Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver
In dit kavelbesluit worden enkele voorschriften opgenomen om lichtuitstraling te beperken. Hiermee gelden voor specifieke aspecten inzake markering en verlichting bijzondere bepalingen, passend binnen de internationale eisen. Voor overige niet in het kavelbesluit gereguleerde aspecten blijven de algemene eisen onverminderd van kracht zoals deze voortvloeien uit artikel 7.40 van het Bal en het bovengenoemde informatieblad.
6.2.2. Gevolgen
Kavel Gamma-B ligt op meer dan 70 kilometer uit de kust. De zichtbaarheid van een windpark binnen de kavel Gamma-B is in het MER aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve criteria in kaart gebracht. De afstand waarop een object nog kan worden waargenomen wordt het zichtbereik genoemd. Dit bereik hangt van een viertal factoren af:
Uit het MER volgt dat het windpark overdag nauwelijks zichtbaar zal zijn vanaf het vasteland.
Met het oog op de scheepvaart- en luchtvaartveiligheid worden windturbines voorzien van markering- en obstakellichten. Uit internationale richtlijnen36International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA) Guideline G1162, The marking of offshore man-made structures. volgt dat de verlichting op de windturbines voor scheepvaartveiligheid, bestaande uit een flitsend geel licht, tussen de zes en dertig meter boven het zeeniveau op de windturbines wordt geïnstalleerd. Deze verlichting is vanwege de kimduiking niet zichtbaar vanaf de kust.
Uit internationale richtlijnen37Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. De verlichtingsrichtlijnen zijn opgenomen in ICAO, Annex 14, chapter 6. voor de luchtvaartveiligheid volgt dat windturbines met een tiphoogte van meer dan 150 meter dienen te zijn voorzien van een flitsend licht voor de nacht en schemerperiode. De verlichting die in verband met luchtvaartveiligheid wordt aangebracht, wordt in ieder geval geïnstalleerd op de gondel van de windturbine. Gelet op de beperkte verlichtingssterkte van 2.000 candela in de nacht, de kimduiking en de meteorologische omstandigheden, is in het MER geconcludeerd dat de luchtvaartveiligheidsverlichting slechts in zeldzame gevallen ’s nachts zichtbaar kan zijn vanaf het vasteland. De aeronautische verlichting draagt echter bij aan de toenemende lichtvervuiling op de Noordzee, met name in de nacht. In de Europese Natuurherstelverordening (EU-verordening 2024/1991) wordt gewezen op de negatieve effecten van kunstlicht op ecosystemen. Kunstlicht heeft negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. De Natuurherstelverordening roept lidstaten op om lichtvervuiling in ecosystemen te stoppen of zoveel mogelijk te verminderen.
Ten aanzien van de nacht- en schemerverlichting op de windturbines is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van dynamische verlichting. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’. De conclusie is dat indien de zichtomstandigheden voor de luchtvaart goed zijn, de lichtintensiteit van de op de gondel aangebrachte verlichting kan worden verminderd. Ook worden de windturbines op grond van het informatieblad voorzien van vastbrandende verlichting in plaats van flitsende verlichting. Daarmee is de verlichting afdoende in het kader van de luchtvaartveiligheid.
Voorschrift 4, negende lid, bevat bijzondere bepalingen over de aeronautische verlichting in het windpark. Deze eisen dienen op het aspect van verlichting en markering door de vergunninghouder betrokken te worden in de onderbouwing van de melding bedoeld in artikel artikelen 7.34 van het Bal.
6.2.3. Afweging
Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel Gamma-B onder zeldzame omstandigheden ’s nachts vanaf het vasteland zichtbaar kan zijn. Gelet op het grote belang van windenergie, is de zeer beperkte zichtbaarheid van het windpark gedurende het jaar aanvaardbaar. Voor wat betreft de verlichting in de nacht bestaan bovendien mogelijkheden om de zichtbaarheid te beperken door de lichtintensiteit te verminderen.
Het productieproces van windturbines is in het bijzonder gericht op de kleuren RAL 9010 (zuiver wit) en RAL 7035 (lichtgrijs).38De bestaande windparken Luchterduinen, Amalia en OWEZ zijn uitgevoerd in RAL 7035 (lichtgrijs) en de Gemini windparken in RAL 9010. Uit de publieksonderzoeken39Motivaction, in opdr. van RVO, Belevingsonderzoek kleurstelling windturbines; Onderzoek naar het verminderen van de zichtbaarheid van windturbines door kleurstelling, 2017; Motivaction, in opdr. van RVO, Zichtbaarheid en aantrekkelijkheid en van windparken op zee, 2017. volgt dat bij zonnig weer grijze windturbines het minst zichtbaar zijn en als minst hinderlijk worden ervaren. Bij bewolkt weer zijn witte windturbines het minst zichtbaar en minst hinderlijk. Omdat het windpark overdag niet zichtbaar is vanaf de kust, wordt in dit kavelbesluit geen kleur voorgeschreven. Dit neemt niet weg dat de regelgeving voor luchtvaartveiligheid als uitgangspunt stelt dat de mast, rotorbladen en gondel in de kleur wit worden uitgevoerd.40Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ICAO, Annex 14, chapter 6. Indien lichtgrijze windturbines (RAL 7035) worden gebruikt, kan op grond van de internationale eisen (ICAO) in sommige gevallen ter borging van de luchtvaartveiligheid een noodzaak bestaan om (een deel van de) turbines overdag te verlichten. In dat geval kan ook overdag rode vastbrandende verlichting worden gebruikt. De gevallen waarin dit nodig is en de daarbij gestelde eisen zijn uitgewerkt in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’.
6.2.4. Toelichting voorschriften
De minimale afstand van de windturbines tot aan de kust volgt uit voorschrift 2, eerste lid, waarin is bepaald binnen welke contour de windturbines geplaatst mogen worden. De maximale tiphoogte van de windturbines is vastgelegd in voorschrift 3, zesde lid.
Aeronautische obstakellichten op de gondel van windturbines zijn op grond van het informatieblad vastbrandende (dat wil zeggen niet-flitsende) rode lichten. In voorschrift 4, negende lid, zijn bepalingen opgenomen om de uitstraling van verlichting van het windpark te beperken en het uniforme voorkomen van windparken binnen de Nederlandse EEZ te borgen. Indien de zichtbaarheid buiten de daglichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van de aeronautische obstakellichten buiten de daglichtperiode tot 30 procent verlaagd, indien de zichtbaarheid buiten de daglichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit buiten de daglichtperiode tot 10 procent verlaagd. Deze maatregel is beschreven in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en wordt middels voorschrift 4, negende lid, onderdeel a, bindend voorgeschreven. In voorschrift 4, negende lid, onderdeel d, is een uitzonderingsmogelijkheid op deze verplichting opgenomen, wanneer dat in het belang van de bescherming van vogels of in het belang van onderzoek naar de bescherming van vogels is. Deze uitzonderingsmogelijkheid maakt bijvoorbeeld het gebruik van Aircraft Detection Lighting System (ADLS) mogelijk.
In afwijking van artikel 7.40 van het Bal, waarin thans nog verwijzingen zijn opgenomen naar de (verouderde) richtlijn CAP 764 en de IALA-aanbeveling O-13941Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures., is in voorschrift 4, negende lid, onderdeel c, bepaald dat de melding ingevolge artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Bal op het aspect van verlichting en markering wordt opgesteld in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en de IALA richtlijn G1162.42Artikel 4, derde lid, van de Wet windenergie op zee biedt een grondslag voor de afwijking van artikel 7.40 van het Bal. Het is voorts van groot belang dat de vergunninghouder TenneT betrekt in het opstellen van de melding ingevolge artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Bal (op het aspect van verlichting en markering), aangezien nog niet alle veiligheidsonderzoeken inzake de helikopteroperaties van TenneT zijn afgerond, en uit die onderzoeken aangaande vluchten van en naar het platform van TenneT bijzondere verlichtingseisen kunnen volgen. Het betreft de windturbines die nabij de aanvliegroute van het TenneT-platform gepositioneerd zijn. Daarnaast bevat voorschrift 4, negende lid, een bepaling over verlichting bij noodsituaties.
6.3. Recreatie en toerisme
De kust is een geliefde plek voor verschillende soorten recreatie. De Noordzeebadplaatsen zijn onder toeristen uit binnen- en buitenland populaire bestemmingen. Daarnaast vinden aan de kust watersportactiviteiten, recreatievaart en sportvisserij plaats.
6.3.1. Gevolgen
Zoals is vermeld in paragraaf 6.2.2 zal een windpark in kavel Gamma-B nauwelijks zichtbaar zijn vanaf de stranden.
Het windenergiegebied IJmuiden Ver ligt ver buiten de gebieden die doorgaans voor recreatievaart worden gebruikt maar kan wel hinder veroorzaken voor passagiersschepen tussen Nederland en Engeland. Desondanks is sprake van een kans dat een windpark in kavel Gamma-B in beperkte mate resulteert in een noodzaak tot omvaren voor de recreatievaart. De aanwijzing van de clearway zal de noodzaak tot omvaren voor een groot deel kunnen beperken.
Omdat steeds meer windturbines in zee worden geplaatst, zal de kans op aanvaringen van zeegaande recreatievaart, zeilvaart en sportvissers licht toenemen. Dat effect wordt verder in paragraaf 6.11.2 over scheepvaartveiligheid beschreven en beoordeeld.
6.3.2. Afweging
Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel Gamma-B nauwelijks effect zal hebben op de kustrecreatie en toerisme en beperkte hinder zal opleveren voor de recreatievaart.
6.3.3. Toelichting voorschriften
Er is geen aanleiding om voor dit onderwerp voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit, anders dan de voorschriften die al opgenomen zijn voor de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 6.2.4).
6.4. Mijnbouwactiviteiten
6.4.1. Beleid
In het Programma Noordzee 2022–2027 is vastgelegd dat mijnbouwactiviteiten, zoals olie- en gaswinning en CO2-opslag, activiteiten van nationaal belang zijn. Er zal zo veel mogelijk winning van aardgas en -olie uit de Nederlandse velden op de Noordzee worden gerealiseerd zodat het potentieel van voorraden wordt benut, binnen de grenzen van de afspraken van het Parijse Klimaatakkoord. Daarnaast stimuleert het kabinet de afvang van CO2 en opslag daarvan onder de Noordzee. Er wordt gestreefd naar vroegtijdige afstemming tussen het ruimtegebruik op de Noordzee ten behoeve van windenergie en mijnbouwactiviteiten.
Gekoppeld aan het belang van de aanwezigheid van infrastructuur ten behoeve van de mijnbouwactiviteiten (zoals platforms en leidingen), speelt ook de helikopterbereikbaarheid van de platforms een rol bij de ruimtelijke inpassing van windparken. In het Programma Noordzee 2022–2027 is in dat kader opgenomen dat voor mijnbouwplatforms met een helikopterdek het vertrekpunt een obstakelvrije zone is van 5 nautische mijl rondom het platform.43In opdracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere onderzoeken gedaan naar de houdbaarheid van dit beleidsvertrekpunt van 5 nautische mijl obstakelvrije zone en wordt een alternatief beleidskader verkend. Zie in dit verband Kamerstukken II, 2022/23, 34 682, nr. 161. In specifieke situaties, door toepassing van het ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’ wordt bezien of maatwerk mogelijk is. Het inpassingsproces behelst in elk geval afstemming met de relevante belanghebbenden, zoals de vergunninghouders en het bevoegd gezag. Daarnaast wordt expertise rondom luchtvaart- en arbeidsveiligheid betrokken. De luchtzijdige bereikbaarheid van mijnbouwplatforms komt verder in paragraaf 6.6.2 aan de orde.
Verschillende mijnbouwinstallaties op de Noordzee zullen de komende jaren het einde van hun economische levensduur bereiken. Buiten gebruik gestelde mijnbouwplatforms worden op grond van artikel 44, tweede lid, van de Mijnbouwwet verwijderd, indien hergebruik (voor bijvoorbeeld CO2-opslag) niet mogelijk is. De wijze waarop een mijnbouwwerk wordt verwijderd, wordt beschreven in een verwijderingsplan. Het verwijderingsplan wordt ter instemming voorgelegd aan de minister. De vereiste maatregelen voor het buiten gebruik stellen van boorgaten en putten zijn vastgelegd in afdeling 8.5 van de Mijnbouwregeling. Op grond van artikel 8.5.1.3 van de Mijnbouwregeling moet een put op een effectieve en duurzame wijze worden afgesloten, waarmee moet worden voorkomen dat ondergrondse gassen en vloeistoffen door de sluitlaag naar andere gesteentelagen of naar het oppervlak kunnen stromen. Om putten permanent af te sluiten worden doorgaans pluggen van cement in de put aangebracht. De put wordt net onder het oppervlak afgesloten en de stalen behuizingen worden enkele meters onder de zeebodem doorgesneden.
Het verwijderen van een pijpleiding kan meer milieuschade veroorzaken dan wanneer deze blijft liggen. In dat geval zorgt de vergunninghouder van de pijpleiding ervoor dat de leiding schoon en veilig wordt achtergelaten, en periodiek wordt gemonitord. De minister kan op grond van artikel 45, tweede lid, van de Mijnbouwwet wel bepalen dat de beheerder van een pijpleiding verplicht is om de pijpleiding te verwijderen na buitenwerkingstelling.
6.4.2. Gevolgen
Kavel Gamma-B in het windenergiegebied IJmuiden Ver ligt in een gebied waarvoor vergunningen voor de winning van koolwaterstoffen zijn afgegeven. Een winningsvergunning verleent het alleenrecht om in een gebied de olie- of gasvoorraden te exploiteren. Voor de feitelijke exploitatie zijn nog andere vergunningen nodig. In kavel Gamma-B betreft het winningsvergunningen voor de gebieden K17a en K18a (zie figuur 4).44De vergunninghouder van een opsporings- of winningsvergunning zal vanaf het moment van bekendmaking van het voorbereidingsbesluit voor het kavelbesluit (artikel 9 van de Wet windenergie op zee) er wel rekening mee moeten houden dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, in de zin van artikel 7.67, lid b, sub 3 van het Bal, in een gebied dat is aangewezen in een voorbereidingsbesluit of kavelbesluit. In besluitvorming over (thans niet voorziene) nieuwe winningen zal derhalve rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van een windpark. In blok K17a is het platform K17-FA-1 gesitueerd. Dit platform ligt in de beoogde clearway, net ten zuiden van kavel Gamma-B, maar heeft geen helikopterdek. De winningsvergunningen voor K17a en K18a zijn onherroepelijk.
In kavel Gamma-B bevinden zich geen operationele mijnbouwwerken, maar wel buiten gebruik gestelde boorgaten. Gelet op de eisen die de Mijnbouwregeling stelt aan het buiten gebruik stellen van boorgaten, is geen lekkage van gassen of vloeistoffen te verwachten.
Kavel Gamma-B wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele producerende en onontwikkelde gasvelden. Het actieve gasveld K17-FA en de onontwikkelde gasvelden K17-FB en K17-Zechstein bevinden zich (deels) in de diepe ondergrond van de kavel Gamma-B.
Net ten zuiden van de kavel Gamma-B, buiten de kavelbegrenzing, bevindt zich wel een operationeel mijnbouwplatform (platform K17-FA-1) van Tenaz Energy Netherlands. In de begrenzing van kavel Gamma-B is rekening gehouden met dit platform alsmede de daarvoor benodigde veiligheidszone van 500 meter. De scheepvaartveiligheid rondom K17-FA-1 komt in paragraaf 6.11 aan de orde.
Tenaz Energy Netherlands heeft recentelijk aangegeven binnen haar winningsvergunningen K17a en K18a mogelijk nieuwe gaswinningsactiviteiten te willen ontwikkelen in en rond kavel Gamma-B. Tenaz Energy Netherlands (en rechtsvoorganger NAM Offshore B.V.) heeft met het Ministerie van Klimaat en Groene Groei gesprekken gevoerd over hoe deze aanvullende gaswinningsactiviteiten kunnen worden ingepast, zowel in de ruimte als in de tijd, op de beoogde locaties. Uit onderzoek van Afry blijkt dat de aanvullende gaswinningsactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands in en nabij kavel Gamma-B inpasbaar zijn met beperkte invloed op de businesscase van het windpark. De gevoeligheidsanalyse laat zelfs een verbetering zien van de jaarlijkse energieopbrengsten van het windpark in de aangepaste verkaveling (als beschreven in paragraaf 4.2.2) ten opzichte van de situatie met de kavelbegrenzing in het ontwerpkavelbesluit.45AFRY, in opdr. van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, Invloed van opties voor mijnbouw-inpassing op IJmuiden Ver Gamma-B, 2025. Er zijn reserveringszones voor verkeer naar en van de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ opgenomen waar geen turbines mogen worden geplaatst. Het gaat hier om scheepsverkeer en bij bijzondere activiteiten rondom de platforms mogelijk ook helikopterverkeer. Binnen deze reserveringszone kunnen wel inter-array kabels worden gelegd. Binnen de veiligheidszone van 500 meter rondom de mogelijke mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ mogen geen windturbines en geen inter-array kabels worden geplaatst.
In de toekomst is mogelijk sprake van CO2-opslag in gasvelden binnen of nabij het windenergiegebied IJmuiden Ver. Op dit moment zijn ontwikkelingen hieromtrent onvoldoende concreet. Indien te zijner tijd het voornemen bestaat om deze opslag te realiseren dan dient vooraf in een mer-procedure te worden onderzocht of Carbon Capture and Storage (CCS) veilig is te combineren met het windpark op zee.
Binnen kavel Gamma-B liggen enkele buiten gebruik gestelde boorgaten. Nabij het gebied is nog overige mijnbouwinfrastructuur aanwezig die nog niet is verwijderd, of nog niet permanent veilig is achtergelaten. Dit betreft in ieder geval boorgaten die nog niet permanent zijn afgesloten. De afstand tussen deze niet permanent afgesloten boorgaten en de kavelgrens is minimaal 500 meter.
Binnen kavel Gamma-B bevindt zich een pijpleiding die in gebruik is ten behoeve van het transport van aardgas. Op welke wijze er rekening wordt gehouden met pijpleidingen staat beschreven in paragrafen 4.2.2, 6.9.2 en 6.9.3.
6.4.3. Afweging
Binnen de kavel Gamma-B zijn winningsvergunningen voor koolwaterstoffen verleend op grond van de Mijnbouwwet die een aanzienlijk deel van de kaveloppervlakte bestrijken. Daarnaast liggen er operationele en onontwikkelde gasvelden onder de kavel Gamma-B. Met het bestaande platform K17-FA-1, dat net ten zuiden van kavel Gamma-B ligt, en de daarvandaan lopende gaspijpleiding (richting platform K14-FB-1) is bij de vormgeving van kavel Gamma-B rekening gehouden. Ook is rekening gehouden met voorziene mijnbouwactiviteiten.
Gelet op de vigerende winningsvergunningen en de aanwezigheid van operationele en onontwikkelde gasvelden, zijn gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en Tenaz Energy Netherlands om te bezien hoe een windpark in de kavel kan worden gecombineerd met mogelijke nieuwe mijnbouwactiviteiten onder de vigerende winningsvergunning in en rondom deze kavel. Door maatwerkafspraken tussen Tenaz Energy Netherlands en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, en de daaruit vloeiende aanpassingen in de verkaveling, blijven nieuwe mijnbouwactiviteiten in de kavel mogelijk. Om deze toekomstige mijnbouwplatforms en infrastructuur te kunnen realiseren zullen deze nog een vergunningenprocedure moeten doorlopen.
Twee nieuwe onbemande mijnbouwplatforms zullen mogelijk in en nabij de kavel worden geplaatst. Ook zullen mogelijk een of meer nieuwe pijpleidingen worden gelegd om de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms te verbinden met andere (nieuwe dan wel bestaande) mijnbouwplatform(s). Om de nieuwe mijnbouwactiviteiten mogelijk te maken en voldoende ruimte voor windenergie te behouden, is de verkaveling aangepast zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven. Er is ruimte gereserveerd voor de veiligheidszone rondom de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms en voor de bereikbaarheid van de bestaande en mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms. Het tracé inclusief de onderhoudszone van de mogelijke nieuwe pijpleiding(en) die de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms met andere (nieuwe dan wel bestaande) mijnbouwplatforms gaat/gaan verbinden zal binnen de zone(s) vallen die is/zijn gereserveerd voor de bereikbaarheid van de platform(s).
De aanleg, het onderhoud en de verwijdering van het windpark en mijnbouwactiviteiten kunnen elkaar beïnvloeden. Het is aan de vergunninghouder van het windpark om de werkzaamheden in de kavel waar relevant af te stemmen met de vergunninghouder van de eventuele mijnbouwactiviteit. Hierbij valt te denken aan afstemming over helikopteroperaties, vaarbewegingen, bouwperiodes en het kruisen van leidingen met inter-array-kabels (of andersom) aangezien een deel van die inter-array-kabels bestaande en mogelijk nieuwe pijpleidingen zullen moeten kruisen om het TenneT-platform te bereiken. Dit komt ook terug in paragraaf 6.9. Eventuele gevolgen voor beide activiteiten kunnen worden beperkt door een goede afstemming tussen de vergunninghouders van beide activiteiten.
Met de ruimtereserveringen voor de mogelijk toekomstige mijnbouwactiviteiten, vormt het windpark in kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver geen onaanvaardbaar obstakel voor de bestaande en thans voorziene nieuwe mijnbouwactiviteiten.
Op 7 maart 202446Stcrt. 2024, nr. 6862. is een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 9 van de Wet windenergie op zee. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, in de zin van artikel 7.67, lid b, sub 3 van het Bal, in een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of voorbereidingsbesluit. In besluitvorming over (eventuele) nieuwe winningen zal ingevolge artikel 8.5, lid 2, aanhef en onder c, van het Bkl rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van een windpark.
6.4.4. Toelichting voorschriften
Er zijn ten aanzien van de mogelijke nieuwe mijnbouwactiviteiten reserveringszones opgenomen. Er worden geen turbines geplaatst in deze reserveringszones. Dit is opgenomen in voorschrift 2, vierde en vijfde lid. Daarnaast geldt rondom de locaties van mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms een reservering voor een toekomstige veiligheidszone van 500 meter waarbinnen de vergunninghouder geen turbines mag plaatsen en ook geen inter-array-kabels mag leggen. Dit is opgenomen in voorschrift 2, zesde lid en zevende lid.
In voorschrift 2, tiende lid, is bepaald dat de Minister van Klimaat en Groene Groei kan instemmen met een eventueel verzoek van de vergunninghouder om af te wijken van een of meer van de beperkingen die zijn gesteld in voorschrift 2, vierde tot en met zevende lid, alsmede de daaraan gerelateerde beperkingen gesteld in het achtste lid, indien vaststaat dat de betreffende gebieden niet worden gebruikt voor de mijnbouwactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands. Op deze wijze is geborgd dat meer ruimte van het windenergiegebied kan worden benut voor windenergie indien vaststaat dat de mijnbouwactiviteiten niet worden uitgevoerd. In de beoordeling van een eventueel verzoek zal de Minister van Klimaat en Groene Groei moeten vaststellen dat de mijnbouwactiviteiten geen doorgang zullen vinden. Dit is bijvoorbeeld het geval indien Tenaz Energy Netherlands zelf aangeeft dat het de activiteiten niet zal uitvoeren, of als het tijdvak van de winningsvergunning verstrijkt en deze niet wordt verlengd, of indien andere benodigde vergunningen voor de toekomstige mijnbouwactiviteiten niet worden verleend en die besluiten onherroepelijk zijn. Een dergelijk ‘instemmingsbesluit’ is een besluit waarop de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Tegen een instemmingsbesluit of een weigering daarvan staat, na bezwaar, beroep open bij de bestuursrechter voor belanghebbenden, zoals de vergunninghouder van het windpark en de houder van de winningsvergunning die de mijnbouwactiviteiten wil uitvoeren.
De vergunninghouder van het windpark mag in beginsel geen bodemberoerende activiteiten verrichten in een straal van 150 meter rond een (buiten gebruik gesteld) boorgat in verband met de borging van de technische integriteit van een boorgatafsluiting. Dit is vastgelegd in voorschrift 4, elfde lid. Voorbeelden van bodemberoerende activiteiten zijn het leggen van kabels, het plaatsen van windturbines of andere installaties en het verankeren van werkschepen. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan.
Hoewel boorgaten op grond van de Mijnbouwregeling effectief en duurzaam worden afgesloten, kan in een zeldzaam geval een lekkage voorkomen. In dat geval biedt de uitsluitingszone van 150 meter ook de mogelijkheid om een mobiel boorplatform per schip naar de boorgatlocatie te slepen. Vanwege de minimale onderlinge afstand tussen turbines, die gelijk is aan viermaal de rotordiameter, is er in de meeste richtingen, bezien van de locatie van een boorgat, meer ruimte beschikbaar dan het minimum van 150 meter.
De afstand van 150 meter van een boorgat, waarbinnen geen bodemberoering mag plaatsvinden door de vergunninghouder van het windpark, wijkt zekerheidshalve af van de in het ontwerpkavelbesluit gehanteerde afstand van 100 meter. Hiermee ontstaat meer ruimte voor de uitvoering van eventuele herstelwerkzaamheden per schip of mobiel platform.47Vanwege de specifieke ruimtelijke eisen die gelden voor helikopteroperaties zal bij zeldzame herstelwerkzaamheden van een boorgat naar verwachting geen gebruik kunnen worden gemaakt van helikopters. Bij eventuele herstelwerkzaamheden is niet uitgesloten dat een mobiel boorplatform op kortere afstand van een turbine wordt gepositioneerd of schepen nabij een windturbine moeten manoeuvreren. Dit kan noodzakelijk zijn om herstelwerkzaamheden goed uit te kunnen voeren. Gelet hierop, kan de vergunninghouder in het ontwerp van het windpark uiteraard op basis van een eigen afweging uit voorzorg een grotere afstand dan 150 meter hanteren tussen de onderdelen van het windpark en het afgesloten boorgat.
Indien een boorgat redelijkerwijs niet met een afstand van 150 meter gemeden kan worden door de vergunninghouder van het windpark, dient voorafgaand aan de bodemberoerende werkzaamheden een nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden. Daarnaast moet instemming zijn verkregen van de beheerder van het betreffende boorgat. Dit is opgenomen in voorschrift 4, elfde lid.
Om eventuele hinder voor uitvoerders van onderhoud- of herstelwerkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen, is als waarborg in voorschrift 4, tiende lid, in dit kavelbesluit ook bepaald dat tijdens werkzaamheden aan thans geplande kabels van TenneT of aan de bestaande pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ of aan boorgaten het aantal rotaties van de windturbines in een straal van 1.000 meter rondom de reparatie/onderhoudslocatie tot minder dan twee per minuut wordt teruggebracht.
6.5. Bestaande en geplande windparken
Het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver ligt circa 15 kilometer ten noordwesten van het windenergiegebied Hollandse Kust (west), circa 35 kilometer ten westen van het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) en circa 60 kilometer ter noordwesten van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid). Binnen een straal van 50 kilometer liggen ook windparken in Britse wateren. Op grotere afstand liggen de windparken van het windenergiegebied Borssele (op circa 140 kilometer) en het windpark Gemini (op circa 175 kilometer).
6.5.1. Regelgeving en beleid
In het Programma Noordzee 2022–2027 is het uitgangspunt van efficiënt en – waar mogelijk – meervoudig ruimtegebruik vastgelegd.
6.5.2. Gevolgen
Indien windparken op relatief korte afstand van elkaar zijn gelegen kan een (wederzijdse) beïnvloeding van de energieopbrengst optreden in de vorm van windafvangeffecten.
In het kader van het MER is een model-opbrengstberekening voor de kavels Gamma-A en Gamma-B gemaakt. Daarin is reeds rekening gehouden met de invloed van (geplande) omliggende windparken op de elektriciteitsopbrengst van een windpark in kavel Gamma-B.
Na realisatie van het windpark in kavel Gamma-B zullen op betrekkelijk korte afstanden verschillende windparken liggen. Binnen een afstand van 50 kilometer gaat het om de volgende toekomstige (geplande) windparken: kavels Gamma-A, Alpha en Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver, kavels I-A en I-B in windenergiegebied Nederwiek (zuid), kavels VI en VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) en de twee Britse windenergiegebieden Norfolk Vanguard East en Norfolk Boreas. Ook hier zullen naar verwachting windafvangeffecten optreden.
Onderzoek laat zien dat op jaarbasis de productieverliezen van het windpark in kavel Gamma-B als gevolg van interne en externe windafvangeffecten, mede veroorzaakt door naburige (geplande) windparken circa 5 procent bedragen.48DNV, in opdr. van RVO, Memo: LCoE and AEP Calculation for Nederwiek Zuid I Offshore Wind Farm, 2024.
Omgekeerd kan kavel Gamma-B in windpark IJmuiden Ver ook van invloed zijn op de opbrengst van bestaande en geplande windparken die binnen een invloedssfeer liggen. De gevolgen variëren per windpark maar zijn in algemene zin beperkt. De meeste gevolgen zijn te verwachten voor de toekomstige windparken in kavel Gamma-A en Beta van IJmuiden Ver.
6.5.3. Afweging
Een windpark in kavel Gamma-B zal de energieopbrengst van reeds operationele en geplande windparken enigszins beïnvloeden. Deze beïnvloeding is wederzijds en onvermijdelijk gelet op de grootschalige uitrol van windenergie op de Noordzee. Het uitgevoerde onderzoek geeft geen aanleiding om nadere voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit ten aanzien van het beschermen van de belangen van de bestaande windparken in de omgeving van windenergiegebied IJmuiden Ver.
6.6. Luchtvaart
Het luchtruim boven windenergiegebied IJmuiden Ver wordt gebruikt door luchtvaartuigen. Binnen kavel Gamma-B bevinden zich momenteel geen mijnbouwplatforms die per helikopter worden aangevlogen. In het uiterste westen van de beoogde clearway, net ten zuiden van kavel Gamma-B, bevindt zich wel een operationeel mijnbouwplatform (platform K17-FA-1 van Tenaz Energy Netherlands). Dit platform is echter niet voorzien van een helikopterdek. Zoals in paragraaf 6.4 is aangegeven, wordt er ruimte gereserveerd voor twee mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms. Daarbij wordt een zone gereserveerd voor het (helikopter)verkeer naar en van de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ nabij en in kavel Gamma-B.
Het TenneT-platform tussen de kavels Gamma-A en Gamma-B wordt voorzien van een helikopterdek om dit onbemande platform in voorkomend geval (ook) per helikopter te kunnen bereiken. Daarnaast kan de kustwacht het luchtruim in de omgeving van het windenergiegebied gebruiken voor onder meer reddingsacties (search and rescue – SAR). De gevolgen van de realisatie van een windpark in kavel Gamma-B voor de luchtvaart worden daarom in dit besluit afgewogen.
6.6.1. Regelgeving en beleid
Het windenergiegebied IJmuiden Ver ligt binnen de laterale grenzen van het gecontroleerde luchtverkeersleidingsgebied Amsterdam CTA (Control Area) West. De ondergrens van Amsterdam CTA west is 5.500 voet (circa 1.676 meter). De bovengrens staat gelijk aan 19.500 voet (circa 5.944 meter). Het luchtruim onder de CTA (< 5.500 voet) is ongecontroleerd luchtruim (klasse G airspace). In klasse G geldt ‘see and avoid’ – er wordt alleen (op verzoek) flight information geboden door LVNL FIC. Daarmee wordt vliegverkeer over elkaar geïnformeerd.
Voor het luchtverkeer gelden eisen voor de verticale en horizontale separatie (‘klaring’) ten opzichte van obstakels. Deze normen zijn opgenomen in het Besluit luchtverkeer 2014 en EU-verordening nr. 923/2012. Dit betekent dat voor vluchten die plaatsvinden onder instrument-vliegvoorschriften, en voor vluchten die plaatsvinden onder zichtvliegvoorschriften buiten de uniforme daglichtperiode, een klarings-eis geldt van minstens 1.000 voet (circa 305 meter) boven de hoogste hindernis binnen 8 kilometer van de geschatte positie van het luchtvaartuig.
Voor het uitvoeren van instrument vliegprocedures van en naar helikopterplatforms in en nabij windparken gelden aanvullende obstakeleisen. Instrument vliegprocedures zijn noodzakelijk om onder slechtzichtomstandigheden of bij laaghangende bewolking veilig vanaf een platform te kunnen opereren. De obstakeleisen zijn opgenomen in EU 965/2012 en ICAO Annex 14, volume II.
Door het windenergiegebied IJmuiden Ver lopen twee ‘helicopter main routes’ (HMR), waarvan één kavel Gamma-B doorkruist. Een HMR is een luchtverkeersroute waar helikopters opereren op een geregelde basis, voornamelijk van en naar mijnbouwplatforms en in de toekomst mogelijk ook naar hubs binnen windparken. Voor genoemde HMR’s (gelegen tussen 1.500 en 5.500 voet) geldt een minimum instrument-vlieghoogte van 2.000 voet (circa 610 meter). De nominale operatie ligt tussen 2.000 en tot 3.000 voet (circa 914 meter).
Windenergiegebied IJmuiden Ver heeft geen overlap met bestaande helicopter traffic zones (HTZ). Een HTZ/HPZ49Men spreekt van een Helicopter Protection Zone (HPZ) als de zone meer dan één helikopterdek omvat. Een HPZ heeft dezelfde functie als HTZ maar ziet ook op het (pendelend) verkeer tussen de platforms. is een zone van (in beginsel) 5 nautische mijl50De afstand van vijf nautische mijl betreft een invulling van internationale luchtvaartregelgeving (ICAO annex 14 en 6 resp. EU 965/2012). Een HTZ wordt ingesteld om ander luchtverkeer te wijzen op naderings- en vertrekprocedures rond een platform. De HTZ staat echter los van de noodzakelijke obstakelvrije afstanden die gelden voor nadering- en vertrekprocedures voor helikopterlandingsplaatsen. Deze zijn opgenomen in EU 965/2012 en ICAO Annex 14. rondom een helikopterdek met als doel om op lage hoogte tot maximaal 2.000 voet (circa 610 meter) veilig manoeuvres te kunnen uitvoeren, verbonden aan de nadering of het vertrek van een helikopter. Een HTZ wordt ingesteld ter verhoging van het vliegveiligheidsbewustzijn van de piloot. HTZ’s en HPZ’s hebben vooral een waarschuwende en informerende werking. Er zijn geen verplichtingen aan ander vliegverkeer aan gekoppeld.
Helicopter main routes en HTZ’s staan vermeld in de aeronautical information publication (AIP, ook bekend als Luchtvaartgids). Ze worden door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, al dan niet samen met de Minister van Defensie, vastgesteld51Zie artikel 5.11 van de Wet luchtvaart en artikel 4 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening..
De kustwacht coördineert de dienstverlening aan, en handhaving van het scheepvaartverkeer op de Noordzee. Daarvoor maakt zij onder andere gebruik van vliegtuigen. De routes en vlieghoogtes van deze zogenaamde vliegende eenheden zijn afgestemd op de op zee aanwezige installaties, zoals mijnbouwplatforms. Daarnaast worden ook SAR-operaties uitgevoerd om mensen in nood te helpen. Deze reddingsoperaties worden uitgevoerd met helikopters en varende eenheden. De coördinatie van de SAR-operaties gebeurt vanuit het Kustwachtcentrum in Den Helder.
Om de veiligheid voor het vliegverkeer te waarborgen zijn de windturbines voorzien van markerings- en obstakelverlichting. Het verlichtingsaspect is behandeld in paragraaf 6.2.
6.6.2. Gevolgen
Windturbines vormen hindernissen voor het luchtverkeer, zoals hierboven beschreven. Gezagvoerders zullen er rekening mee moeten houden als ze zich in de nabijheid bevinden. In voorschrift 3, zesde lid, is opgenomen dat de windturbines in kavel Gamma-B maximaal 1.000 voet (304,8 meter) boven het gemiddelde zeeniveau (MSL) mogen uitsteken. Gelet op de maximale tiphoogte van de windturbines, de klarings-eisen en de ondergrens van de CTA, zijn voor wat betreft het gecontroleerde luchtverkeer binnen de CTA geen effecten te verwachten.
Door kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver loopt één Helicopter Main Route (HMR): KY645, zie figuur 6. Voor het helikopterverkeer zijn op grond van de huidige situatie wel enige gevolgen te verwachten. Het is vanuit veiligheidsoogpunt ongewenst om op relatief lage hoogtes over windparken heen te vliegen. Een helikopter moet te allen tijde in staat zijn om een ‘veilige’ noodlanding uit te voeren.
Binnen kavel Gamma-B van IJmuiden Ver ligt geen Helicopter Traffic Zone (HTZ). Er zijn geen platforms met helikopterdek en er is geen overlap met een HPZ. Daarmee is van een windpark in kavel Gamma-B geen effect te verwachten op het helikopterverkeer van en naar bestaande mijnbouwplatforms.
De mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms worden niet uitgerust met een helikopterdek. Incidenteel vliegverkeer richting de mogelijk toekomstige platforms of mobiele installaties in de nabijheid van de platforms is niet uitgesloten. Ter hoogte van de platforms is op verzoek van Tenaz Energy Netherlands rekening gehouden met een obstakelvrije zone van 1.100 meter over een bereik van 210 graden rond de mijnbouwplatforms om eventueel veilig te kunnen landen en stijgen. Deze ruimte valt volledig binnen de veiligheids- en reserveringszones. Voor het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘L’ is daarnaast een corridor gereserveerd met een breedte van 1 NM die van noordoost naar zuidwest door het windpark loopt, waar – indien nodig – helikopters door kunnen vliegen bij bijzondere activiteiten rondom het platform.
Het TenneT-platform wordt uitgerust met helikopterdek en boat landing zodat het zowel per schip als per helikopter bereikt kan worden. Ter hoogte van het platform is op verzoek van TenneT rekening gehouden met een obstakelvrije zone van 1.100 meter over een bereik van 210 graden rond het platform om veilig te kunnen landen en opstijgen. Bij het bepalen van de kavelgrenzen is hier rekening mee gehouden.
Uit oefeningen in de windparken North Hoyle (VK) en Luchterduinen volgt dat SAR-operaties met een helikopter mogelijk zijn bij daglicht en wanneer de windturbines gestopt zijn, mits de weersomstandigheden voldoende gunstig zijn. Ingevolge artikel 19.4, tweede lid, Omgevingswet kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij een ongewoon voorval bevelen dat een windpark wordt stilgelegd.
In een onderzoek naar de invloed van zogturbulentie op het helikopterverkeer in en nabij windparken op zee is voorts geen onverwachte turbulentie, als gevolg van de aanwezigheid van windturbines, gerapporteerd.52Effect of wind turbine wake turbulence on offshore helicopter operations in and around wind farms – HFDM analysis and consultation with helicopter operators, To70, April 2020. Helikopteroperaties in en nabij windparken op zee ervaren weinig limitatie als gevolg van zogturbulentie, maar dienen er echter wel rekening mee te houden.
Wanneer een windpark zich binnen de beschermingscontour van de communicatie-, navigatie- of surveillanceapparatuur (CNS) van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) bevindt, kan mogelijk verstoring van communicatie optreden. LVNL heeft het voornemen van een windpark in kavel Gamma-B echter beoordeeld en aangegeven dat er geen verstoring van de CNS-apparatuur op land en op de Noordzee te verwachten valt.
Kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver grenst direct aan het militair oefengebied EHD-41. Voor militaire luchtvaartuigen geldt boven de Noordzee een minimale vlieghoogte van 30 meter of zoveel lager als voor het doel van de oefening/inzet noodzakelijk is. Buiten de grenzen van de gepubliceerde militaire oefen- laagvlieggebieden dient het militaire vliegverkeer in de vluchtuitvoering rekenschap te houden met eventuele obstakels. Door de ligging leidt de aanwezigheid van windturbines binnen kavel Gamma-B niet tot een additioneel effect op het functioneren van de militaire laagvlieggebieden. De minimale vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigen zijn vastgelegd in de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. Voor vliegen boven hindernissen geldt een minimumklaring van 250 voet (75 meter).
6.6.3. Afweging
De eisen om voldoende klaring aan te houden, vloeien voort uit de genoemde wet- en regelgeving. Bij een maximale tiphoogte van 1.000 voet (304,8 meter) blijft ten opzichte van het helikopterverkeer voldoende laterale en verticale klaring over als op een minimale vlieghoogte van 2.000 voet (circa 610 meter) wordt gevlogen gegeven een klaringsafstand van 1.000 voet (circa 305 meter).
Voor de HMR KZ45/KY645 wordt door het bevoegd gezag, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bezien in hoeverre een aanpassing gewenst is, zodat deze wijziging voorafgaand aan de aanleg van het windpark van kracht is. Het kan dan gaan om het verleggen van de HMR of het introduceren van een aanvullende HMR om het windpark heen. Een mogelijk gevolg van het verleggen van een of meer HMR’s is dat helikopters moeten omvliegen. Een windpark binnen de begrenzing van kavel Gamma-B zal daarmee slechts beperkt effect hebben op het helikopterverkeer.
Het windpark in kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver vormt derhalve geen onaanvaardbaar obstakel voor de luchtvaart.
6.6.4. Toelichting voorschriften
Mede gelet op de luchtvaartbelangen, hebben turbines een maximale tiphoogte van 1.000 voet (304,8 meter). Dit is vastgelegd in voorschrift 3, zesde lid. Het is voorts van belang dat geplande turbineposities en de gegevens daarvan tijdig zijn opgenomen in luchtvaartkaarten. Om die reden is in voorschrift 4, negende lid, onderdeel h, opgenomen dat de vergunninghouder uiterlijk vier maanden voorafgaande aan de plaatsing van de eerste fundering, gegevens per beoogde turbinepositie overlegt aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Dit meldingsproces verloopt via de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het betreft de volgende gegevens:
In voorschrift 4, negende lid, onderdeel i, is voorts een verplichting opgenomen om eventuele afwijkingen van bovengenoemde melding gedurende de bouwwerkzaamheden zo spoedig mogelijk te melden.
Op basis van bovenstaande meldingen draagt de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) zorg voor vermelding van de beoogde posities in de luchtvaartkaarten, zodat het luchtverkeer tijdig kan worden gewaarschuwd voor de obstakels. Met deze meldplichten wordt een aanbeveling opgevolgd uit verschillende helikopterbereikbaarheidsonderzoeken, waaronder een flight operational safety assessment (FOSA). De onderzoeken bestonden uit onder meer een theoretische bereikbaarheids- en veiligheidsbeoordeling53To70 in opdr. van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, Flight Operations Safety Analysis (FOSA) en bereikbaarheidsanalyse gasdoorvoerplatform K13A, ref. 24.198.02, 2025., een verificatie in een simulator54PVS Aero, in opdr. van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, K13-A FOSA SIM report, ref. P-24 040, 2025. en een testvlucht.
De meldplichten uit voorschrift 9, vierde lid, onderdelen h en i, zijn opgenomen om te borgen dat luchtvaartkaarten actueel zijn en treden niet in de plaats van de melding bedoeld in artikel 7.35, eerste lid, van het Bal.
Voor de helikopterbereikbaarheid van de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ zijn zones gereserveerd die (ook) kunnen worden gebruikt als aan- en uitvliegroutes voor het incidenteel helikopterverkeer naar en van deze mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms. Deze zones zijn opgenomen in voorschrift 2, vierde tot en met zevende lid.
6.7. Cultuurhistorie en archeologie
6.7.1. Beleid
De Noordzee heeft een belangrijke sociaal-culturele en historische betekenis voor Nederland en is een bron van kennis. In de Beleidsbrief ‘Erfgoed Telt: de betekenis van erfgoed voor de samenleving’55Erfgoed Telt: de betekenis van erfgoed voor de samenleving | Publicatie | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2018. is als doelstelling voor de Noordzee opgenomen om het cultureel erfgoed goed te positioneren bij offshore ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijksbeleid ten aanzien van maritieme archeologie, zoals verwoord in het Programma Noordzee 2022–2027, is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta (ook wel verdrag van Malta genoemd), dat strekt tot bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. In het bijzonder gaat het om het streven naar het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden in de bodem (in situ), een meldplicht voor archeologische vondsten, het meewegen van het archeologisch belang in de ruimtelijke ordening en het waarborgen dat milieueffectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen rekening houden met archeologische vindplaatsen en hun context. Tenslotte is het uitgangspunt dat de kosten voor het eventueel benodigd archeologisch onderzoek door de initiatiefnemer worden gedragen (het ‘verstoorder betaalt’-principe).
Indien bij de oprichting van een windpark of bij gerelateerde werkzaamheden in de Nederlandse EEZ een archeologische vondst dan wel een vermoedelijke archeologische vondst wordt gedaan in de zin van de Erfgoedwet, is op grond van artikel 13.13 van het Bal, artikel 5.10 van de Erfgoedwet van toepassing. Dit artikel verplicht om een toevalsvondst te melden aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Afdeling 19.2 van de Omgevingswet geeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verschillende bevoegdheden ter bescherming van toevalsvondsten. Zo kan deze de vergunninghouder verplichten aanvullende informatie over de vondst te verstrekken en aanvullende beschermingsmaatregelen te treffen.
6.7.2. Gevolgen
Uit het in het kader van het MER uitgevoerde archeologisch onderzoek blijkt dat in het windenergiegebied IJmuiden Ver scheepsresten liggen en dat de verwachting bestaat dat resten van vliegtuigwrakken en prehistorische bewoningssporen aanwezig zijn.
Op tal van plaatsen in de huidige Noordzee bevinden zich 'verdronken' prehistorische landschappen en bewoningssporen die (deels) intact kunnen zijn en die door archeologen in kaart worden gebracht. In de kavels Gamma-A en Gamma-B kunnen prehistorische resten met archeologische waarden worden verwacht. Het betreffen mogelijk resten uit het paleolithische en mesolithische tijdperk.
In het vervolgonderzoek, een archeologisch assessment uitgevoerd op basis van de resultaten van het geofysisch onderzoek (seismiek), is ten aanzien van de mogelijk aanwezige prehistorische sporen geconcludeerd dat deze als gevolg van erosie grotendeels niet meer intact zullen zijn. Het is echter niet uitgesloten dat in het windenergiegebied IJmuiden Ver paleolithische en mesolithische (nederzettings)resten plaatselijk nog kunnen voorkomen. De aanwezigheid van deze sporen kan met het geofysisch en geotechnisch onderzoek doorgaans onvoldoende worden aangetoond.
Er zijn in dit kavelbesluit dan ook geen ruimtelijk beperkende maatregelen gesteld in relatie tot prehistorische bewoningssporen. Anderzijds wordt de ontwikkeling van een windpark in de kavel wel als een mogelijkheid beschouwd om de synergie te zoeken met archeologie en aan de hand van de geologische informatie over het gebied meer te weten te komen over de kans dat plaatselijk nederzettingen aanwezig zijn geweest. In het kader van het geotechnisch bodemonderzoek ten behoeve van de bouw van het windpark zijn in windenergiegebied IJmuiden Ver boormonsters genomen. De Rijksoverheid heeft opdracht gegeven om deze boormonsters (ook) door archeologen te laten bestuderen. De resultaten kunnen bijdragen aan een goede kennisbasis over de verwachtingswaarde van ‘verdronken’ prehistorische landschappen op de Noordzee. Tevens zullen door de vergunninghouder nog uit te voeren (nadere) bodemonderzoeken mogelijk gegevens opleveren die voor begrip en kennisvergroting van ontwikkeling en eventuele bewoning van het Noordzeebekken zeer relevant zijn. Het is van belang dat die gegevens beschikbaar worden gesteld zodat deze gebruikt kunnen worden voor kennisvermeerdering. De vergunninghouder is op grond van artikel 7.37 van het Bal verplicht om waarnemingen die relevant kunnen zijn voor de archeologische monumentenzorg te delen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om onderzoeksgegevens en bescheiden die informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid of de te verwachten aanwezigheid van een archeologisch monument, zonder dat er sprake is van een archeologische toevalsvondst. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en zijn partners (kennisinstellingen) zijn bij uitstek in staat zulke gegevens te interpreteren.
Het archeologisch onderzoek in de kavels Gamma-A en Gamma-B bevestigt de locatie van vijf bekende wrakken van mogelijk archeologische aard (blootgesteld op de zeebodem) met een Nationaal Contactnummer Nederland (NCN). Drie bekende NCN-objecten met mogelijke archeologische waarden zijn niet aangetroffen in het geofysisch veldonderzoek. Tevens zijn er vijf nieuwe sites gedetecteerd met mogelijke archeologische waarden (waarvan drie scheepswrakken en twee ankers).
In totaal zijn in de kavels Gamma-A en Gamma-B 13 objecten geïdentificeerd met mogelijke archeologische waarden. Sommige objecten zijn meerdere keren gedetecteerd waardoor het gaat om 23 locaties. Een deel daarvan ligt in kavel Gamma-B. Een lijst met coördinaten van deze 23 locaties is opgenomen in deel IV van dit besluit als de bijlage bij voorschrift 4, achtste lid.56De lijst met coördinaten is overgenomen uit appendix 1, behorend bij: Periplus Archeomare in opdr. van RVO, IJmuiden Ver – An archaeological assessment of geophysical survey data, Report 20A03421A032-01, 2023. Deze mogelijke archeologische waarden dienen bij de bouw, exploitatie en verwijdering van windturbines, kabels en overige infrastructuur gemeden te worden met inachtneming van een uitsluitingszone van 100 meter rond de vermelde objecten. Voor zover de contouren van de mogelijk archeologische waarden bekend zijn, geldt de 100 meter vanaf de contouren zoals deze zijn weergegeven in het archeologisch vervolgonderzoek dat in opdracht van RVO is uitgevoerd.57Periplus, in opdr. van RVO, Archaeological Assessment of Geophysical Survey results, ref. 21A032-01, versie 2.0 (final), 2023. In de uitsluitingszones gaat het om het voorkomen van bodemberoering. Voorbeelden van bodemberoerende activiteiten zijn het leggen van kabels, het plaatsen van windturbines of andere installaties en het verankeren van werkschepen. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Indien het mijden van deze locaties redelijkerwijs niet mogelijk is, dient nader archeologisch onderzoek plaats te vinden naar de archeologische waarde van deze locaties, conform de (onderzoek-)stappen in de vigerende kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en in afstemming met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Afhankelijk van de bevindingen, kan de locatie – eventueel onder voorwaarden – alsnog gebruikt worden dan wel definitief uitgesloten worden van ontwikkeling.
In het vervolgonderzoek zijn geen vliegtuigwrakken waargenomen in de kavels Gamma-A en Gamma-B. Wel zijn op basis van het magnetometeronderzoek diverse anomalieën geïdentificeerd van onbekende ijzerhoudende objecten. Het gaat om 225 objecten met een mogelijke archeologische waarde.58In het ontwerpkavelbesluit is vermeld dat het 224 anomalieën betreft in het windenergiegebied IJmuiden Ver, waarvan een deel ligt binnen de grenzen van kavel Gamma-B. Het ontwerpkavelbesluit is gebaseerd op het rapport An archaeological assessment of geophysical survey data, Report 20A03421A032-01 uit 2023. In dit rapport worden 224 anomalieën genoemd met 226 contactpunten. Er is geconstateerd dat er twee punten met dezelfde coördinaten waren opgenomen in het ontwerpbesluit, te weten MA-138 en MA-140. Contactpunt MA-140 is verwijderd uit de bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a. Het aantal contactpunten komt daarmee op 225. Een deel daarvan ligt in kavel Gamma-B. Deze objecten in de zeebodem kunnen wijzen op de aanwezigheid van bijvoorbeeld wraklocaties of niet-gesprongen explosieven. Het betreft de 225 anomalieën weergegeven in figuur 7. Een lijst met coördinaten van de gemeten anomalieën is opgenomen in deel IV van dit besluit als bijlage bij voorschrift 4, achtste lid.59Het betreft magnetische anomalieën van >50 nanotesla. De lijst met coördinaten is overgenomen uit de appendix 2, behorend bij: Periplus Archeomare in opdr. van RVO, IJmuiden Ver – An archaeological assessment of geophysical survey data, Report 20A034-01, 2021. Ook deze dienen met een straal van 100 meter gemeden te worden bij het verrichten van bodemberoerende activiteiten. Anders dan bij de mogelijke archeologische waarden, zijn in veel gevallen de contouren van deze objecten niet bekend, en kan hierbij worden uitgegaan van 100 meter van de genoemde coördinaatpunten. Ook hiervoor geldt: met inbegrip van het verankeren van werkschepen en tijdelijke installaties. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Indien de gebieden van 100 meter rondom de anomalieën niet op voorhand gemeden kunnen worden, dient het explosievenonderzoek (‘UXO-onderzoek’) archeologisch te worden begeleid conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Als in het UXO-onderzoek objecten worden aangetroffen met mogelijk historische waarde, dan worden de data bestudeerd door de begeleidend archeoloog. Afhankelijk van de bevindingen, kan de locatie – eventueel onder voorwaarden – alsnog gebruikt worden dan wel definitief uitgesloten worden van ontwikkeling.
6.7.3. Afweging
Op basis van het vooronderzoek wordt de situatie ten aanzien van prehistorische en historische waarden goed beheersbaar geacht. Een aantal locaties wordt met inachtneming van een uitsluitingszone van 100 meter uitgesloten van bodemberoerende activiteiten, gezien het mogelijk archeologisch belang.
Er is een voorschrift opgenomen dat indien de locaties van mogelijk archeologisch belang niet gemeden kunnen worden (met een straal van 100 meter) nader archeologisch onderzoek is vereist om de archeologische waarde te bepalen, conform de daarvoor geldende systematiek binnen de vigerende KNA. Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden, worden de locaties nader onderzocht, worden de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen definitief uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een uitsluitingszone waarbinnen geen bodemberoerende activiteiten mogen plaatsvinden.
De kosten voor de uitvoering van archeologische onderzoeken voor en tijdens de realisatie van bodemberoerende activiteiten worden gedragen door de vergunninghouder. Archeologisch vooronderzoek is geen garantie dat alle archeologische waarden in beeld zijn. In het geval dat tijdens het explosievenonderzoek en de bouw van het windpark nieuwe archeologische of cultuurhistorische vondsten worden gedaan, moet door de vergunninghouder uitwerking gegeven worden aan de archeologische monumentenzorg en geldt de meldplicht bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. De vergunninghouder stelt een plan op waarin wordt uiteengezet op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de eisen voortvloeiend uit dit voorschrift en de artikelen 5.10 van de Erfgoedwet en 7.37 van het Bal. Het is van belang dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed door de vergunninghouder wordt geconsulteerd in de planvorming, met name in relatie tot het melden van waarnemingen die mogelijk archeologisch relevant zijn (gelet op de artikelen 5.10 van de Erfgoedwet en 7.37 van het Bal).
Gelet op het voorstaande heeft het realiseren van een windpark binnen kavel Gamma-B geen onaanvaardbare gevolgen voor cultuurhistorie en archeologie.
6.7.4. Toelichting voorschriften
In voorschrift 4, achtste lid, is bepaald dat mogelijke archeologische waarden, en een uitsluitingszone van 100 meter daaromheen, in beginsel vrij te dienen te blijven van bodemberoerende werkzaamheden. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, geldt een onderzoeksplicht om te voorkomen dat tijdens de bouw mogelijke archeologische/cultuurhistorische vindplaatsen worden beschadigd. Het doel is om nader te onderzoeken of sprake is van een vindplaats indien (vermoedelijke) vindplaatsen redelijkerwijs niet gemeden kunnen worden. Als dit het geval is worden de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen definitief uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone. De vergunninghouder stelt een plan op waarin wordt uiteengezet op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de eisen voortvloeiend uit dit voorschrift en de artikelen 5.10 van de Erfgoedwet en 7.37 van het Bal.
Gelet op het voorstaande heeft het realiseren van een windpark binnen kavel Gamma-B geen onaanvaardbare gevolgen voor cultuurhistorie en archeologie.
6.8. Militaire activiteiten en munitiestortgebieden
Ruim 7 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee is beschikbaar voor militaire doeleinden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om schietoefeningen, vliegoefeningen en oefeningen in het ruimen van mijnen. De ruimte voor militair gebruik is vastgelegd in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen en het Programma Noordzee 2022–2027.
Kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver ligt op enkele tientallen kilometers van munitiestortlocaties, schietterreinen en oefenterreinen voor mijnruimen. Direct aangrenzend aan de noordkant van kavel Gamma-B ligt laagvlieggebied EDH-41 van defensie.
Er zijn geen effecten op militaire schietgebieden, munitiestortgebieden en mijnenruimoefengebieden, omdat de daarvoor gebruikte gebieden op grote afstand van het windenergiegebied IJmuiden Ver liggen.
Er is tevens geen effect op laagvlieggebied EHD-41, omdat er geen overlap is met de kavel en op de grens van het laagvlieggebied weer de reguliere vlieghoogte bereikt moet worden.
Het te realiseren windpark in de kavel heeft aldus geen invloed op de belangen van defensie. Om die reden worden aan het kavelbesluit geen nadere voorschriften verbonden ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake defensie.
6.9. Kabels en leidingen
6.9.1. Beleid
Op of in het Nederlands continentaal plat (NCP), dat zowel de bodem onder de territoriale zee als onder de EEZ omvat, liggen enkele duizenden kilometers kabels en leidingen. Daarmee hebben kabels en leidingen een aanzienlijk ruimtebeslag. Kabels en leidingen mogen geen gevaar of belemmering opleveren voor de scheepvaart en visserij. Dit betekent dan ook dat ze voldoende diep worden ingegraven of anderszins voldoende worden beschermd zodat veilig gevist en gevaren kan worden.
In het Programma Noordzee 2022–2027 is vastgelegd dat bij de inpassing van nieuwe activiteiten een onderhoudszone van in beginsel 500 meter wordt aangehouden rondom in gebruik zijnde leidingen en kabels. Daarnaast is bepaald dat met het oog op efficiënt ruimtegebruik de onderhoudszones waar mogelijk worden verkleind.
Kabels (en eventuele leidingen) die niet meer in gebruik zijn en onder het regime van de Omgevingswet vallen, moeten in principe worden opgeruimd. Zoals vermeld in paragraaf 6.4.1 kan het verwijderen van een pijpleiding (vergund onder de Mijnbouwwet) meer schade veroorzaken dan wanneer deze blijft liggen. Voor pijpleidingen geldt in dat geval dat ze schoon en veilig worden achtergelaten. Ze worden gereinigd en vervolgens gespoeld met zeewater. Ook worden deze pijpleidingen periodiek gemonitord. Leidingen die onder de mijnbouwwetgeving vallen moeten worden verwijderd indien de minister dit op grond van artikel 45, tweede lid, van de Mijnbouwwet bepaalt.60De minister kan op grond van artikel 45, tweede lid, van de Mijnbouwwet bepalen dat de beheerder van een pijpleiding verplicht is om de pijpleiding te verwijderen indien deze buiten werking is gesteld.
6.9.2. Gevolgen
De westelijke begrenzing van kavel Gamma-B is verlegd tot aan de grens van het windenergiegebied (in plaats van tot aan de onderhoudszone van de bestaande pijpleiding ‘K17-FA-- K14-FB-1’ in het ontwerpkavelbesluit). De betreffende pijpleiding komt door het verleggen van de kavelgrens in westelijke richting binnen de contour van de kavel te liggen. In overeenstemming met Tenaz Energy Netherlands is een onderhoudszone opgenomen van 240 meter aan weerszijden van de leiding. Hierdoor ontstaat er aan de westkant van kavel Gamma-B extra ruimte om turbines te plaatsen.
In de verkaveling is rekening gehouden met een onderhoudszone rond de leiding die nog in gebruik is als het windpark wordt gebouwd. Binnen de kavel bevinden zich momenteel geen platforms. Zoals is aangegeven in paragraaf 6.4, wordt in kavel Gamma-B ruimte gereserveerd voor twee mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms. Deze nieuwe mijnbouwplatforms zullen met (een of meer) leidingen worden verbonden met andere (nieuwe dan wel bestaande) mijnbouwplatforms. Het tracé van deze mogelijke nieuwe pijpleiding(en) zal/zullen komen te liggen binnen de veiligheids- en reserveringszone(s). Er zijn geen verlaten kabels of leidingen in dit gebied.
Vanwege de aansluiting van kavel Gamma-B op het elektriciteitsnet zal in het windenergiegebied IJmuiden Ver, tussen de kavels Gamma-A en Gamma-B in, een platform van TenneT worden geplaatst. Het platform en de exportkabels maken geen onderdeel uit van het kavelbesluit maar worden gereguleerd in een vergunning op grond van de Omgevingswet.
6.9.3. Afweging
In hoofdstuk 4 en paragraaf 6.9.2 is beschreven dat bij de verkaveling van windenergiegebied IJmuiden Ver rekening gehouden is met de aanwezige (actieve) leiding. Daarbij is uitgegaan van een onderhoudszone van 240 meter aan de buitenzijden van de bestaande leiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ die kavel Gamma-B doorkruist. Tracés, inclusief onderhoudszones, van mogelijk nieuw aan te leggen pijpleidingen zullen komen te liggen binnen de zones die zijn gereserveerd voor de bereikbaarheid van de mogelijk toekomstige platforms.
Voor de bestaande leiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ is de beschikbare ruimte voor inspectie en onderhoud van 240 meter aan weerszijden toereikend, mede gelet op voorschrift 2, achtste lid, waarin is bepaald dat rotorbladen de onderhoudszone niet mogen overlappen. Daarnaast dient op grond van voorschrift 3, vierde lid, een ruimte van ten minste vier maal de rotordiameter tussen de windturbines (windturbinepaalposities) aangehouden te worden. Door deze maatregelen is, indien toch nodig, de facto meer ruimte beschikbaar dan 240 meter aan weerszijden van een kabel of leiding. Aan de oostkant van kavel Gamma-B bevindt zich het TenneT-platform en de exportkabel.
Om toch eventuele hinder voor uitvoerders van onderhoud en reparaties aan de geplande kabels van TenneT en de bestaande pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ zoveel mogelijk te voorkomen is als waarborg in voorschrift 4, tiende lid, opgenomen dat tijdens reparaties en onderhoud van de thans geplande kabels van TenneT en de bestaande pijpleiding het aantal rotaties van de windturbines in een straal van 1.000 meter rondom de reparatie/onderhoudsplaats tot minder dan twee per minuut teruggebracht moet worden. Dit geldt ook voor (delen van) kabels en leidingen die net buiten de kavelgrenzen liggen maar wel binnen een straal van 1.000 meter van een windturbine. Dit geldt niet voor inter-array-kabels van het windpark.
De beheerder van de bestaande leiding (thans: Tenaz Energy Netherlands) zal, gelet op deze verkaveling en de maatregelen, geen of beperkte hinder ondervinden van een windpark in kavel Gamma-B.
Om onderhoud te kunnen plegen aan de leiding moet de beheerder met schepen in de onderhoudszone kunnen opereren. Dit houdt in dat in het besluit tot instelling van een toegangsverbod (veiligheidszone) hiervoor een uitzondering zal worden gemaakt. Het bevoegd gezag voor de instelling van het toegangsverbod kan in overleg met de vergunninghouder van het windpark en de pijpleidingexploitant de voorwaarden voor toegang van onderhoudsschepen tot (de veiligheidszone van) het windpark vaststellen.
Voor het kruisen van kabels en leidingen geldt als standaardpraktijk dat afspraken worden gemaakt tussen de kabel- of leidingexploitant en de vergunninghouder, een zogeheten
nabijheids- en kruisingsovereenkomst. Dit is ook van belang voor de mogelijk nieuw aan te leggen pijpleiding(en) waarbij afstemming over de definitieve locatie binnen de gereserveerde zone en de planning van de aanleg van een mogelijk nieuwe pijpleiding zal moeten plaatsvinden. Dit wordt niet gereguleerd in het kavelbesluit.
In de toekomst zal het wellicht mogelijk zijn om mijnbouwplatforms te elektrificeren waarbij gebruik zal worden gemaakt van door windparken op zee opgewekte elektriciteit. Daartoe zal dan een kabel moeten worden aangelegd tussen het TenneT-platform en het betreffende mijnbouwplatform. Voor de aanleg daarvan zal een aparte vergunningprocedure moeten worden gevolgd.
6.9.4. Toelichting voorschriften
In voorschrift 2, achtste lid, is bepaald dat de rotorbladen van de windturbines volledig binnen de contour van het windpark zoals aangegeven in voorschrift 2, eerste lid en volledig buiten de in het derde lid genoemde onderhoudszone van de bestaande pijpleiding, de in het vierde en vijfde lid genoemde reserveringszones en de in het zesde en zevende lid genoemde veiligheidszones moeten blijven.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)