Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 7 oktober 2025, nr. BZ2519842, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Besluit FemFocus)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-12-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f, en artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f, en artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op de thema’s (i) stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap, (ii) tegengaan van geweld tegen vrouwen en steun aan vrouwenrechtenverdedigers en (iii) versterken van de positie van vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2
1.

Voor het in artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 209.370.000, welke middelen als volgt zijn verdeeld over de volgende thema’s:

2.

Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begrotingen voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

Aanvragen voor een subsidie in het kader van FemFocus worden ingediend in de periode 16 oktober 2025 om 12.00 uur CET, tot en met 7 januari 2026 om 23.59 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/.

Artikel 4

De verdeling van elk van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit FemFocus.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten.

Bijlage. Subsidiebeleidskader FemFocus

0. Definities

In dit subsidiebeleidskader (hierna: SBK) wordt verstaan onder:

1 https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/oda-eligibility-and-conditions/DAC-List-of-ODA-Recipients-for-reporting-2024-25-flows.pdf

2 https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/oda-eligibility-and-conditions/DAC-List-of-ODA-Recipients-for-reporting-2024-25-flows.pdf

1. Inleiding, beleidsachtergrond en -uitgangspunten, rollen en verantwoordelijkheden

Dit subsidiebeleidskader FemFocus bevat beleidsregels over subsidieverlening op grond van artikel 4.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (hierna: SRBZ 2006)1Zie de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juli 2025, nr. BZ2518248, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 inzake subsidieverstrekking voor capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden (Stcrt. 2025, nr. 25027).. Het maakt deel uit van het bredere Focus beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in de periode 2026–2030, dat in totaal acht instrumenten omvat. Deze bijlage bevat de beleidsregels voor subsidieverstrekking voor drie van deze instrumenten, samengebracht in het subsidiebeleidskader FemFocus. Voor de uitvoering is een totaalbedrag van € 210 miljoen beschikbaar, verdeeld over een periode van vijf jaar. Voor een centraal uit te voeren externe evaluatie wordt 0,3% van dit budget gereserveerd, waardoor voor subsidieverlening een bedrag van maximaal € 209.370.000 resteert. Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsachtergrond en uitgangspunten, evenals de rollen en verantwoordelijkheden van support partners en in-country partners.

1.1. Beleidsachtergrond

Het beleidskader zet in op het financieel en door middel van capaciteitsversterking ondersteunen van lokale maatschappelijke organisaties (in dit kader aangeduid als in-country partners) zodat zij beter in staat zijn om de benodigde diensten te verlenen en de dialoog te voeren die relevant zijn voor het realiseren van uiteenlopende thematische beleidsdoelen.

Het subsidiebeleidskader bevat drie subsidie-instrumenten, die zijn toegesneden op drie specifieke beleidsdoelen, elk met een eigen thematische focus, doelgroep en geografische reikwijdte. De drie instrumenten zijn:

De hoofdstukken 1 tot en met 7 van dit subsidiebeleidskader zijn op alle drie de instrumenten van toepassing. De instrumentspecifieke beleidscontext, doelstellingen, geografische focus, subsidiabele activiteiten, subsidieplafond, verdeelsystematiek en beoordelingscriteria staan per instrument verder uitgewerkt in instrumentspecifieke hoofdstukken (hoofdstuk 8, 9 en 10).

1.2. Beleidsuitgangspunten

Het subsidiebeleidskader FemFocus is onderdeel van Focus, een beleidskader van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp2De kernpunten van dit beleidskader zijn uiteengezet in diverse kamerbrieven, waaronder die van 11 november 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 13), 21 januari 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 55), 20 februari 2025 (Kamerstukken II 2019/2020, 34 952, nr. 87) en 27 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 180, nr. 133).. Binnen Focus gelden beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn op alle instrumenten. Deze beleidsuitgangspunten zijn het referentiekader voor de beoordeling en selectie van de aanvragen, evenals voor de vormgeving van de door de subsidieaanvragers te ontwikkelen en uit te voeren activiteiten.

Het versterken van de vaardigheden en kennis van in-country partners draagt bij aan zowel de effectiviteit als de efficiëntie van ontwikkelingsinitiatieven en vormt daarom een belangrijk element binnen dit SBK. Capaciteitsversterking kan betrekking hebben op uiteenlopende terreinen, zoals programmamanagement, financieel beheer of inhoudelijke activiteiten op het gebied van dialoog of dienstverlening, bijvoorbeeld de bescherming van kwetsbare groepen. Dit kan worden vormgegeven via bijvoorbeeld training, coaching of kennisuitwisseling. Hierbij wordt aangesloten bij reeds aanwezige lokale capaciteit. Deze benadering is essentieel voor het bevorderen van lokaal eigenaarschap.

Leidend voor het bredere nieuwe beleidskader Focus (waaronder FemFocus valt), is de wens om lokaal eigenaarschap binnen ontwikkelingshulp te stimuleren en te vergroten. Volgens de OESO-DAC betekent dit dat lokale actoren zelf beslissen over de vormgeving en implementatie van ontwikkelingsinitiatieven, waarbij internationale donoren en externe partners, waaronder ook Nederlandse maatschappelijke organisaties, een ondersteunende rol spelen bij het oplossen van de maatschappelijke vraagstukken waar lokale gemeenschappen voor staan. Deze ondersteuning kan onder meer bestaan uit financiële ondersteuning of capaciteitsversterking gerelateerd aan de activiteiten van de in-country partners, het faciliteren van kennisuitwisseling tussen in-country partners, of het beschikbaar stellen van technologische innovaties en wetenschappelijke inzichten.

Met de instrumenten onder dit SBK beoogt de minister bij te dragen aan gendergelijkheid. Dit verhoogt de sociale en economische weerbaarheid van gemeenschappen en versterkt de effectiviteit en relevantie van ontwikkelingshulp. Om te kunnen kwalificeren voor een subsidie binnen dit SBK is het dan ook een vereiste dat de projectvoorstellen een score van 2 van de OESO-DAC gendermarker halen (gendergelijkheid is het hoofddoel van het project/de programma’s en vormt een fundamenteel uitgangspunt bij het ontwerp en de beoogde resultaten)3https://canwach.ca/wp-content/uploads/2020/10/Handbook-OECD-DAC-Gender-Equality-Policy-Marker.pdf.

Aanvragers worden uitgenodigd om in het projectvoorstel een beschrijving en analyse op te nemen van de context van klimaatverandering, inclusief een beoordeling van klimaatrisico’s en klimaatkwetsbaarheden die relevant zijn voor het programma.

Te allen tijde geldt dat de minister wil voorkomen dat de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan het verergeren van conflicten. Bij alle activiteiten die worden gesubsidieerd, moet daarom rekening worden gehouden met de context waarin deze worden uitgevoerd. Dit houdt in dat activiteiten dusdanig moeten worden ontwikkeld dat bewust negatieve effecten en onbedoelde bijdragen aan conflicten worden vermeden of geminimaliseerd, en dat bewust positieve effecten op de conflictdynamiek worden gecreëerd en kansen voor vrede en inclusie worden versterkt. Risico’s met betrekking tot het verergeren van conflicten moeten in kaart worden gebracht in de contextanalyses. Dit vereist het vermogen om (i) de operationele context waarin activiteiten plaatsvinden te analyseren en te begrijpen; (ii) dat begrip te vertalen naar consequenties voor activiteiten en interacties met die context; en (iii) conflictsensitiviteit in de hele activiteitscyclus te integreren en te actualiseren. Gelet op het belang dat de minister hecht aan het onderwerp geestelijke gezondheid en psychosociale ondersteuning als onderdeel van inzet in fragiele staten en conflictgebieden, is het van belang om als onderdeel van conflictsensitiviteit ook mentale gezondheid en psychosociale dimensies en dynamiek mee te nemen in het analyseren en begrijpen van de contexten waarin activiteiten plaatsvinden.

In aansluiting op het beleidsuitgangspunt van conflictsensitiviteit geldt het do no harm-principe: gesubsidieerde activiteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale bevolking, bestaande verhoudingen of bredere ontwikkelingsdoelen. Subsidieontvangers zijn daarom verplicht mogelijke risico’s tijdig te identificeren en maatregelen te treffen om schadelijke effecten te voorkomen of te beperken.

1.3. Rollen en verantwoordelijkheden van de support Partners en in-country partners

Dit subsidiebeleidskader maakt gebruik van een intermediaire structuur met ‘support partners’ en ‘in-country partners’. Deze structuur en de rollen en verantwoordelijkheden van support en in-country partners worden in het hiernavolgende uiteengezet en toegelicht.

1.3.1. Rollen en verantwoordelijkheden van de support partner

De support partner is de maatschappelijke organisatie die subsidie ontvangt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) in het kader van een van de instrumenten van FemFocus. Hij fungeert als intermediair tussen BZ en de in-country partners. De support partner handelt op eigen naam en titel en op basis van eigen deskundigheid, zonder mandaat of opdracht van het ministerie. De support partner is zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De support partner voert zelf geen activiteiten uit op het gebied van dienstverlening of dialoog, maar is verantwoordelijk voor het werven, selecteren, financieel en anderszins ondersteunen van in-country partners binnen de thematische kaders van het betreffende instrument. In alle gevallen moet de uitvoering van de activiteiten binnen de looptijd van dit subsidiebeleidskader plaatsvinden. De support partner draagt zorg voor tijdige afronding van de activiteiten, zodat bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie aan alle rapportageverplichtingen is voldaan.

Iets nader uitgewerkt houden deze verantwoordelijkheden het volgende in:

De support partner zet de van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen subsidie in voor het uitvoeren van financieringsactiviteiten en capaciteitsversterking ten behoeve van in-country partners. Deze twee hoofdactiviteiten van de support partner worden verder toegelicht in hoofdstuk 2. Voorbeelden van projecten die in-country partners kunnen uitvoeren met de financiering die zij ontvangen van de support partner, zijn opgenomen in de instrumentspecifieke hoofdstukken (8, 9 en 10).

De kosten die support partners opvoeren voor het financieel beheer van de verstrekte ondersteuning mogen maximaal 20% bedragen van het totaal van de directe en indirecte kosten die in-country partners maken (zie ook Annex 4.1 ‘handleiding budgetmodel’).

Indirecte kosten mogen niet meer bedragen dan 15% van het totaal van de directe en indirecte kosten van de aanvrager (support partner).

1.3.2. Rollen en verantwoordelijkheden van in-country partners

In-country partners zijn lokale maatschappelijke organisaties in lage- en middeninkomenslanden (LMIL) met relevante thematische en context-specifieke expertise. Zij worden via een selectiemechanisme geselecteerd door de support partner en ontvangen van deze partner financiering en/of capaciteitsversterking die uitgaat van hun eigen verzoeken en behoeften.

De in-country partners zijn primair verantwoordelijk voor het inhoudelijk ontwerpen en uitvoeren van projectvoorstellen waarvoor zij ondersteuning vragen aan de support partner, die via zijn selectiemechanisme er zorg voor draagt dat door hem te ondersteunen projectvoorstellen – relevant zijn voor de doelstellingen van dit subsidiebeleidskader. De instrumentspecifieke hoofdstukken (8, 9 en 10) bevatten de thematische en geografische focus waarbinnen support partners steun kunnen bieden aan projecten van in-country partners.

Daarnaast zijn in-country partners verantwoordelijk voor het zorgvuldig beheren van door de support partner verstrekte middelen, het bijdragen aan monitoring- en leerprocessen, en het bevorderen van transparantie en wederzijdse verantwoording.

In-country partners zijn de uiteindelijke uitvoerder van dienstverlening- of dialoogactiviteiten en financieren zelf niet door naar nog een derde laag. De support partner dient dan ook uit te sluiten in het door hem te ontwikkelen selectiemechanisme dat door hem aan in-country partners geboden ondersteuning daarvoor wordt aangewend.

Indirecte kosten mogen niet meer bedragen dan 15% van het totaal van de directe en indirecte kosten van de in-country partner.

1.4. Opbouw van dit subsidiebeleidskader en onderliggende instrumenten

Dit subsidiebeleidskader bestaat uit twee onderdelen:

2. Type activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt

Binnen dit subsidiebeleidskader zijn twee hoofdtypen activiteiten subsidiabel voor support partners:

Dit geldt voor alle drie de instrumenten van dit subsidiebeleidskader. De specifieke invulling per instrument, inclusief voorbeelden van activiteiten die in-country partners met financiële ondersteuning van een support partner kunnen uitvoeren, is uitgewerkt in hoofdstukken 8 t/m 10.

2.1. Financieringsactiviteiten

De support partner verstrekt financiële ondersteuning aan in-country partners voor de uitvoering van activiteiten die relevant zijn voor de doelstellingen en thematische prioriteiten van het instrument waaruit subsidie aan de support partner is toegekend.

FemFocus-subsidies mogen worden aangewend voor financiële ondersteuning van twee soorten activiteiten van in-country partners:

De support partners ontwikkelen selectiemechanismen die passen binnen dit subsidiebeleidskader. Zij geven hierin duidelijke randvoorwaarden en richting. Tegelijk laten zij in-country partners zoveel mogelijk ruimte om eigen keuzes te maken die aansluiten op de lokale context.

Minimaal 30% van de subsidiemiddelen die in totaal worden gevraagd voor inzet voor financiering van projecten van in-country partners moet worden aangewend voor ondersteuning van dienstverlening door in-country partners. Dit vereiste is niet van toepassing op subsidiemiddelen die worden ingezet voor capaciteitsversterking (paragraaf 2.2).

De specifieke invulling van dienstverlening en dialoogactiviteiten kan per instrument verschillen. Voor nadere toelichting en voorbeelden wordt verwezen naar de instrumentspecifieke hoofdstukken (hoofdstukken 8 t/m 10).

2.2. Capaciteitsversterkende activiteiten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.