Besluit ANBI
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
In dit besluit is nieuw beleid opgenomen over de regeling die geldt voor algemeen nut beogende instellingen. Ook zijn enkele onderdelen overgenomen uit het besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M ( Stcrt. 2014, 36877 ), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 maart 2024, nr. 2024-4956 ( Stcrt. 2024, 7392 ) en waar nodig geactualiseerd.
1. Inleiding
Een instelling – niet zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die aan de overige wettelijke vereisten voldoet kan, op verzoek, worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling. Deze voorwaarden zijn opgenomen in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 1a tot en met 1e van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. In dit besluit is beleid opgenomen over een aantal van deze voorwaarden, waarbij sommige onderdelen tot stand zijn gekomen naar aanleiding van een kennisgroepstandpunt.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
In dit besluit worden de begrippen ‘gift’ en ‘schenking’ naast elkaar gebruikt. Voor zover het de toepassing van de Successiewet betreft, wordt met beide begrippen gedoeld op het schenkingsbegrip van artikel 1, zevende lid, Successiewet.
1.2. Overzicht onderdelen
Dit besluit bevat de volgende inhoudelijke onderdelen.
2. Algemeen nut vereiste
Een ANBI is een instelling die, zowel statutair als feitelijk, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. Om te kunnen aannemen dat met de ontplooide werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut is beoogd, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat die werkzaamheden primair en rechtstreeks zijn gericht op het dienen van enig algemeen belang (kwalitatieve toets). Daarnaast moet het beoogde doel ook feitelijk voor 90% of meer ten bate van het algemeen nut strekken (kwantitatieve toets).1HR 22 april 2016, nr. 14/06262, ECLI:NL:HR:2016:695,2De kwalitatieve en kwantitatieve toets worden in de praktijk ook wel aangeduid als de tweetrapstoets. De nadruk ligt hierbij op de uitgaven, op de bestedingen van de instelling ten behoeve van de doelstelling.3Zie onder meer Kamerstukken II 2011/12, 33 006, nr. 6, p. 10. Ook andere feiten en omstandigheden kunnen bij deze beoordeling een rol spelen.
In het besluit wordt het hiervoor omschreven vereiste verder aangeduid als het algemeen nut vereiste.
2.1. Crowdfunding en loketinstelling
Crowdfunding is een wijze om te voorzien in een financieringsbehoefte van een particulier, bedrijf of instelling. De crowdfunder vervult via een crowdfundingplatform een intermediairfunctie tussen geldnemer en geldgevers. De crowd (de menigte) bepaalt welk project geloofwaardig genoeg is om te financieren (funden). Het contact verloopt indirect via de crowdfunder, of direct tussen degene die een financieringsbehoefte heeft (de geldnemer) en de geldgevers.
In de praktijk komt crowdfunding in verschillende verschijningsvormen voor. De vraag of een instelling die als crowdfunder optreedt voldoet aan het algemeen nut vereiste hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden in de concrete situatie, en kan daarmee niet in zijn algemeenheid worden beantwoord.
Een loketinstelling in de meest zuivere vorm is een instelling waarvan de werkzaamheden enkel bestaan uit het in ontvangst nemen van giften waaraan de donateur de voorwaarde heeft verbonden dat deze moeten worden doorgestort naar een door de donateur bepaalde bestemming (derde begunstigden). De loketinstelling in de meest zuivere vorm besteedt de ontvangen giften in dat geval niet vanuit haar eigen algemeen nuttige doelstelling, maar uitsluitend in opdracht van de donateur. Dergelijke instellingen voldoen niet aan het algemeen nut vereiste.
Een loketinstelling moet worden onderscheiden van een steunstichting. Anders dan een loketinstelling, zamelt een steunstichting gelden in ter verwezenlijking van haar eigen algemeen nuttige doelstelling, namelijk het ondersteunen van één of meer ANBI(‘s). Zie hiervoor verder onderdeel 3.2 van het besluit.
Een instelling, niet zijnde een steunstichting, die haar eigen algemeen nuttige doelstelling nastreeft en daarvoor crowdfundingactiviteiten verricht, kan onder omstandigheden voldoen aan het algemeen nut vereiste. Een dergelijke instelling zal steeds moeten worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van de concrete situatie. Factoren die een rol spelen bij de beoordeling of is voldaan aan het algemeen nut vereiste, zijn bijvoorbeeld:
3. Categorieën van algemeen nut
Artikel 5b, derde lid, AWR bevat de verschillende categorieën van algemeen nut. Dit betreft een limitatieve opsomming. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om geen restcategorie op te nemen.
Hierna wordt ingegaan op enkele categorieën.
3.1. Welzijn
Als algemeen nut in de zin van artikel 5b AWR wordt ingevolge het derde lid, onderdeel a, van deze bepaling ook ‘welzijn’ beschouwd. Dit is een breed begrip.
Bij werkzaamheden die bestaan uit het bieden van ontspanning en vermaak en/of persoonlijke ontwikkeling binnen deze categorie geldt als uitgangspunt dat deze zijn gericht op het particulier belang van de deelnemers en slechts indirect bijdragen aan het algemeen nut. Instellingen die zich met deze werkzaamheden bezighouden, voldoen over het algemeen niet aan het algemeen nut vereiste en komen om deze reden al niet in aanmerking voor de ANBI-status. Zijn de activiteiten van een instelling gericht op een specifieke kwetsbare (doel)groep, waarbij de activiteiten zijn gericht op het wegnemen of verminderen van die kwetsbaarheid, dan zal eerder sprake zijn van een situatie waarin het algemeen belang vooropstaat. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het organiseren van uitstapjes en vakanties voor ouderen en mensen met een ziekte of handicap die zonder begeleiding niet meer buiten de deur of verpleegomgeving kunnen komen en daardoor in een sociaal isolement verkeren.
3.2. Het financieel of op andere wijze ondersteunen van een ANBI4Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:211:2024:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Ingevolge artikel 5b, derde lid, onderdeel l, AWR is het ANBI’s toegestaan meerdere van de in de voorgaande onderdelen a tot en met k van het derde lid genoemde categorieën van algemeen nut te beogen. Uit onderdeel m vloeit voort dat onder algemeen nut ook wordt verstaan het financieel of op andere wijze ondersteunen van een ANBI (steunstichting ANBI).
Een combinatie van ‘eigen’ algemeen nuttige doelen (artikel 5b, derde lid, onderdelen a tot en met k, AWR) met het financieel of op andere wijze ondersteunen van een ANBI (artikel 5b, derde lid, onderdeel m, AWR), hoeft de zelfstandige ANBI-kwalificatie niet in de weg te staan. Uiteraard moet de inspecteur in een dergelijke situatie beoordelen of ook aan de overige ANBI-voorwaarden wordt voldaan.
4. Derde landen
Er zijn drie categorieën ‘landen’ te onderscheiden (artikel 5b, eerste lid, onderdeel d, AWR):
Instellingen gevestigd in de onder 3 genoemde derde landen kunnen ook als ANBI worden aangemerkt.6Artikel 5b, eerste lid, sub d, ten tweede, AWR. Hiervoor geldt als uitgangspunt de voorwaarde dat de instelling jaarlijks gegevens en inlichtingen verstrekt, op grond waarvan het ANBI Expertisecentrum kan beoordelen of de instelling voldoet aan de voorwaarden. De instelling maakt aannemelijk dat de verstrekte gegevens en inlichtingen een getrouw beeld van de werkelijke situatie geven. Dit kan bijvoorbeeld met een accountantsverklaring.
De bevoegdheid om instellingen in derde landen aan te merken als ANBI heb ik gemandateerd aan de landelijk directeur van de Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf (MKB). Verzoeken kunnen worden gericht aan het ANBI Expertisecentrum.
5. ANBI-beschikking
Het aanmerken van een instelling als ANBI gebeurt op verzoek van de instelling. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking kan terugwerken tot en met een voor de dagtekening daarvan gelegen datum (artikel 1a, derde lid, UR AWR).
5.1. Terugwerkende kracht
Om gebruik te kunnen maken van de fiscale faciliteiten moet een instelling vooraf bij beschikking als ANBI zijn aangemerkt. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen waarbij het wenselijk is dat de inspecteur een instelling met terugwerkende kracht aanmerkt als ANBI. Een bijzondere omstandigheid doet zich bijvoorbeeld voor in de situatie dat een stichting bij testament wordt opgericht en dat erflater eveneens krachtens datzelfde testament vermogen nalaat aan die instelling. Als een dergelijke instelling niet met terugwerkende kracht als ANBI wordt aangemerkt, kan over de verkrijging niet de vrijstelling voor erfbelasting worden toegepast, terwijl daar wel aanleiding toe bestaat. Ook bij instellingen die in het buitenland zijn gevestigd, kan zich een bijzondere omstandigheid voordoen.
Om duidelijkheid te scheppen voor de praktijk zijn hierna situaties opgenomen waarin de inspecteur in ieder geval terugwerkende kracht verleent (mits aan alle andere ANBI-voorwaarden is voldaan):
5.2. Intrekken ANBI-status met terugwerkende kracht, gevolgen voor de schenk- en erfbelasting
Artikel 5b, zevende lid, AWR geeft de inspecteur de mogelijkheid om, bij voor bezwaar vatbare beschikking, de ANBI-status in voorkomende gevallen in te trekken. Het tijdstip van intrekking kan liggen vóór de datum van de dagtekening van de beschikking. De inspecteur kan daardoor de ANBI-status met terugwerkende kracht intrekken.
Als een ANBI-status wordt ingetrokken met terugwerkende kracht komt de vraag op of dit gevolgen heeft voor de belanghebbende die schenkingen heeft gedaan aan of heeft ontvangen van een instelling in de periode waarin achteraf bezien niet werd voldaan aan de ANBI-voorwaarden, maar waarbij de ANBI-status nog niet bij beschikking was ingetrokken.
Belanghebbende kan voor de schenk- en erfbelasting in voorkomende gevallen van het volgende uitgaan.8Dit beleidsonderdeel is mede tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:206:2023:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.,9Zie voor de gevolgen voor de inkomstenbelasting het Giftenbesluit.
Op schenkingen die zijn ontvangen van een instelling die op het moment van het ontvangen van de gift stond geregistreerd als ANBI in het ANBI-register, blijft de vrijstelling van artikel 33, onder 10˚, Successiewet van toepassing. De begiftigde mag aan het ANBI-register vertrouwen ontlenen. Uiteraard moet ook aan het vereiste zijn voldaan dat de uitkering geheel of nagenoeg geheel is geschied in het algemeen belang, passend binnen de (algemeen nuttige) doelstelling van de ANBI. Het voorgaande is niet van toepassing als de begiftigde te kwader trouw is.
Voor de volledigheid merk ik op dat een instelling zich niet kan beroepen op het vermeld staan in het ANBI-register. De instelling is zelf verantwoordelijk voor het blijven voldoen aan de voorwaarden van het zijn van een ANBI. Dit is een doorlopende toets. Zo geldt bijvoorbeeld voor verkrijgingen door een ANBI dat de vrijstelling van artikel 33, onder 4˚, Successiewet niet van toepassing is vanaf het moment dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het hebben van de ANBI-status. Met de beschikking wordt de intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht geformaliseerd. Dit geldt ook voor een verkrijging krachtens erfrecht. De vrijstelling van artikel 32, lid 1, onder 3˚ Successiewet is niet van toepassing vanaf het moment dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het zijn van een ANBI en de inspecteur bij beschikking met terugwerkende kracht tot dat moment de ANBI-status intrekt.
6. Bestedingscriterium (anti-oppoteis)
Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van haar doelstelling (het bestedingscriterium, ook aangeduid als de anti-oppoteis).
Een ANBI mag reserves (zie 6.1) aanhouden. Het is in eerste instantie aan de instelling om te bepalen hoeveel vermogen zij aanhoudt. Daarbij is van belang dat de instelling goed kan onderbouwen waarom een bepaald vermogen wordt aangehouden. De inspecteur beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden in de concrete situatie of de omvang van het aangehouden vermogen en de onderbouwing redelijk zijn. In het hiernavolgende geef ik enkele handvatten voor de invulling in de praktijk.
6.1. Reserves
Voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de ANBI kunnen verschillende afzonderlijke reserves worden aangehouden. Voor alle reserves geldt dat het doel en de motivering van de omvang van de aangehouden reserves moet zijn vermeld in de financiële administratie van de ANBI (artikel 1b, derde lid, UR AWR). De onderstaande reserves kunnen bijvoorbeeld worden aangehouden.
6.1.1. Continuïteitsreserve werkorganisatie
Het is toegestaan om een buffer (continuïteitsreserve) te vormen voor de fluctuaties in inkomsten om te voorkomen dat het voortbestaan van de instelling in gevaar komt. Een continuïteitsreserve van anderhalf maal het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie in de voorgaande drie jaren is in beginsel aanvaardbaar als buffer. Een hogere continuïteitsreserve mag worden aangehouden, mits de noodzaak daarvan voldoende is onderbouwd in de financiële administratie van de ANBI.
Bij kosten van de werkorganisatie moet worden gedacht aan de vaste kosten voor personeel, huisvesting, kantoor en administratie van de instelling. Hieronder vallen niet de kosten die direct toerekenbaar zijn aan een of meerdere algemeen nuttige activiteiten van de ANBI.
6.1.2. Reserve voorziene werkzaamheden
Met de term ‘voorziene werkzaamheden' heeft de wetgever een tweeledige betekenis voor ogen gehad. Ten eerste is bedoeld dat ANBI’s vermogensvorming motiveren aan de hand van concrete voorgenomen activiteiten die zijn gericht op de algemeen nuttige statutaire doelstelling. Dit brengt met zich mee dat als er geen concrete voorgenomen activiteiten zijn, er ook geen vermogen kan worden aangehouden. Wanneer een ANBI met het oog op de voorziene activiteiten vermogen aanhoudt, moet dit telkens, door middel van een beschrijving van concrete projecten en bedragen, worden gemotiveerd in de financiële administratie. Ook in het beleidsplan moet dit worden uitgewerkt. Ten tweede is beoogd een tijdsbepaling te geven. De voorziene werkzaamheden moeten binnen een redelijk tijdsbestek plaatsvinden.
Een ANBI mag middelen reserveren als de voorziene werkzaamheden, in de normale gang van zaken, ook (gedeeltelijk) kunnen worden bekostigd uit redelijkerwijs te verwachten inkomsten of toekomstige rendementen. Een periode van twee jaren wordt in beginsel als redelijk tijdsbestek gezien.
6.2. Stamvermogen
6.2.1. Begrip stamvermogen
Stamvermogen is vermogen dat krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking is verkregen en dat op grond van de daaraan verbonden voorwaarden in stand moet worden gehouden (artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, UR AWR). Hierbij geldt een bestedingsbeperking die de schenker of erflater heeft vastgesteld. Ontbreekt een dergelijke bepaling in de schenkingsakte of in het testament, dan kan niet worden gesproken van stamvermogen. De instelling kan niet zelf vermogen als stamvermogen bestemmen.
6.2.2. Rendement op stamvermogen
6.2.2.1. Begrip rendement – gerealiseerd en ongerealiseerd rendement
Onder het begrip rendement vallen in het algemeen niet alleen dividend, rente, huur en pacht, maar ook (on)gerealiseerde koersstijgingen of andere waardestijgingen.
In de uitvoeringspraktijk is de vraag naar voren gekomen of voor ongerealiseerde rendementen eveneens geldt dat deze aan de algemeen nuttige doelstelling moeten worden besteed. Dat is het geval, behalve als de instandhoudingsverplichting die door de schenker of erflater is opgelegd, betrekking heeft op het vermogensbestanddeel zelf (dus niet op de geldelijke waarde daarvan).
Het bovenstaande laat onverlet dat een ANBI moet handelen in lijn met haar algemeen nuttige doelstelling door het in voldoende mate verrichten van algemeen nuttige activiteiten.
Of de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op het vermogensbestanddeel zelf is afhankelijk van de wil van de schenker of erflater, zoals die tot uiting komt in de voorwaarden die zijn verbonden aan de schenking of de uiterste wilsbeschikking. In de praktijk bieden deze voorwaarden echter niet altijd de benodigde duidelijkheid. Heeft de schenking of uiterste wilsbeschikking betrekking op andere vermogensbestanddelen dan een geldbedrag of effectenportefeuille, dan wordt aangenomen dat de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de vermogensbestanddelen zelf. Ongerealiseerde waardestijgingen van deze vermogensbestanddelen maken dan onderdeel uit van het stamvermogen.
Dit bewijsvermoeden geldt niet als uit de voorwaarden die aan de uiterste wilsbeschikking of schenking zijn verbonden of uit het handelen van de ANBI blijkt dat de instandhoudingsverplichting betrekking heeft op de geldelijke waarde van het ingebrachte vermogen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de ANBI de in het verleden verkregen vermogensbestanddelen op een bepaald moment te gelde heeft gemaakt. De vermogensbestanddelen zelf zijn dan niet in stand gehouden.
6.2.2.2. Besteding van het rendement
De rendementen op het stamvermogen – na aftrek van beheerskosten, eventuele (periodieke) indexering en geoorloofde reservevorming – moeten binnen een redelijke termijn worden besteed aan de algemeen nuttige doelstelling.
6.2.3. Vast bestedingspercentage op stamvermogen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.