotbeslissingen die zijn genomen omdat processuele omstandigheden een succesvolle vervolging in de weg staan (de zogenoemde technische sepots) worden niet in de beoordeling van een VOG-aanvraag betrokken.

Paragraaf 3.1.3.2. Indien herhaald

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.

Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

Paragraaf 3.1.3.3. Risico voor de samenleving

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt met behulp van functieaspecten een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.1.3.4. Belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid

De relatie tussen het justitiële gegeven en de functie/taak/bezigheid die de aanvrager gaat vervullen bepaalt of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

Bij seksuele misdrijven als bedoeld in deze beleidsregels wordt – naast het bovenstaande – óók beoordeeld of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/bezigheid sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Indien daarvan sprake is en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid, is het verscherpt toetsingskader als beschreven in paragraaf 3.1.4.2. van deze beleidsregels van toepassing. Indien er sprake is van een seksueel misdrijf en de betreffende functie/ taak/bezigheid wordt uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid, wordt eveneens het verscherpt toetsingskader toegepast.

Bij terroristische delicten als bedoeld in deze beleidsregels wordt – naast het bovenstaande – óók beoordeeld of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/bezigheid sprake is van een gezags-of afhankelijkheidsrelatie of een functie waarbij met gevoelige informatie wordt omgegaan. Indien daarvan sprake is en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid, is het verscherpt toetsingskader als beschreven in paragraaf 3.1.4.3. van deze beleidsregels van toepassing. Indien er sprake is van een terroristisch delict en de betreffende functie/ taak/bezigheid wordt uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden en/of op een gevoelige locatie en/of op een locatie waar met stoffen en/of objecten wordt gewerkt, die bij misbruik voor maatschappelijke ontwrichting kunnen zorgen en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid, wordt eveneens het verscherpt toetsingskader toegepast.

Paragraaf 3.1.3.5. Rode draad criterium

Aan het objectieve criterium kan ook voldaan zijn als er binnen de relevante terugkijktermijn geen relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen. Indien sprake is van justitiële gegevens die niet (direct) relevant zijn, maar die gezamenlijk wel een negatieve indruk geven van de integriteit van de aanvrager kan er worden geoordeeld dat er een risico bestaat voor de samenleving. Voorwaarde voor toepassing van dit criterium is dat sprake is van een reeks van veroordelingen, eindezaakverklaringen, transacties, strafbeschikkingen, openstaande zaken of (voorwaardelijke) sepots en er buiten de terugkijktermijn sprake is van minimaal één relevant justitieel gegeven in de justitiële documentatie van de aanvrager.

Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).

Paragraaf 3.1.4.1. Omstandigheden van het geval

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.

Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

Indien de aanvrager ten tijde van het plegen van een strafbaar feit minderjarig was, betrekt het COVOG dit in de beoordeling van de aanvraag.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.