Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2025, nr. BZ2517990 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van marktontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden met gebruik van gebundelde kennis, kunde en technologie van ondernemingen, brancheorganisaties, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 worden ingediend vanaf 28 augustus, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 4 december 2025, 15:00 uur Nederlandse tijd.
Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/impact-clusters-ic.
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een totaal subsidieplafond van € 11,3 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:
- a. € 6,2 miljoen voor Impact Cluster projecten passend binnen een combitrack;
- b. € 5,1 miljoen voor reguliere Impact Cluster projecten.
Als na toepassing van het eerste lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de daaropvolgende openstelling.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.
Artikel 4
Het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 24 mei 2023 Min-BuZa.2023.15459-14, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Impact Clusters 2023–2028)2Stcrt. 2023, 15513 wordt ingetrokken, met dien verstande dat dit besluit van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan zijn verstrekt.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.
Bijlage
1. Achtergrond
De toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft in 2023 besloten het Subsidieprogramma Impact Clusters 2023–2028 op te stellen. Op basis van de ervaringen met de eerste twee openstellingen van dit subsidieprogramma en de daaruit voortvloeiende gewenste wijzigingen in het subsidieprogramma, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister) besloten tot het opstellen van een aangepast subsidieprogramma.
Met het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 (hierna: subsidieprogramma) wil de minister ervoor zorgen dat de internationale kennis van de private sector wordt ingezet in de ontwikkeling van markten in lage- en middeninkomenslanden. Met het subsidieprogramma wordt daarmee een bijdrage geleverd aan de uitvoering van de SDG-agenda3SDG staat voor Sustainable Development Goals.
De private sector is de motor voor marktontwikkeling en daarmee groei van inkomen en productieve werkgelegenheid. In lage- en middeninkomenslanden is de private sector niet altijd even sterk ontwikkeld. Dit kan onder andere komen door gebrek aan kennis, kunde en technologie. Internationaal is kennis, kunde en technologie beschikbaar die de capaciteit van ondernemingen in lage- en middeninkomenslanden kan verbeteren. Een beter functionerende private sector bevordert marktontwikkeling en daarmee op de lange termijn de zelfredzaamheid in lage- en middeninkomenslanden en zorgt op die manier voor stabiliteit en kansen voor het bedrijfsleven. Om capaciteitsopbouw in (sub)sectoren te bewerkstelligen is vaak een (sector)brede aanpak nodig.
Door het bundelen van kennis van verschillende ondernemingen gevestigd buiten het projectland en eventueel aanvullend van brancheorganisaties, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in een specifieke (sub)sector, kan een impuls worden gegeven aan de capaciteitsopbouw van de private sector in een ontwikkelingsland.
Op deze manier kan deze sector, soms op de langere termijn, een interessante markt worden voor de deelnemende ondernemingen met kansen voor handel en investeringen, ook voor Nederlandse ondernemingen, en zo ook het verdienvermogen van de deelnemende ondernemingen vergroten. In veel lage- en middeninkomenslanden voeren de Nederlandse ambassades en consulaten programma’s uit die lokale private sectorontwikkeling en daarmee marktontwikkeling ondersteunen. Ter versterking van het effect van deze programma’s kunnen clusters van ondernemingen (hierna: impactclusters) aanpalend een rol spelen door een samenhangend geheel van activiteiten uit te voeren, waardoor structureel kennis, kunde en technologie wordt overgedragen aan de lokale private sector.
Een deel van de middelen in dit subsidieprogramma is bedoeld voor projecten passend binnen een combitrack. Via de zogeheten combitrackaanpak4https://www.rvo.nl/onderwerpen/overzicht-combitracks wordt getracht via het bedrijfsleven ontwikkelingsimpact te realiseren in lage- en middeninkomenslanden. Door een gecombineerde inzet op handel, investeringen en ontwikkelingshulp wordt bijgedragen aan groene economische transities en digitaliseringstransities. Voor 15 landen5Egypte, Ghana, Marokko, Namibië, Nigeria, Senegal, Ivoorkust, Kenia, Zuid-Afrika, Bangladesh, India, Indonesië, Vietnam, Colombia en Oekraïne heeft de Nederlandse overheid een of meerdere combitracks aangewezen, waarbinnen verschillende projecten kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd, zoals impactclusterprojecten. Voor impactclusterprojecten passend binnen deze combitracks geldt een apart subsidieplafond. Projecten die bijdragen aan de overige beleidsprioriteiten op het gebied van marktontwikkeling van de ambassade (of consulaat-generaal) worden ‘reguliere impactclusters’ genoemd. In het advies dat volgt op de quick scan (zie paragraaf 4.3) zal worden aangegeven of een project wordt gezien als passend binnen een combitrack of als een regulier project. Dit advies heeft verder geen invloed op de criteria waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
2. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028
4.1. Doel
Het subsidieprogramma heeft als doel bij te dragen aan marktontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden door gebruik te maken van internationale (nieuwe) kennis, kunde en technologie.
Het gaat hierbij om het stimuleren van de brede ontwikkeling van een onderontwikkelde lokale private (sub)sector, waarbij het doel van de activiteiten van de impactclusters moet zijn het bijdragen aan het verbeteren van kennis, kunde of technologie, van lokale ondernemingen waardoor businesscases van lokale ondernemingen worden verbeterd, het starten van nieuwe lokale ondernemingen wordt gestimuleerd en op lange termijn directe en/of indirecte duurzame banen worden gecreëerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de lange-termijn strategische ambities van de ondernemingen in de impactclusters. Ondernemingen in de impactclusters zien lange termijn kansen op deze momenteel (nog) onderontwikkelde (deel)sectoren, en zijn daarom bereid zich meerjarig in te zetten om door inzet van hun technologie, kennis en/of kunde de lokale sector verder te ontwikkelen.
Tot de uiteindelijk begunstigden van dit subsidieprogramma behoren lokale middelgrote en kleine ondernemingen in het projectland, inclusief boeren, en waar mogelijk andere relevante lokale organisaties, zoals kennisinstellingen binnen een (sub)sector, in het projectland.
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor Impact Clusters, namens welke een penvoerder een subsidie voor een project aanvraagt.
Aan (de partners van) het impactcluster worden de volgende eisen gesteld:
De rol van penvoerder wordt vervuld door een onderneming, brancheorganisatie, kennisinstelling of maatschappelijke organisatie, met:
De penvoerder en partners van het partnerschap moeten een integriteitsbeleid7https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo/seksueel-grensoverschrijdend-gedrag hebben vastgesteld en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisaties. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.3. Adviestraject
Als een penvoerder overweegt namens een impactcluster een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’8https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/impact-clusters-ic. Het adviestraject eindigt met een advies van RVO aan de penvoerder. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de penvoerder om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de penvoerder vervolgens besluit een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de penvoerder aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.
Aangezien met de verwerking van een ingediende quick scan zes weken is gemoeid en met het gekregen advies na de quick scan het projectplan aangepast moet kunnen worden, kunnen quick scans niet later worden ingediend dan dertien weken voor sluiting van de aanvraagtermijn van een openstelling.
4.4. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om een planmatige meerjarige integrale aanpak van activiteiten (hierna: ‘project’) gericht op het bereiken van het doel in paragraaf 4.1. De activiteiten moeten betrekking hebben op één laag- of middeninkomensland, tenzij overtuigend gemotiveerd wordt dat het effectiever en/of doelmatiger is om de activiteiten in twee of meer lage- en middeninkomenslanden uit te voeren.
Een samenhangende combinatie van hieronder genoemde, onderling versterkende, meerjarige activiteiten kan in aanmerking komen voor subsidie, voor zover deze bijdragen aan een oplossing van een tekortkoming in een lokale markt, waarbij er in ieder geval sprake moet zijn van activiteiten genoemd onder a en b:
De activiteiten van het impactcluster moeten bijdragen aan, en noodzakelijk zijn voor, het bereiken van de doelstellingen op het gebied van marktontwikkeling van de ambassade (of consulaat generaal) die voor het betreffende land verantwoordelijk is en dus aansluiten bij de lokale beleidsprioriteiten.9https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/impact-clusters-ic
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:
Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland en activiteiten zoals genoemd op de FMO-uitsluitingslijst10https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements, waarbij geldt dat onder ‘wapens en munitie’ wordt verstaan hetgeen in de Wet wapens en munitie11https://wetten.overheid.nl/BWBR0008804/2024-07-01 daaronder wordt verstaan.
4.5. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben een minimale looptijd van twee jaar en een maximale looptijd van vier jaar. De activiteiten moeten starten binnen zes maanden na subsidieverlening.
4.6. Omvang van de subsidie
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 150.000.
De maximale subsidie bedraagt per aanvraag € 620.000 met een maximum van 60% van de subsidiabele kosten.
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de partners van het Impactcluster zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor de eigen bijdrage van de ondernemingen geldt ook dat dit niet mag worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een subsidie of bijdrage van andere overheden.
5. Subsidiabele kosten
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners zelf te maken kosten:
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6. Aanvraag
6.1. Vereisten
Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO14https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/impact-clusters-ic.
De aanvraag bevat in ieder geval:
Ondernemingen die een aanvraag indienen, verklaren dat ze op de hoogte zijn van, en zullen handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen15https://www.oesorichtlijnen.nl/. Dit betekent dat ondernemingen gepaste zorgvuldigheid (due diligence) toepassen in overeenstemming met deze richtlijnen om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in hun eigen activiteiten en hun waardeketen te identificeren en waar nodig aan te pakken, en hier transparant over communiceren.
Na het indienen van de aanvraag wordt aan de Nederlandse ondernemingen gevraagd een MVO-zelfscan naar waarheid in te vullen.16Indien RVO al in het bezit is van een geldige MVO-zelfscan van de Nederlandse onderneming(en) of indien het project naar verwachting niet wordt verleend, zal deze zelfscan niet (nogmaals) worden opgevraagd. Het invullen van deze korte vragenlijst is verplicht; het biedt inzicht in de stappen van gepaste zorgvuldigheid en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde MVO-zelfscan contact met de onderneming opnemen.
Ondernemingen moeten signalen of omstandigheden die duiden op betrokkenheid bij een schending van de OESO-richtlijnen onmiddellijk melden aan RVO, waaronder schendingen van mensenrechten of significante milieuschade. Wanneer over een onderneming een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlands Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen17https://www.oesorichtlijnen.nl/meldingen, moeten ondernemingen dit melden bij RVO en medewerking verlenen aan het NCP. Ondernemingen verklaren ook dat ze geen activiteiten ondernemen die op de FMO-uitsluitingenlijst18https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements staan.
6.2. Herstelperiode
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.