Besluit Earningsstrippingmaatregel 2025

Type Beleidsregel
Publication 2025-07-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de earningsstrippingmaatregel die is opgenomen in afdeling 2.9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1. Inleiding

Sinds 1 januari 2019 bevat afdeling 2.9a van de Wet Vpb 1969 een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel vloeit voort uit de Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking en is gericht op het voorkomen van winstverschuiving en grondslaguitholling door middel van rentebetalingen. Daarnaast wordt een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd.1Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 17. De earningsstrippingmaatregel brengt mee dat het saldo van de rentelasten en de rentebaten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst, niet aftrekbaar is voor zover dat saldo meer bedraagt dan 24,5% van de gecorrigeerde winst, of € 1 miljoen indien dit meer is dan 24,5% van de gecorrigeerde winst. Het percentage van 24,5% is van toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Voor de boekjaren 2019 tot en met 2021 bedroeg het percentage 30%. Voor de boekjaren 2022 tot en met 2024 bedroeg het percentage 20%.

Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor het waarborgen van de eenheid van beleid en uitvoering bij de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969. Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering.

Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 24 november 2023, nr. 2023-22492, (Stcrt. 2023, 31452). Bij deze actualisering zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

2. Nadere omschrijving van en toelichting op wettelijke begrippen

Dit onderdeel schetst, voor de toepassing van afdeling 2.9a van de Wet Vpb 1969, het beleidsmatige kader van enkele in artikel 15b Wet Vpb 1969 gehanteerde begrippen.

2.1. Saldo aan renten; rentelasten en rentebaten

Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen die zonder toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969 in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt ten minste nihil. Het saldo aan renten is bij de bepaling van de in een jaar genoten winst aftrekbaar tot 24,5% van de gecorrigeerde winst, of tot maximaal € 1 miljoen indien dat meer is dan 24,5% van de gecorrigeerde winst. Onder ‘jaar’ moet in dit verband worden verstaan: boekjaar.

Zoals uit de parlementaire behandeling volgt, wordt aan het rentebegrip een economische uitleg gegeven. Daarbij is opgemerkt dat rente in feite de vergoeding is voor het ter beschikking stellen van geld.2Kamerstukken I 2018/19, 35 030, nr. E, p. 3.

2.1.1. Wettelijke rente

Wettelijke rente, geregeld in artikel 6:119 e.v. BW, is juridisch gezien een schadevergoeding die verschuldigd is omdat een verbintenis tot betaling van een geldsom niet tijdig wordt nagekomen. Het liquiditeits- of rentenadeel dat hierdoor ontstaat, wordt op basis van een bij of krachtens de wet vastgesteld percentage vergoed.

In lijn met de economische uitleg van het rentebegrip wordt wettelijke rente tot het saldo aan renten gerekend, omdat degene aan wie de wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de onderliggende overeenkomst niet wordt nagekomen, in feite de schuldenaar financiert. In dat geval is sprake van een MEGVO. Ter voorkoming van misverstanden wordt opgemerkt dat belasting- en invorderingsrente geen wettelijke rente zijn.

2.1.2. (Dis)agio door afwijkende marktrente bij uitgifte obligatie

Bij de uitgifte van een obligatielening boven of onder pari ontstaat agio of disagio. Een dergelijk agio of disagio wordt veelal over de looptijd van de lening door middel van amortisatie of oprenting ten laste of ten gunste van de winst gebracht. Dit kan op basis van de lineaire methode of de effectieve interestmethode. In die gevallen valt de amortisatie of oprenting onder het rentebegrip van artikel 15b Wet Vpb 19693Idem. en vormt gesaldeerd met de contractuele rente de effectieve rente voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969.

2.1.3. (Dis)agio door afwijkende marktrente bij overdracht lening

Als bij de overdracht van vorderingen of schulden de marktrente afwijkt van de nominale rente ontstaat er bij de overnemer agio of disagio. De behandeling van dit (dis)agio volgt de behandeling van (dis)agio bij uitgifte van een obligatielening boven of onder pari.

2.1.4. Waardemutaties door afwijkende marktrente bij overdracht lening

De overdracht van vorderingen of schulden met een nominale rente die afwijkt van de marktrente kan bij de overdrager tot een resultaat leiden. Dit resultaat als gevolg van waardemutaties van vorderingen en schulden door afwijkende marktrente is niet van invloed op het saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969.4Zie het voorbeeld opgenomen in Kamerstukken I 2018/19, 35 030, nr. E en G.

2.1.5. (Dis)agio bij sfeerovergang

Als een lichaam (gedeeltelijk) belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting kan de earningsstrippingmaatregel van toepassing worden op geldleningen van dit lichaam, waar dat voorheen niet het geval was. Deze ‘sfeerovergang’ ten aanzien van geldleningen kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een overheidslichaam, een stichting, of een lichaam dat zijn feitelijke leiding naar Nederland heeft verplaatst.

Op de openingsbalans worden vorderingen en schulden gesteld op de waarde in het economische verkeer bij het ontstaan van de belastingplicht. De behandeling van eventueel agio of disagio volgt de behandeling van agio of disagio bij de uitgifte van een lening boven of onder pari.

Van (dis)agio bij sfeerovergang kan ook sprake zijn in het geval van een renteswapovereenkomst. Voor de behandeling hiervan verwijs ik naar onderdeel 2.5.1.

2.1.6. Waardemutaties embedded derivaat in een extendible lening

Een embedded derivaat in een lening is een onlosmakelijk onderdeel van de bepalingen over de rente en looptijd van die overeenkomst van geldlening. Een embedded derivaat kan onderdeel zijn van een extendible lening.

Een extendible lening is een overeenkomst van geldlening met meerdere rentetijdvakken, waarbij een schuldeiser de optie heeft om te bepalen of een nieuw rentetijdvak ingaat, waardoor de lening tegen een nieuwe rente doorloopt.

Het embedded derivaat in een extendible lening kan commercieel en fiscaal afzonderlijk, dat wil zeggen apart van de schuld, op de balans worden gewaardeerd tegen de waarde in het economisch verkeer. In dat geval behoren waardemutaties van het embedded derivaat (zowel positief als negatief) tot het saldo aan rente van artikel 15b Wet Vpb 1969. Voor de kwalificatie van een extendible lening verwijs ik naar onderdeel 2.2.6.

2.1.7. Amortisatie van (dis)agio na doorzak

Er is sprake van een doorzak als de combinatie van een renteswapovereenkomst en een variabel-rentende lening wordt omgezet in een vastrentende lening. Als de rente op de verkregen vastrentende lening als gevolg van een doorzak afwijkt van de marktrente, kan (dis)agio ontstaan. Amortisatie van dit (dis)agio valt onder het economische rentebegrip van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969. Voor de behandeling van renteswapovereenkomsten verwijs ik naar onderdeel 2.5.1.

2.2. Overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst

Artikel 15b Wet Vpb 1969 ziet op renten ter zake van een geldlening. Artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 bevat een definitie van het begrip ‘geldlening’. Daaronder wordt verstaan: een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Ook een spaardeposito is een geldlening. Een belastingschuld valt niet onder het begrip geldlening.5Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 89; Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 24; Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8, p. 17–18. Dit betekent dat belastingrente en invorderingsrente niet tot het saldo aan renten behoren.

Een betalingskorting voor betaling van een schuld (ineens) op enig tijdstip vóór ommekomst van de betalingstermijn, is geen voor artikel 15b Wet Vpb 1969 in aanmerking te nemen rentebate of -last. Een verbintenis tot betaling die nog niet uit de betalingstermijn is gelopen is namelijk geen overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst.

2.2.1. Beoordelingskader van een ‘met een geldlening vergelijkbare overeenkomst’

In de praktijk komen uiteenlopende vormen voor van een MEGVO. Kenmerkend voor een MEGVO is dat een vergoeding in geld wordt betaald voor het aantrekken van financiering of het anderszins creëren van koopkracht. Hierbij zal er doorgaans een verband bestaan tussen de initiële waarde van de geldvordering en de waarde van hetgeen is verstrekt. De geldvordering kan betrekking hebben op een andere prestatie dan de verstrekking van een geldsom, bijvoorbeeld op goederen in geval van huurkoop, maar de afwikkeling vindt plaats in geld.

Een MEGVO moet de feitelijke transactie weerspiegelen en is doorgaans schriftelijk vastgelegd. In de overeenkomst valt een hoofdsom te onderkennen, een terugbetalingsverplichting en een rente of een (betalings)verplichting die daarmee in economische zin vergelijkbaar is.

Een aanwijzing voor een MEGVO is de aanwezigheid van een (rentedragende) schuld respectievelijk vordering op de fiscale (en commerciële) balans van de bij de overeenkomst betrokken partijen. De wijze waarop de rente in aanmerking wordt genomen is daarbij niet van belang.

Voorbeelden van een MEGVO zijn overeenkomsten van financiële lease, huurkoop en koop op afbetaling,6Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39. maar ook andere overeenkomsten waarbij, door het verstrijken van betalingstermijnen, een situatie is ontstaan die feitelijk gelijkstaat aan koop op afbetaling.

Een overeenkomst van huur of operationele lease7Idem. dan wel een kortlopend leverancierskrediet8Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 89; Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 24; Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8, p. 17–18. is geen MEGVO.

Het hiervoor geschetste beoordelingskader is slechts richtinggevend van aard en kan zich verder ontwikkelen aan de hand van (voortschrijdend) inzicht in (nieuwe) praktijksituaties. Twijfelgevallen kunnen binnen de daarvoor gestelde kaders worden voorgelegd aan de inspecteur, die hierover contact opneemt met de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering.

2.2.2. Design, Build, Finance, Maintain and Operate-contract (DBFMO-contract)

Een Design, Build, Finance, Maintain and Operate-contract (DBFMO-contract) is een contractvorm waarbij de opdrachtnemer verantwoordelijk is voor het ontwerp, de bouw, de financiering, het onderhoud en de exploitatie van een Publiek-Private Samenwerking (PPS)-project. Hierbij kan worden gedacht aan een kantoor van de Rijksoverheid of aan een penitentiaire inrichting. De opdrachtgever betaalt vanaf het moment dat het project voor gebruik beschikbaar is periodiek een zogenoemde beschikbaarheidsvergoeding. Onderdeel van het DBFMO-contract is het zogenoemde ‘financieel model.’ Uit dit financieel model volgt welke componenten van de beschikbaarheidsvergoeding betrekking hebben op de aflossing van de hoofdsom en de in rekening gebrachte rente. Opdrachtnemer en opdrachtgever verwerken die componenten ook als zodanig. Gelet op het voorgaande omvat een DBFMO-contract op basis van het hiervoor uiteengezette beoordelingskader ook een MEGVO.

2.2.3. (Non-)recourse factoringovereenkomst

Factoring is een dienst waarbij de factormaatschappij (de factor) vorderingen overneemt van de oorspronkelijke crediteur. Er zijn diverse vormen van factoring. De kwalificatie van een factoringovereenkomst voor artikel 15b Wet Vpb 1969 hangt af van de invulling van de overeenkomst. Denk hierbij aan de verdeling van het debiteurenrisico en de administratie tussen factor en de oorspronkelijke crediteur. Hierna wordt aandacht besteed aan non-recourse factoring en recourse factoring.

Non-recourse factoring, ook wel ‘old line factoring’ of ‘factoring zonder regres’ genoemd, kenmerkt zich doordat in feite de factor zonder voorbehoud vorderingen op derden koopt, waarbij de eigendom van de vorderingen en daarmee het gehele debiteurenrisico wordt overgedragen aan de factor zonder terugbetalingsverplichting. Een dergelijke non-recourse factoringovereenkomst kwalificeert daarom niet als een overeenkomst van geldlening of een MEGVO. De onderliggende vorderingen kunnen zelfstandig bezien wel een geldlening of een MEGVO zijn.

Bij recourse factoring, ook wel ‘factoring met regres’ genoemd, blijft het debiteurenrisico achter bij de oorspronkelijke crediteur. Een recourse factoring-overeenkomst is geen overeenkomst van geldlening, maar kan afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden een MEGVO vormen.

2.2.4. Renteswapovereenkomsten

Renteswapovereenkomsten zijn derivaten die, ten opzichte van een overeenkomst van geldlening, in afzonderlijke overeenkomsten zijn vastgelegd. Renteswapovereenkomsten zijn volgens het hiervoor uiteengezette beoordelingskader geen overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Zo is er geen hoofdsom ter beschikking gesteld en wordt er geen koopkracht gecreëerd. Aan het voorgaande doet niet af dat kosten en resultaten ten aanzien van renteswapovereenkomsten op grond van artikel 15b, zesde lid, onderdelen b en c, Wet Vpb 1969 tot het saldo aan renten kunnen behoren. Zie hiervoor onderdeel 2.5.

2.2.5. Securities lending met aandelen

Aandelen kunnen in de vorm van securities lending worden uitgeleend. Hoewel securities lending met aandelen een vorm van verbruikleen is en het uitgeleende in geld kan worden uitgedrukt, is geen sprake van een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. De reden hiervoor is dat de transactie geen betrekking heeft op het ter beschikking stellen van gelden en niet in geld wordt afgewikkeld. Dit is anders als een securities lending-overeenkomst zelfstandig of als onderdeel van een samenstel van rechtshandelingen in feite een geldlening behelst.

2.2.6. Extendible lening

Een extendible lening is een overeenkomst van geldlening met meerdere rentetijdvakken, waarbij een schuldeiser de optie heeft om te bepalen of een nieuw rentetijdvak ingaat, waardoor de lening tegen een nieuwe rente doorloopt. Deze optie wordt ook wel een embedded derivaat genoemd. Het embedded derivaat is een onlosmakelijk onderdeel van de bepalingen over de rente en looptijd van de overeenkomst. Een extendible lening kwalificeert als geldlening als bedoeld in artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969.

2.3. Wettelijke uitbreiding rentebegrip; kosten en resultaten ter zake van geldleningen

In artikel 15b, zesde lid, onderdelen b tot en met e, Wet Vpb 1969, worden bepaalde kosten en resultaten ter zake van geldleningen of daarmee verband houdende rechtshandelingen, aangemerkt als rentelasten. Een dergelijke vergoeding valt dus in beginsel niet onder het economische rentebegrip van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969, maar behoort wel tot het saldo aan renten als sprake is van een geldlening. Dit illustreer ik hierna aan de hand van een voorbeeld.

Een bereidstellingsprovisie is een vergoeding die door een kredietnemer wordt betaald aan de kredietverstrekker voor het beschikbaar houden van een (nog) uit te lenen bedrag. Bereidstellingsprovisies komen in de praktijk onder meer voor bij revolving credit facilities en overbruggingsfinancieringen. Indien (nog) geen geldmiddelen op de facilities worden verstrekt, is in zoverre (nog) geen sprake van een geldlening en zijn bereidstellingsprovisies geen kosten respectievelijk rentelasten als bedoeld in artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969.

2.4. Wettelijke uitbreiding rentebegrip; rentelast maar geen rentebate

Artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 merkt bepaalde kosten aan als rentelasten. De opbrengsten kwalificeren bij de ontvanger daarentegen niet als rentebate. Onderdeel b van het zesde lid heeft, anders dan onderdeel c, geen betrekking op opbrengsten of positieve voordelen.

2.4.1. Boeterente

Betaalde boeterente behoort bij de betaler als rentelast tot het saldo aan renten. In de parlementaire geschiedenis is boeterente namelijk genoemd als één van de voorbeelden van kosten ter zake van een geldlening als bedoeld in artikel 15b, zesde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969.9Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 39. Boeterente valt dus niet onder het economische rentebegrip van artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969. Ontvangen boeterente wordt hierdoor niet als rentebate aangemerkt en behoort daarmee niet tot het saldo aan renten.

2.4.2. Garantstellingsvergoeding

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.