Verzamelbesluit dividendbelasting 2025

Type Beleidsregel
Publication 2025-10-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat een deel van het beleid voor de dividendbelasting.

1. Inleiding

Dit besluit vervangt het besluit van 29 november 2022, nr. 2022-25322 (Stcrt. 2022, 32364). De wijzigingen betreffen:

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

2. Teruggaaf op de voet van artikel 10 Wet DB 1965

Artikel 10, eerste lid, Wet DB 1965 bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van de in een kalenderjaar ingehouden dividendbelasting. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 10, tweede, derde, vijfde en zesde lid, Wet DB 1965, genoemde lichamen.

Ik keur goed dat vooruitlopend op de teruggaaf van artikel 10 Wet DB 1965, reeds in het jaar van inhouding ongelimiteerd verzoeken om teruggaaf kunnen worden ingediend.

3. Toerekenen van aandelen aan vaste inrichting

3.1. Inleiding

Er bestaat behoefte aan zekerheid over de vraag of aandelen in een vennootschap kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland. Immers, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij de vaste inrichting ten aanzien van de aandelen in een vennootschap, is geen dividendbelasting verschuldigd over de uitkering van dividend vanuit de vennootschap naar de vaste inrichting (artikel 4, eerste lid, onderdeel a, Wet DB 1965). Verder is de vraag of aandelen in een vennootschap toegerekend kunnen worden aan een vaste inrichting van belang voor de mogelijkheid om een fiscale eenheid te vormen tussen de vaste inrichting en de vennootschap (artikel 15, achtste lid, Wet Vpb 1969). Hierna beschrijf ik de uitgangspunten voor het toerekenen van aandelen aan een vaste inrichting, waarover de Belastingdienst binnen de daarvoor gestelde kaders van vooroverleg met een internationaal karakter zekerheid vooraf geeft.

3.2. Uitgangspunten voor de toerekening van aandelen aan een vaste inrichting in Nederland

Bij de toerekening van aandelen aan een vaste inrichting moet het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 als uitgangspunt worden genomen. Voor de allocatie van activa, passiva en risico’s dient volgens het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 in zijn algemeenheid op basis van een functionele analyse te worden aangesloten bij de plaats waar de zogenaamde ‘significant people functions’ worden uitgeoefend. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 is verder ingevuld hoe de allocatie van activa, passiva en risico's op basis van de ‘significant people functions’ moet plaatsvinden. In dit besluit is tevens aangegeven hoe de toerekening van eigen en vreemd vermogen dient plaats te vinden.

Het toepassen van het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 voor de toerekening van aandelen aan een vaste inrichting in Nederland vergt een beoordeling van geval tot geval. Bij die beoordeling is van belang de verdeling van de zelfstandige handelings- en beslissingsbevoegdheden tussen (personeel van) hoofdhuis en vaste inrichting. Daarnaast is van belang wie de ‘significant people functions’ verricht met betrekking tot het economische belang bij die aandelen. In ieder geval houdt dit in dat de vaste inrichting zelfstandig verantwoordelijk is en beslist – binnen het kader van normale concernbemoeienis – ten aanzien van alle werkzaamheden die samenhangen met of voortvloeien uit het verwerven, houden, beheren en vervreemden van de aandelen in de vennootschap en het uitoefenen van de daarmee samenhangende bevoegdheden.

Dit betekent dat in ieder geval moet zijn voldaan aan de onderstaande voorwaarden.

4. Dividendstripping

4.1. Inleiding

In artikel 4, zevende en achtste lid, Wet DB 1965, zijn maatregelen getroffen tegen dividendstripping. Deze maatregelen bepalen onder welke omstandigheden de ontvanger van het dividend niet wordt beschouwd als uiteindelijk gerechtigde, zodat onder die omstandigheden inhouding van dividendbelasting niet achterwege mag blijven of teruggaaf, vermindering of verrekening van dividendbelasting niet wordt verleend (in artikel 25, tweede en derde lid, Wet Vpb 1969, artikel 9.2, tweede en derde lid, Wet IB 2001 en artikel 16 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn vergelijkbare maatregelen getroffen).

4.2. Vrijwaring van naheffing dividendbelasting bij dividendstripping

Wanneer ten onrechte is afgezien van inhouding van dividendbelasting of tot een te laag bedrag is ingehouden, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen aan de inhoudingsplichtige. Als de te lage heffing echter te wijten is aan het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de inhoudingsplichtige, kan de naheffingsaanslag worden opgelegd aan die ander. Deze situatie kan zich voordoen indien de dividendontvanger onjuiste informatie heeft verstrekt.

In een situatie waarin de inhoudingsplichtige te weinig dividendbelasting heeft afgedragen ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door de dividendontvanger, hanteert de Belastingdienst als uitgangspunt dat de naheffingsaanslag niet wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige indien:

4.3. Dividendstripping en duurzame reorganisatie

De maatregelen tegen dividendstripping kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, van toepassing zijn op interne reorganisaties. Het hangt echter van verschillende factoren af of een interne reorganisatie onder de maatregelen tegen dividendstripping valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering, het karakter van de dividenduitkering (regulier, incidenteel of liquidatie-uitkering) en de duurzaamheid van de verhanging.

De maatregelen inzake dividendstripping zijn er niet op gericht duurzame, niet fiscaal gedreven, reorganisaties binnen concern te bemoeilijken. Als leidraad geldt hierbij dat geen sprake is van dividendstripping als zich een duurzame reorganisatie voordoet in combinatie met een reguliere dividenduitkering. Dit geldt ongeacht het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering.

Het ligt anders bij een duurzame reorganisatie in combinatie met een dividenduitkering met een niet-regulier karakter, bijvoorbeeld uitdeling van een zogenoemd superdividend. In een dergelijk geval spelen ook de hiervoor genoemde factoren een rol voor de bepaling of sprake is van dividendstripping, zoals het tijdsverloop tussen de verhanging en de dividenduitkering. Daarbij is het niet wenselijk om een safe haven aan te geven in de vorm van een termijn waarbuiten juist geen sprake is van dividendstripping. Een transactie in aandelen, winstbewijzen of dividendbewijzen met als doel gebruik te maken van het feit dat het op de koper van toepassing zijnde regime van de dividendbelasting gunstiger is dan voor de verkoper zou dan immers worden ontzien als die transactie (net) buiten die termijn plaatsvindt.

Als bij een duurzame reorganisatie behoefte bestaat aan een safe haven, kan belanghebbende deze vinden in een beperking tot reguliere dividenduitkeringen. Daarbij wordt onder reguliere dividenduitkeringen in ieder geval verstaan tweemaal het gemiddeld, volgens een bestendige gedragslijn, uitgekeerde dividend in drie voorafgaande kalenderjaren.1Kamerstukken I 2001/02, 27 896, nr. 117d, p. 2.

5. Securities lending

Onder securities lending wordt in de praktijk verstaan: het tijdelijk inlenen van een bepaald aantal aandelen onder de verplichting tot teruglevering van eenzelfde hoeveelheid aandelen op een later moment in de tijd. Vanaf het moment van levering van de aandelen wordt de inlener de juridische eigenaar van de aandelen. De inlener wordt hierdoor de rechthebbende op de dividenden op de desbetreffende aandelen. Gewoonlijk is vastgelegd dat de uitlener een dividendvervangende vergoeding ontvangt van de inlener. De dividendvervangende vergoeding die de uitlener ontvangt kan in beginsel niet gelijk worden gesteld met een dividend.

Dit uitgangspunt houdt in dat, ook onder de belastingverdragen, in beginsel (alleen) over het dividend zelf dividendbelasting wordt geheven, en dat (alleen) de gerechtigde tot het dividend de dividendbelasting kan verrekenen. Ingeval de desbetreffende aandelen door de inlener aan een derde partij zijn geleverd, is uitsluitend die derde partij gerechtigd tot de opbrengst van de desbetreffende aandelen.

Indien in een door Nederland gesloten belastingverdrag een definitie voor dividenden is opgenomen die overeenkomt met artikel 10, derde lid, van het OESO-modelverdrag, vallen dividendvervangende vergoedingen niet onder deze definitie. De dividendvervangende vergoedingen vallen dan onder artikel 21 (Overige inkomsten). Dit is slechts anders in specifieke situaties, zoals onder het belastingverdrag met de VS. In onderdeel VI, 2e volzin van het Memorandum van Overeenstemming bij het belastingverdrag tussen Nederland en de VS is een speciale regeling voor het uitlenen van aandelen opgenomen.

6. Gereserveerd

7. Inkoop aandelen beursvennootschappen en beleggingsinstellingen

Hieronder staat mijn beleid voor beursvennootschappen en beleggingsinstellingen die eigen aandelen inkopen. Het gaat om de volgende onderwerpen:

7.1. Inkoop van beursaandelen; brutering

Bij inkoop van eigen aandelen is dividendbelasting verschuldigd over het verschil tussen de inkoopprijs en het gemiddelde op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Dit geldt ook bij inkoop van eigen aandelen via de beurs. Aangezien in dat geval de aandeelhouder niet bekend is, dient de inkopende vennootschap de dividendbelasting voor haar rekening te nemen. Op basis van artikel 6 Wet DB 1965 wordt dan voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/85 (brutering), tenzij de inkoopfaciliteit van artikel 4c Wet DB 1965 van toepassing is. Om brutering te vermijden, willen beursvennootschappen2Een vennootschap als bedoeld in artikel 4c, eerste lid, onderdeel a, Wet DB 1965. In het vervolg van onderdeel 7 wordt de term beursvennootschap gehanteerd voor een dergelijke vennootschap. eigen aandelen inkopen van bekende aandeelhouders door middel van een zogenoemde Forward Purchase Agreement (hierna: FPA) of een zogenoemde Second Trading Line (hierna: STL). Hierna behandel ik de volgende vragen bij toepassing van de FPA en de STL:

7.1.1. Inkoop van beursaandelen door middel van een FPA

Een FPA is een overeenkomst tussen een inkopende beursvennootschap en een derde partij (doorgaans een financiële instelling), waarbij deze derde partij aandelen van de inkopende beursvennootschap via de beurs verwerft en deze doorlevert aan de inkopende beursvennootschap. In deze overeenkomst worden onder andere afspraken gemaakt met betrekking tot de hoeveelheid, het tempo of de prijs van de af te nemen aandelen ter inkoop.

Naar mijn mening is veelal sprake van het op indirecte wijze inkopen van eigen aandelen op de beurs van onbekende aandeelhouders. De tussengeschoven partij fungeert dan slechts als dienstverlener voor de inkopende beursvennootschap. Om die reden dient de inkopende beursvennootschap in die gevallen bij de inhouding rekening te houden met brutering in de zin van artikel 6 Wet DB 1965. Aangezien de tussengeschoven partij dan niet als (uiteindelijk) gerechtigde van de opbrengst van de aandelen kan worden aangemerkt, bestaat voor deze partij geen recht op verrekening op de voet van artikel 25 Wet Vpb 1969.

7.1.2. Inkoop van beursaandelen door middel van een STL

Bij de STL wordt naast de reguliere handel in aandelen van de beursvennootschap een tweede notering van hetzelfde soort aandeel aangevraagd bij Euronext effectenbeurs te Amsterdam. Via deze lijn kunnen aandeelhouders, die zich als zodanig aan het inkopende lichaam bekend maken, tegen bepaalde voorwaarden aandelen aanbieden ter inkoop. De inkoop wordt doorgaans begeleid door een financiële instelling. Hierbij maak ik onderscheid tussen twee situaties.

Deze derde partij richt zich op het realiseren van de inkoopprovisie die wordt geboden door de inkopende beursvennootschap. De inkoopprovisie bestaat normaliter uit een aantal basispunten bovenop de beurskoers. Deze derde partij is, evenals de derde partij bij de FPA, slechts als dienstverlener bij de transacties betrokken. De gevolgen zijn daarom hetzelfde als bij de FPA (zie onderdeel 7.1.1).

7.2. Inhoudingsvrijstelling bij de inkoop van eigen aandelen op grond van artikel 4c Wet DB 1965

In artikel 4c Wet DB 1965 is een inhoudingsvrijstelling opgenomen voor beursvennootschappen ter zake van de inkoop van eigen aandelen. Om in aanmerking te komen voor toepassing van de inhoudingsvrijstelling bij een inkoop van eigen aandelen moet de inkopende beursvennootschap als inhoudingsplichtige aan een aantal in artikel 4c Wet DB 1965 genoemde voorwaarden voldoen.

Een van de voorwaarden is dat in het kalenderjaar ten minste aan dividend in contanten wordt uitgekeerd een bedrag gelijk aan het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren. Dit is het zogenaamde ‘jaarvereiste’, zoals opgenomen in artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, Wet DB 1965. Artikel 4c, tweede lid, Wet DB 1965, bepaalt hoe voornoemd gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten wordt berekend. De hoogte van dit gemiddelde uitgekeerde dividend in contanten is ook relevant voor het plafond van de vrijstelling, zoals bepaald in artikel 4c Wet DB 1965, eerste lid, aanhef.

In de praktijk zijn over de berekening van het gemiddeld uitgekeerde dividend en het begrip ‘contant dividend’ verschillende vragen opgekomen. Hieronder volgt mijn beleid hiervoor in de volgende situaties:

7.2.1. Gemiddeld uitgekeerde dividend bij een inhoudingsplichtige die minder dan zeven jaar bestaat

Artikel 4c, tweede lid, Wet DB 1965 schrijft voor hoe het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande jaren moet worden vastgesteld. Dit gemiddelde bedrag wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met het hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten aanmerking te laten. Door het hoogste en laagste gecorrigeerde bedrag buiten aanmerking te laten, worden incidentele pieken en dalen buiten aanmerking gelaten.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat voor een inkopende beursvennootschap die minder dan zeven kalenderjaren geleden is opgericht, het niet mogelijk is om (na het buiten aanmerking laten van het hoogste en het laagste jaar) tot een gemiddelde van vijf voorafgaande kalenderjaren te komen. De inhoudingsvrijstelling van artikel 4c Wet DB 1965 is in een dergelijke situatie derhalve niet van toepassing.

Voor de bepaling van dit gemiddelde bedrag kan het jaar van oprichting van een vennootschap als kalenderjaar in aanmerking worden genomen. Uit de wettekst volgt dat het moet gaan om de dividenden in contanten die de vennootschap heeft uitgekeerd in de desbetreffende kalenderjaren. Hierbij is niet van belang of de vennootschap in het jaar van oprichting een geheel kalenderjaar heeft bestaan.3Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:024:2025:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

7.2.2. Gemiddeld uitgekeerde dividend bij jaren waarin geen contant dividend is uitgekeerd

Artikel 4c, tweede lid, Wet DB 1965 schrijft voor hoe het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande jaren moet worden vastgesteld. Voor het berekenen hiervan tellen jaren waarin geen dividend is uitgekeerd mee als een zogenoemd 0-jaar. Dit betekent dat bij een beursvennootschap die in de reeks van zeven kalenderjaren meerdere keren geen dividend uitkeert, één van die 0-jaren buiten aanmerking wordt gelaten op basis van de regel dat de jaren met de hoogste en de laagste uitkering buiten aanmerking worden gelaten. De overige 0-jaren tellen mee als jaar of jaren waarin geen dividend is uitgekeerd.

7.2.3. Gemiddeld uitgekeerde dividend bij inkoop van (cumulatief) preferente aandelen

In artikel 4c, tweede lid, Wet DB 1965 is opgenomen hoe het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten moet worden bepaald. Voor de berekening moeten de dividenduitkeringen van de zeven voorafgaande jaren worden gecorrigeerd met een inflatiebijstelling.

Bij de inkoop van (cumulatief) preferente aandelen waarop jaarlijks een vast dividend wordt uitgekeerd, heeft de correctie met de inflatiebijstelling echter tot gevolg dat niet aan de voorwaarde van artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, Wet DB 1965 kan worden voldaan. De inflatiebijstelling leidt namelijk tot een hoger gemiddeld uitgekeerd dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren dan het vaste dividend in contanten dat in het jaar van inkoop op de (cumulatief) preferente aandelen wordt uitgekeerd. Ik acht dit een onbedoeld gevolg van de inflatiebijstelling en keur daarom het volgende goed.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.