Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024
Gelet op artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg.
Op grond van artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in artikel 1, tweede lid van deze beleidsregel, een vijftal aanwijzingen op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012, 17 oktober 2013, 6 juli 2016, 26 juni 2018 en 6 juli 2020 en hebben respectievelijk als kenmerk MC-U-3131142, 132010-106827-MC, 984591-152516-MC,1355023-177350-PZo en 1713658-207569-PZo. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918, 37253 en 37007.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de ziekenhuisopleidingen als bedoeld in artikel 1.3 van deze beleidsregel, een aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 28 juni 2013 en heeft als kenmerk 125996-105636-MC.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de medische opleidingen tot sportarts, klinisch neuropsycholoog en arts voor verstandelijk gehandicapten, een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 30 juni 2015 en heeft als kenmerk 776201-137544-MC.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de medische opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 23 juni 2023 en heeft als kenmerk 3611583-1049617-PZo.
Op de beschikbaarheidbijdrage zijn titel 4.2 (‘subsidies’) en 4.4 (‘bestuursrechtelijke geldschulden’) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van toepassing. De beschikbaarheidbijdrage wordt beschikbaar gesteld uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz).
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:
De (medische) vervolgopleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is, zijn te verdelen in twee categorieën:
- •. Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist;
- •. Ziekenhuisopleidingen.
De vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn:
- a. De 27 erkende medisch specialismen: anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, sportgeneeskunde en urologie;
- b. De technische zorg specialismen: klinische chemie, klinische fysica en ziekenhuisfarmacie;
- c. De tandheelkundige specialismen: orthodontie en kaakchirurgie;
- d. De overige specialismen: arts voor verstandelijk gehandicapten, SEH-arts, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en verslavingsarts;
- e. Gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut;
- f. Klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog;
- g. Verpleegkundig specialist in de ggz.
De vervolgopleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel zijn:
- a. Deskundige infectiepreventie, gipsverbandmeester en gespecialiseerd verpleegkundigen, te weten: IC-verpleegkundige, IC-neonatologieverpleegkundige, IC-kinderverpleegkundige, kinderverpleegkundige, dialyseverpleegkundige, oncologieverpleegkundige1Hieronder valt ook de vervolgopleiding tot kinderoncologieverpleegkundige., SEH-verpleegkundige en obstetrie-verpleegkundige;
- b. Operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist.
De zorgaanbieder die door de daartoe bevoegde instantie is erkend voor het verzorgen van een (deel van een) (medische) vervolgopleiding.
Voor de opleidingen als genoemd in artikel 1.2, sub e wordt met de opleidende zorgaanbieder (praktijkopleidingsinstelling) bedoeld een zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) aangewezen opleidingsinstelling
De instelling die het cursorisch gedeelte verzorgt van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut of een van hun specialismen en die als zodanig door de minister in het kader van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) is aangewezen of als zodanig door de CRT is erkend.
Bijdrage als bedoeld in artikel 56a Wmg.
Een opleidingsplaats die in aanmerking komt voor een subsidie.
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Fulltime equivalent (voltijdse plaats).
Het startmoment van de opleiding is dat moment waarop de (medisch) specialist in opleiding met zijn opleiding begint.
Jaar t is het lopende subsidiejaar waarin de opleiding plaatsvindt.
Het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa omschrijft de uniforme
procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verstrekking van alle beschikbaarheidbijdragen door de NZa. Dit kader is ook van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de (medische) vervolgopleidingen. In enkele gevallen geldt een uitzondering op de uniforme procedure. Deze uitzondering staat dan omschreven in deze beleidsregel.
Opleidende zorgaanbieder die voor of op 1 januari van jaar t, na een juridische fusie als bedoeld in artikel 2:309 BW, het vermogen van de andere opleidende zorgaanbieder(s) onder algemene titel verkrijgt of die als nieuwe opleidende zorgaanbieder die bij deze fusie door de opleidende zorgaanbieders samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.
Artikel 1.13 tot en met 1.24 beschrijven de begripsbepalingen die van toepassing zijn op de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zoals genoemd in artikel 1.2.
- a. Om de opleidingen longziekten en tuberculose, maag-, darm- en leverziekten, cardiologie, klinische geriatrie of reumatologie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding interne geneeskunde te volgen.
- b. Om de opleidingen orthopedie, urologie en plastische chirurgie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding heelkunde te volgen.
Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:
- a. In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist begint op een subsidiabele opleidingsplaats, of;
- b. Voorafgaand aan het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een niet-subsidiabele opleidingsplaats, maar in jaar t alsnog op een subsidiabele instroomplaats de opleiding vervolgt.
Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:
- a. In een eerder jaar met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats of;
- b. In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats en om inhoudelijke redenen in jaar t doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder.
Het kalenderjaar (jaar t) waarin de (medisch) specialist in opleiding start met de opleiding op een subsidiabele opleidingsplaats.
Een boventallige (medisch) specialist in opleiding is iemand die wordt opgeleid voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Deze (medisch) specialist in opleiding is niet subsidiabel en de zorgaanbieder kan voor deze (medisch) specialist in opleiding geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.
De registratiecommissies voor (medische) specialismen zijn:
- a. Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG);
- b. Stichting Opleiding Klinisch Fysicus (OKF);
- c. Specialisten Registratiecommissie (SRC-ZF) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP);
- d. Registratiecommissie van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC);
- e. Registratiecommissie Tandheelkundig Specialismen (RTS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT);
- f. Commissie Registratie en Toezicht (CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt);
- g. Registratiecommissie Specialismen Verpleegkunde (RSV) van de Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN).
De opleidingsinstituten zijn instituten die erkenningen afgeven aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2.
- a. De RGS van de KNMG geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub a en d.
- b. De Stichting OKF geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische fysica.
- c. De SRC-ZF van de KNMP geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, ziekenhuisfarmacie.
- d. De Registratiecommissie van de NVKC geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische chemie.
- e. De RTS van de KNMT geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub c.
- a. De CRT van de FGzPt geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub f.
- b. De RSV van V&VN geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub g.
Voor enkele opleidingen geldt dat de (medisch) specialist in opleiding niet in dienst is bij een opleidende zorgaanbieder, maar bij een stichting die verantwoordelijk is voor het gehele proces van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding. Deze wordt in deze beleidsregel beschouwd als opleidende zorgaanbieder en is verantwoordelijk voor het gehele proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van deze opleidingen.
Deze stichtingen zijn:
- a. De SBOH. De SBOH is de werkgever van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, artsen voor verstandelijk gehandicapten en verslavingsartsen in opleiding2Met uitzondering van de aios verslavingsgeneeskunde die hun opleiding voor 2021 zijn gestart. Deze aios zijn in dienst bij een opleidende zorgaanbieder. De SBOH is wel verantwoordelijk voor het proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding..
- b. De Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS). De SBOS is de werkgever van sportartsen in opleiding.
Overzicht uit het opleidingsregister van de per opleiding tot (medisch) specialist gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleidende zorgaanbieder, uitgesplitst naar instroomplaatsen (medisch) specialist en doorstroomplaatsen (medisch) specialist.
Het aantal uren dat de (medisch) specialist in opleiding feitelijk heeft besteed aan zijn opleiding. Hierbij gaan wij uit van de berekening zoals genoemd in artikel 4.3.
Overzicht van de verdeling van het maximaal aantal instroomplaatsen en bijbehorende fte voor de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist per specialisme per opleidende zorgaanbieder, als bedoeld in onderdeel D van de Bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG.
In de artikelen 1.25 tot en met 1.29 zijn de begripsbepalingen beschreven die van toepassing zijn op de ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3.
Opleidingsplaats voor een natuurlijk persoon die voor de eerste keer aanvangt met een volledige ziekenhuisopleiding bij een opleidende zorgaanbieder.
Natuurlijk persoon die met goed gevolg een volledige ziekenhuisopleiding heeft voltooid bij een erkende opleidende zorgaanbieder en een diploma heeft van het CZO. Dit betreft alle ziekenhuisopleidingen.
De registratiecommissie voor ziekenhuisopleidingen is het College Zorg Opleidingen (CZO).
Het CZO geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3.
De NZa ontvangt van het CZO een opgave van het gerealiseerde aantal ingestroomde en gediplomeerde personen in jaar t uitgesplitst naar ziekenhuisopleidingen en door het CZO erkende zorgaanbieders.
Artikel 2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze zorgaanbieders in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage voor de bekostiging van (medische) vervolgopleidingen en op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om deze beschikbaarheidbijdrage toe te kennen.
Artikel 3. Reikwijdte
Deze beleidsregel is van toepassing op het door een zorgaanbieder beschikbaar hebben van (medische) vervolgopleidingen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.
Artikel 4. Algemeen
De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter vergoeding van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische) vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.
De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders die erkend zijn door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.18, de opleidingsinstituten als genoemd in artikel 1.19 en 1.20 of het CZO als genoemd in artikel 1.27, om een (medische) vervolgopleiding te verzorgen en aan de werkgevers voor specifieke opleidingen zoals bedoeld in artikel 1.21.
Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en een door de minister aangewezen opleidingsinstelling.
De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt plaats volgens de volgende formule:
| Aantal uren opleiding volgens de personeels- of salarisadministratie van de zorgaanbieder' gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling. |
|---|
De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel dienstverband heeft. Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.