Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 8 september 2025, nr. BZ2519564 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-02-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van het artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van het MKB ter ondersteuning van het toepassen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2029 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 worden ingediend vanaf 1 oktober 2025, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 31 december 2025, 15:00 uur Nederlandse tijd.

2.

Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 voor 2026 worden ingediend van 3 maart 2026, 12:00 uur Nederlandse tijd tot en met 30 juni 2026, 15:00 uur Nederlandse tijd.

3.

Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.

4.

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/.

Artikel 3
1.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2029 een subsidieplafond van € 1 miljoen.

2.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 100.000, waarbij uitsluitend aanvragen in aanmerking komen die zijn gericht op type 1 subsidie als bedoeld in paragraaf 4.5 van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beleidsregels.

3.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, een subsidieplafond van € 225.000, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:

4.

Indien het subsidieplafond, bedoeld in het tweede lid, niet volledig wordt benut voor de aanvragen waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het derde lid onder a.

5.

Indien het subsidieplafond, bedoeld in het derde lid, onder a, niet volledig wordt benut voor de aanvragen waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het derde lid, onder b.

6.

Indien het subsidieplafond, bedoeld in het derde lid, onder b, niet volledig wordt benut voor de aanvragen waarvoor het is vastgesteld, wordt het resterende bedrag beschikbaar gesteld voor aanvragen als bedoeld in het derde lid, onder a.

7.

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.

8.

Indien na toepassing van het tweede tot en met het zesde lid een deel van de daar bedoelde subsidieplafonds resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de eerstvolgende openstelling.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2029 met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.

Bijlage

1. Achtergrond

Nederland onderschrijft de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (hierna: OESO-richtlijnen2https://www.oecd.org/content/dam/oecd/nl/publications/reports/2023/06/oecd-guidelines-for-multinational-enterprises-on-responsible-business-conduct_a0b49990/f3667ab4-nl.pdf) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (hierna: UNGP’s3https://www.ohchr.org/sites/default/files/documents/publications/guidingprinciplesbusinesshr_en.pdf). Hierin zijn internationale normen vastgelegd op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (hierna: IMVO). Kernelement van deze normen is dat ondernemingen IMVO-beleid opstellen en in hun bedrijfsvoering integreren, zodat zij IMVO risico’s in hun internationale ketens in kaart brengen, deze risico’s aanpakken, herstel mogelijk maken waar nodig en hierover communiceren. Dit wordt ‘gepaste zorgvuldigheid’ of ‘due diligence’ genoemd. Het gaat daarbij om risico’s op mensenrechtenschendingen, zoals gedwongen arbeid en uitbuiting, maar ook risico’s op bijvoorbeeld milieuvervuiling en corruptie. De OESO-richtlijnen geven een uit zes stappen bestaand kader voor gepaste zorgvuldigheid:

Het kabinet verwacht van Nederlandse ondernemingen dat ze in lijn met de OESO-richtlijnen opereren en verantwoordelijkheid nemen voor de effecten van hun bedrijfsactiviteiten op mens, maatschappij en milieu binnen hun gehele waardeketens. IMVO is zodoende cruciaal voor duurzame inclusieve groene groei. Het zorgt dat de positieve effecten van bedrijvigheid, zoals werkgelegenheid, blijven bestaan, terwijl de negatieve effecten worden voorkomen. IMVO draagt daarmee bij aan het behalen van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (Sustainable Development Goals, hierna: SDG’s).

Nederland kent een IMVO-beleid dat bestaat uit een mix van elkaar versterkende maatregelen die tezamen bijdragen aan effectieve gedragsverandering bij zowel ondernemingen die koploper zijn, peloton vormen en achterblijver zijn. De beleidsmix bestaat uit verplichten, voorwaarden stellen, verleiden, vergemakkelijken en voorlichten (conform het zogenaamde 5V-model). Het 5V-model vormt de basis van de beleidsmix voor IMVO, zoals ook volgt uit de Nota “Van voorlichten tot verplichten: een nieuwe impuls voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemerschap”4https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitenlandse-handel/documenten/beleidsnotas/2020/10/16/van-voorlichten-tot-verplichten-een-nieuwe-impuls-voor-internationaal-maatschappelijk-verantwoord-ondernemerschap. In het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 (hierna: subsidieprogramma) staat het verleiden aan de hand van het verstrekken van subsidie centraal.

Het subsidieprogramma stimuleert het MKB om met IMVO aan de slag te gaan. Meer specifiek wil het kabinet het MKB ondersteunen bij het toepassen van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid op basis van de OESO-richtlijnen. MKB-ondernemingen kunnen een subsidie van € 10.000 of (vanaf de tweede subsidieopenstelling) € 5.000 aanvragen voor activiteiten die gericht zijn op het toepassen van (minstens) één van deze zes stappen.

Bij de invulling van dit subsidieprogramma is afgestemd in het kader van andere subsidieprogramma’s en initiatieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die raakvlakken hebben met dit subsidieprogramma, te weten Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029, Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen, SubsidieprogrammaEuropean Partnership for Responsible Minerals 2023–2028 en het (vervallen) Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit.

Gedurende de looptijd van het Subsidieprogramma wordt de voorgang gemonitord. Aan de hand daarvan kan bij een jaarlijks ijkmoment besloten worden tot eventuele wijzigingen in dit Subsidieprogramma. De uitkomsten van de monitoring en de voortgang kunnen tevens effect hebben op de voorziene looptijd van het Subsidieprogramma.

2. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

Meer specifiek is de uitvoering van dit subsidieprogramma is belegd bij het MVO-steunpunt van RVO. Het MVO-steunpunt heeft zich sinds de oprichting in 2022 ontwikkeld als centraal kennispunt en sparringpartner voor het Nederlandse bedrijfsleven. Het steunpunt licht individuele ondernemingen voor over, en ondersteunt ze met advies en hulpmiddelen bij, het toepassen van gepaste zorgvuldigheid, inclusief IMVO-wetgeving. Dit subsidieprogramma geeft het steunpunt een extra middel om activiteiten te ondersteunen gericht op integratie van IMVO en sluit goed aan bij de ondersteuning die het steunpunt aanbiedt, zowel ter verleiding en ondersteuning van het MKB en ter versteviging van het steunpunt zelf5Ibid..

3. Begrippen

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

4. Subsidieprogramma bevordering internationaal MVO MKB 2025–2029

4.1. Doel

Het subsidieprogramma beoogt het MKB te stimuleren en ondersteunen bij het toepassen van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid op basis van de OESO-richtlijnen. Dit helpt het MKB om risico’s op het gebied van mens en milieu in hun waardeketen te identificeren, aan te pakken en verminderen. Hiermee zal het MKB ook gesteund worden bij het voldoen aan gepaste zorgvuldigheid bepalingen en/of indirecte vereisten van IMVO-wetgeving, die veelal op de OESO-richtlijnen zijn gebaseerd. Het MKB valt niet onder de reikwijdte van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)9Op het moment van inwerkingtreding van dit besluit zijn de CSRD en CSDDD nog niet in werking getreden dan wel omgezet in het Nederlands recht. Wanneer dit wel is gebeurd, geldt het bovenstaande ook voor de nationale wetten. en Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), maar kan indirect wel te maken krijgen met de doorwerking van transparantievereisten als gevolg van deze regelgeving. Daarnaast zijn er IMVO aanpalende wetten die wel direct van toepassing zijn op het MKB, zoals de Europese Ontbossingsverordening (EUDR), de Europese Batterijenverordening, Europese Conflictmineralenverordening en de Europese Anti-dwangarbeidverordening (FLR).10Zie voor een overzicht van de IMVO-wetgeving met toelichting: https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo-wetten-en-regels.Het subsidieprogramma kan daarom tevens de (ervaren) regeldruk verlagen. Tot slot helpt het subsidieprogramma het Nederlandse bedrijfsleven om een aantrekkelijke ketenpartner te zijn en blijven en draagt de subsidie bij aan de duurzame ketentransitie.

4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

De subsidie is bedoeld voor MKB-ondernemingen met een band met Nederland. Deze band blijkt uit de statutaire vestiging van de onderneming in Nederland of omdat de onderneming in Nederland activiteiten verricht.

De aanvrager moet bevestigen een integriteitsbeleid11https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo/seksueel-grensoverschrijdend-gedrag te hebben vastgesteld en procedures te hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.

4.3. Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om een project dat bestaat uit activiteiten die bijdragen aan minstens één van de zes stappen van de OESO-richtlijnen (zie paragraaf 1) die logisch passen in de voortgang van implementatie van de OESO-richtlijnen en daarmee het IMVO-beleid van een onderneming versterken.

Mogelijke concrete activiteiten per stap zijn te vinden in de OESO due diligence handreiking voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en op de website van het MVO-steunpunt.12https://www.oesorichtlijnen.nl/documenten/publicatie/2019/06/06/oeso-due-diligence-handreiking-voor-mvo-nls p. 20–29. Enkele voorbeelden van activiteiten die bijdragen aan één van de zes stappen van de OESO-richtlijnen zijn: een risicoanalyse van activiteiten in de toeleveringsketen, het faciliteren van een stakeholderdialoog en het opzetten van een klachtenmechanisme. Dergelijke activiteiten kunnen eveneens helpen in voorbereiding op naleving van wetgeving zoals de Anti-dwangarbeidverordening.

De aanvrager dient aan te geven in welk land de activiteit zal plaatsvinden. De plaats van uitvoering mag zowel binnen als buiten Nederland zijn zolang het gelinkt is aan de eigen bedrijfsvoering en/of waardeketen. Indien de activiteiten in meerdere landen plaats zullen vinden, dan is onderlinge samenhang en synergie een vereiste zodat de activiteiten gezamenlijk bijdragen aan de implementatie van (minimaal) één van de zes stappen van de OESO-richtlijnen.

In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:

4.4. Looptijd van de activiteiten

De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben een looptijd van maximaal 6 maanden.

4.5. Omvang van de subsidie

Er zijn twee soorten subsidies:

De aanvrager draagt zelf minimaal 50% van de totale subsidiabele kosten aan de beoogde activiteit(en) bij. In de eerste openstelling in 2025 worden enkel subsidies type 1 verstrekt, vanaf openstellingen in 2026 worden ook subsidies type 2 verstrekt.

Een aanvrager komt hoogstens twee keer voor subsidie in aanmerking binnen de subsidieperiode van 2025–2029. De tweede aanvraag mag niet voor hetzelfde doel gebruikt worden (dus een tweede aanvraag van eenzelfde aanvrager voor hetzelfde doel als een eerder al verleende aanvraag wordt afgewezen).

4.6. Eigen bijdrage en staatssteun

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de aanvrager zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit bedrag komt neer op minimaal 50% van de subsidiabele kosten. De eigen bijdrage mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor de eigen bijdrage geldt ook dat dit niet mag worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een subsidie of bijdrage van andere overheden.

De subsidie bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door toepassing van de De-minimisverordening. Wanneer, met het oog op het De-minimisplafond, de aanvraag slechts gedeeltelijk kan worden toegewezen, wordt de aanvraag in zijn geheel afgewezen.

Vanaf 1 januari 2026 moet alle reguliere de-minimissteun binnen 20 werkdagen na verlening in het de-minimisregister worden opgenomen. Vanaf 1 januari 2027 geldt deze verplichting ook voor landbouw de-minimissteun. Nederland heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van het Europese de-minimisregister.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

5.2. Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de aanvrager zelf te maken kosten:

5.3. Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.