Mandaatbesluit BZK 2025
handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen);
gelet op artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst;
vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit BZK:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Ministerie: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK);
- b. Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- c. Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) of de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen), afhankelijk van wie het aangaat;
- d. bewindspersoon: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) of de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen), afhankelijk van wie het aangaat;
- e. Staat: de Staat der Nederlanden.
- f. directeur-generaal: een directeur-generaal en een plaatsvervangend directeur-generaal;
- g. algemeen directeur: de algemeen directeur Logius, de algemeen directeur Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) en de algemeen directeur van de dienst Nationaal Coördinator Groningen (NCG);
- h. directeur: de leidinggevende, daaronder begrepen de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de regeringscommissaris Omgevingswet, werkzaam binnen een in het Organisatiebesluit BZK 2025 genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal;
- i. mandaat: de bevoegdheid om namens een bewindspersoon besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen;
- j. volmacht: volmacht als bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten;
- k. werkterrein: de taken van de betreffende functionaris en zijn dienstonderdeel overeenkomstig het Organisatiebesluit BZK 2025 en de daarop berustende bepalingen;
- l. Cluster Mensen en Middelen: de directies Personeel & Organisatie (P&O), Financieel-Economische Zaken (FEZ), CIO & Informatiemanagement en het secretariaat van de Raad voor het Openbaar Bestuur;
- m. Cluster Bestuursondersteuning: de directies Communicatie, Bestuursadvisering en Kennis, Internationaal, Europa en Macro-economie;
- n. BZK Kerndepartement: de directoraten-generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat, Volkshuisvesting en Bouwen, Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Overheidsorganisatie, Ruimtelijke Ordening en de clusters Mensen en Middelen en Bestuursondersteuning.
Artikel 1.2
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:
- a. volmacht om namens een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
- b. machtiging om namens een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Hoofdstuk 2. Uitzonderingen mandaat
Artikel 2.1
Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot:
- a. het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift;
- b. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat persoonlijk door een bewindspersoon of de secretaris-generaal is genomen;
- c. het beslissen op een beroepschrift;
- d. het instellen van een agentschap bij het ministerie;
- e. het oprichten van een rechtspersoon;
- f. het geven van aanwijzingen aan een ander bestuursorgaan op grond van een wettelijk voorschrift;
- g. het toepassen van aanwijzing 3 van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren;
- h. het vaststellen van de organisatie van het ministerie, bedoeld inartikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011;
- i. het uitoefenen van de op grond van departementale regelgeving aan de minister voorbehouden bevoegdheden met betrekking tot vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken;
- j. het instellen van een adviescommissie of klachtencommissie waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van het ministerie en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bewindspersoon, en het benoemen en ontslaan van de (plaatsvervangend) voorzitter en (plaatsvervangend) leden van die commissie;
- k. het verlenen van goedkeuring aan, het schorsen of het vernietigen van, dan wel het onthouden van goedkeuring aan besluiten van een ander bestuursorgaan;
- l. het definitief buiten invordering stellen dan wel kwijtschelden van vorderingen op derden vanaf door de Minister van Financiën vastgestelde grensbedragen;
- m. het definitief vaststellen van een sectorale arbeidsvoorwaardenovereenkomst waarvoor de minister verantwoordelijk is;
- n. een stuk dat bij de ontvanger de indruk kan wekken dat de ondertekenaar persoonlijk een beslissing neemt die door een bewindspersoon behoort te worden genomen.
Artikel 2.2
Mandaat wordt evenmin verleend met betrekking tot stukken bestemd voor:
- a. de Koning;
- b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
- c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
- d. een Minister of een Staatssecretaris;
- e. de Raad van State (van het Koninkrijk);
- f. de Algemene Rekenkamer;
- g. de Nationale ombudsman;
- h. de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- i. de Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- j. de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- k. de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- l. buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een bewindspersoon.
De beperking in het verlenen van mandaat voor de gevallen genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing indien het een stuk betreft van louter informatieve of administratieve aard, dan wel het een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
Hoofdstuk 3. Secretaris-generaal
§ 1. Mandaat secretaris-generaal
Artikel 3.1
Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die, gelet op het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499), behoren tot het werkterrein van de secretaris-generaal.
Artikel 3.2
Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:
- a. het werkterrein van de functionarissen en organisatieonderdelen van het ministerie, met uitzondering van het werkterrein van het directoraat-generaal Algemene Bestuursdienst;
- b. het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
- c. het vaststellen van de formatie van het ministerie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011;
- d. het rechtstreeks hiërarchisch leiding geven aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en overige rechtstreeks onder de secretaris-generaal ressorterende functionarissen, met uitzondering van de directeur-generaal van de Algemene Bestuursdienst voor zover anders is bepaald;
- e. het functioneel leiding geven aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de rechtstreeks onder de secretaris-generaal ressorterende functionarissen, met uitzondering van:
- 1°. de directeur-generaal van het directoraat-generaal Volkshuisvesting en Bouwen;
- 2°. de directeur-generaal van het directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening;
- 3°. de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf dat ressorteert onder het directoraat-generaal Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk;
- 4°. de directeur van het agentschap Dienst van de Huurcommissie dat ressorteert onder het bestuur van de Huurcommissie;
- 5°. de directeur van de dienst Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw die ressorteert onder het bestuur van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw.
- f. het nader vaststellen van de inrichting van het ministerie;
- g. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;
- h. het beslissen op bezwaarschriften;
- i. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover dat niet aan een directeur-generaal, algemeen directeur of directeur is gemandateerd;
- j. het behandelen van klachten ingevolge een wettelijke regeling met betrekking tot klachtrecht, waarover door een commissie wordt gerapporteerd of geadviseerd;
- k. het vertegenwoordigen van de minister in het Decentraal Georganiseerd Overleg, zoals genoemd in paragraaf 27.2 CAO Rijk 2024–2025;
- l. personele beheerbeslissingen op grond van het Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs ten aanzien van de directeuren van de Kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- m. de verantwoordelijkheid voor het beheer van de archiefbescheiden bij het ministerie op grond van de geldende wet- en regelgeving;
- n. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het ministerie is betrokken;
- o. het beslissen op bezwaarschriften tegen de door de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst genomen besluiten met betrekking tot aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet op de inlichtingen-en veiligheidsdiensten 2017;
- p. de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften tegen namens een bewindspersoon genomen besluiten met betrekking tot de uitvoering van de begroting voor Koninkrijksrelaties, met uitzondering van besluiten die door een bewindspersoon of de secretaris-generaal zijn genomen;
- q. het wijzigen van bijlage 1 van dit besluit;
- r. het behandelen van geschillen met werknemers;
- s. het benoemen en ontslaan van departementale vertrouwenspersonen;
- t. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel.
§ 2. Beperkingen mandaat secretaris-generaal
Artikel 3.3
Het mandaat van de secretaris-generaal is niet van toepassing op:
- a. beslissingen ten aanzien van de directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst, voor zover deze samenhangen met het werkterrein van het directoraat- generaal Algemene Bestuursdienst;
- b. het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot personele beheerbeslissingen op grond van het Besluit tot volmacht Colleges financieel toezicht (Stcrt. 2021, 5061).
Voor het aangaan van (meerjarige) verplichtingen op het terrein van ICT boven de 10 miljoen euro inclusief BTW per (meerjarige) verplichting heeft de secretaris-generaal volmacht samen met de plaatsvervangend secretaris-generaal respectievelijk de betreffende directeur-generaal.
§ 3. Ondermandaat en plaatsvervanging
Artikel 3.4
De secretaris-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.
De secretaris-generaal kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.
De secretaris-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van deze paragraaf, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.
Artikel 3.5
De secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 3.4, derde lid, beschreven situatie, na advies van de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving, de directeur FEZ en de directeur P&O.
Artikel 3.6
Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal worden diens taken, met uitzondering van de taken op het gebied van bedrijfsvoering en organisatieaangelegenheden, uitgeoefend door één van de directeuren-generaal van de directoraten-generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat, Koninkrijksrelaties en Digitalisering en Overheidsorganisatie, naar anciënniteit van de benoeming in de functie van directeur-generaal. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal voor de taken op het gebied van de bedrijfsvoering en organisatieaangelegenheden.
Hoofdstuk 4. Plaatsvervangend secretaris-generaal
§ 1. Mandaat plaatsvervangend secretaris-generaal
Artikel 4.1
Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal en de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen en dienstonderdelen.
Artikel 4.2
Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:
- a. het vervangen van de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal;
- b. het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
- c. het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de secretaris-generaal vastgestelde formatie van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen;
- d. het nemen van besluiten op aangelegenheden die de eigenaarsrol betreffen zoals bedoeld in het Mandaatbesluit eigenaarsrol pSG BZK;
- e. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen;
- f. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;
- g. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal;
- h. het beheer van de archiefbescheiden van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;
- i. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de directeur-generaal zijn genomen, onverminderd artikel 5.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;
- j. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning en vertegenwoordiging van het ministerie;
- k. het behandelen van geschillen met werknemers die werkzaam zijn bij het dienstonderdeel dat onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorteert;
- l. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal betreft;
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.