Regeling van de Minister van Financiën van 22 september 2025, houdende regels over het financieel beheer van het Rijk (Regeling financieel beheer van het Rijk 2026)
Gelet op de artikelen 2.14, derde lid, en 4.20, eerste lid, aanhef en onder d tot en met f, van de Comptabiliteitswet 2016 en de artikelen 35a, tweede lid, en 104a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- administratieve organisatie: het geheel van organisatorische maatregelen en procedures binnen een ministerie of een college gericht op:
- a. de beheersing van de processen, die direct of indirect betrekking hebben op een goede werking van het financieel beheer en de financiële administratie;
- b. de informatievoorziening over die processen;
- c. de verantwoording die over de beheersing moet worden afgelegd;
- betaaldienst: de dienst, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
- betaaldienstverleners: de dienstverleners, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
- buiteninvorderingstelling: een door de Staat genomen beslissing om een vordering op een derde niet in te vorderen;
- derde: een wederpartij die niet tot de Staat der Nederlanden behoort (hierna: de Staat);
- directeur FEZ: de persoon die belast is met de dagelijkse leiding van de directie Financieel-Economische Zaken;
- financiële administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van financiële gegevens om het functioneren en beheersen van een organisatie te ondersteunen en om verantwoording af te leggen. Voor de financiële administraties van het Rijk omvat dit onder andere de verplichtingen, uitgaven, ontvangsten, (begrotings) reserves, baten, lasten, kapitaaluitgaven, kapitaalontvangsten, alsmede de standen van de (saldi)balansposten, de staat van herkomst en besteding der middelen en de mutaties daarvan;
- geldmiddelen: de geldmiddelen, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
- geldswaardige papieren: alle papier waaraan in het maatschappelijk verkeer een geldswaarde wordt toegekend;
- interne beheersing: het geheel aan maatregelen die ervoor zorgen dat een ministerie of een college de gestelde organisatiedoelen haalt.
- kwijtschelding: een besluit van een bestuursorgaan waarbij het bestuursorgaan afstand doet van zijn vorderingsrecht of een overeenkomst tussen de Staat en een derde waarbij de Staat afstand doet van zijn vorderingsrecht;
- voorschot: een vooruitbetaling door de Staat voor de levering van een product of dienst aan de Staat, de verlening van een subsidie of de verstrekking van een bijdrage ten laste van de begroting van het Rijk, bedoeld in artikel 2.1 van de Comptabiliteitswet 2016;
- vordering: de aanspraak van de Staat op geldmiddelen.
De definities van artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016 zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.
Hoofdstuk 2. Voorschriften voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de staat
§ 1. Specifieke privaatrechtelijke rechtshandelingen
Artikel 2. Specifieke privaatrechtelijke rechtshandelingen
Onverminderd artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 sluiten de Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, huur, huurkoop- en leaseovereenkomsten namens de Staat in overeenstemming met de Minister van Financiën, voor zover:
- a. de duur van de overeenkomst tien jaar of meer is;
- b. de huur, huurkoop of lease die aan de overeenkomst ten grondslag ligt € 3.500.000 of meer inclusief btw bedraagt; of
- c. de huur, huurkoop of lease betrekking heeft op de huisvesting van de ministeries en de colleges en € 35.000.000 of meer inclusief btw bedraagt.
Onverminderd artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 verrichten de Ministers en de colleges, ieder voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, de privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Staat die zien op het verwerven en vervreemden van vermogen in privaatrechtelijke rechtspersonen in overeenstemming met de Minister van Financiën.
Onverminderd artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 sluiten de Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, geen valutatermijncontract af voor de financiële verplichtingen van de Staat waarmee de toekomstige financiële risico’s betreffende de wisselkoers van vreemde valuta ten opzichte van de euro worden gedekt.
Ingeval van omvangrijke budgettaire risico’s voor de Staat kunnen de Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, in afwijking van het derde lid in overeenstemming met de Minister van Financiën een valutatermijncontract afsluiten. In dat geval wijst de Minister van Financiën de bank, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, aan die het contract uitvoert.
Onverminderd artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 sluit de Minister van Financiën namens de Staat overeenkomsten met de bankinstellingen en betaaldienstverleners waar de Ministers en de colleges bankrekeningen aanhouden en betaaldiensten afnemen.
§ 2. Volmachtverlening privaatrechtelijke rechtshandelingen
Artikel 3. Volmachtverlening
Privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen namens de Ministers, elk voor de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, worden verricht door:
- a. de onder de Ministers ressorterende natuurlijke personen voor zover aan hen door de Ministers een volmacht is verleend;
- b. de niet onder de Ministers ressorterende natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover aan hen door de Ministers een volmacht is verleend.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:
- a. de colleges, elk voor de taak waarvoor hij verantwoordelijk is, indien zij volmacht verlenen tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
- b. de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Raad voor de rechtspraak, elk voor het door hem beheerde deel van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, indien zij volmacht verlenen tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.
De volmacht bepaalt welke functionarissen en rechtspersonen de op de volmacht betrekking hebbende privaatrechtelijke rechtshandelingen mogen verrichten.
Artikel 4. Publicatie volmachten
De Ministers, ieder voor zover het hem aangaat, doen van de op functienaam verleende volmachten mededeling in de Staatscourant.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de colleges, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Raad voor de rechtspraak.
Hoofdstuk 3. Voorschriften voor het verrichten van handelingen op het gebied van het financieel beheer
§ 1. Administratieve organisatie
Artikel 5. Administratieve organisatie en interne beheersing
De Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, dragen zorg voor een administratieve organisatie voor het begrotingsbeheer, het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering en de daartoe gevoerde administraties.
In de administratieve organisatie en interne beheersing worden controletechnische functiescheidingen aangebracht tussen het betalen en het innen van vorderingen en de functies beschikken, bewaren, registreren, uitvoeren en controleren.
De Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, dragen zorg voor risicoanalyses van relevante processen binnen het financieel beheer.
§ 2. Betaalmiddelen en betaal- en ontvangstwijze
Artikel 6. Bankrekeningen en betaaldiensten
De Minister van Financiën bepaalt bij welke bankinstellingen en betaaldienstverleners de ministeries en colleges bankrekeningen aanhouden en betaaldiensten afnemen.
Bij de bankrekeningen en betaaldiensten wordt de euro als valuta gehanteerd, met uitzondering van de bankrekeningen en betaaldiensten die in de openbare lichamen Bonaire, Sint- Eustatius en Saba worden aangehouden en afgenomen. Bij deze bankrekeningen en betaaldiensten wordt de valuta van die openbare lichamen gehanteerd.
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de Ministers en de colleges in overeenstemming met de Minister van Financiën de bankrekeningen en betaaldiensten bij een andere bankinstelling of betaaldienstverlener aanhouden en afnemen en de bankrekeningen en betaaldiensten in een andere valuta aanhouden en afnemen. De Minister van Financiën verleent zijn instemming schriftelijk en kan daaraan voorwaarden verbinden.
De Minister van Financiën draagt zorg voor de aan de Staat toebehorende en toevertrouwde effecten, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 7. Gebruik van kredietkaarten
De betaalmiddelen waarmee namens de Staat op krediet kan worden betaald kunnen uitsluitend worden gebruikt door:
- a. de Ministers en de colleges;
- b. de onder de Ministers en de colleges ressorterende natuurlijke personen die rijksambtenaar zijn met dien verstande dat het gebruik voor deze personen is beperkt tot:
- 1°. de aanschaf van producten en diensten die niet op een andere wijze kunnen worden betaald;
- 2°. het verrichten van betalingen in het buitenland die verband houden met de werkzaamheden die zij namens het ministerie uitvoeren;
- 3°. andere betalingen waarvan het naar het oordeel van de directeur FEZ van het betrokken ministerie geoorloofd is om die op deze wijze te verrichten.
De directeur FEZ van het betrokken ministerie kan voorwaarden verbinden aan het gebruik van de betaalmiddelen waarmee op krediet kan worden betaald.
Artikel 8. Wijze van betaling
De betalingen ten laste van de Staat geschieden via een overboeking van geldmiddelen naar de bankrekening van de begunstigde. Indien betalingen via een automatische incasso worden verricht, geschiedt dat via een voor dat doel ingerichte bankrekening.
In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen een betaling door de Staat op een andere wijze geschieden indien dit doelmatiger of noodzakelijk is, op voorwaarde dat een betaling met chartale geldmiddelen en geldswaardige papieren plaatsvindt tegen de ontvangst van een betalingsbewijs.
Chartale geldmiddelen worden op basis van een risicoanalyse periodiek geteld. Eventuele verschillen tussen het daadwerkelijk aanwezige bedrag aan chartale geldmiddelen en het bedrag aanwezig volgens de administratie worden uitgezocht
Artikel 9. Wijze van ontvangst
De ontvangsten ten gunste van de Staat geschieden via een overboeking van geldmiddelen naar een bankrekening van het Rijk.
In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen een ontvangst ten gunste van de Staat op een andere wijze geschieden indien dit doelmatiger is, op voorwaarde dat de ontvangst van chartale geldmiddelen en geldswaardige papieren geschiedt tegen de afgifte van een betalingsbewijs.
De chartale geldmiddelen die zijn ontvangen, worden periodiek op een bankrekening van de Staat gestort.
§ 3. Het verrichten van betalingen en het innen van vorderingen
Artikel 10. Het verrichten van betalingen aan derden
De Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, verrichten een betaling ten laste van de Staat aan een derde nadat zij hebben vastgesteld:
- a. dat er een noodzaak is om te betalen,
- b. dat de derde de voorwaarden die aan de betaling, subsidie, bijdrage, lening of garantie ten grondslag liggen, is nagekomen, en
- c. dat er voldoende budget voor de betaling beschikbaar is.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kan voor een betaling tot maximaal € 3.000 inclusief btw de vaststelling of derde de prestatie voor de goederen of diensten die aan de vordering ten grondslag ligt, heeft geleverd achterwege blijven, mits:
- a. op basis van risico-inschatting in de administratieve organisatie is vastgelegd bij welke categorieën betalingen en bij welk bedrag het achterwege laten van de prestatieverklaring is toegestaan,
- b. de levering van de prestatie na het verrichten van de betaling steekproefsgewijs inhoudelijk wordt vastgesteld,
- c. de inrichting, de omvang, de periodiciteit, de criteria en de evaluatie van de steekproef in de administratieve organisatie zijn vastgelegd, en
- d. de risico-inschatting periodiek wordt geëvalueerd.
De resultaten van de verificatie, bedoeld in het tweede lid, onder b, worden controleerbaar vastgelegd.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a en b, kan, in het kader van doelmatigheid, bij de vaststelling van de noodzaak tot betaling en de vaststelling of de prestatie door de derde is geleverd, de hoogte van het bedrag maximaal tien procent met een maximum van € 1.500 inclusief btw afwijken van het bedrag waartegen de goederen of diensten zijn besteld of de prestatie is geleverd, mits in de administratieve organisatie is vastgelegd:
- a. bij welke categorieën goederen en diensten, tot welk percentage en tot welk bedrag de afwijking op basis van risico-inschatting wordt toegepast,
- b. wat de onderbouwing van de risico-inschatting per categorie goederen en diensten is, inclusief de onderbouwing van de beoogde doelmatigheidswinst, en deze waar mogelijk te kwantificeren, en
- c. op welke wijze de verantwoordelijkheden, de monitoring en de periodieke evaluatie van de risico-inschatting en de controle van de opzet en werking van de maatregelen, bedoeld onder a en b, zijn ingericht.
Artikel 11. Het innen van vorderingen bij derden
De Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, innen een vordering ten gunste van de Staat bij een derde, nadat zij hebben vastgesteld dat de Staat recht heeft op de vordering.
Artikel 12. Het verrichten van betalingen en het innen van vorderingen binnen het Rijk
De Ministers en de colleges, elk voor de begroting of taak waarvoor hij verantwoordelijk is, kunnen onderling een betaling verrichten of een vordering innen voor zover de onderliggende handelingen volgens het maatschappelijk verkeer tot een betaling of vordering leiden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.