Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 7 oktober 2025, kenmerk 2025015883, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2026 (Beleidsregels Risicoverevening 2026)

Type ZBO-regeling
Publication 2025-10-25
State In force
Source BWB
artikelen 87
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. de indeling in FDG_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2026 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
  • c. de leeftijd volgens het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 6 van deze Beleidsregels, in welke FDG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FDG_C’ in.

Artikel 4.8. IBZ_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium IBZ_C op:

  • a. de indeling in IBZ_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 7 van deze Beleidsregels;
  • b. de som van de kosten 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg;
  • c. de som van de kosten 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2026, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg;
  • d. de leeftijd volgens het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke IBZ_C klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IBZ_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IBZ_C’ in.

Artikel 4.9. OKH_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium OKH_C op:

  • a. de indeling in OKH_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 8 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2026; en
  • c. de inschrijfduur volgens het PKB 2025, PKB 2024 en PKB 2023.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke OKH_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.10. HSM_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HSM_C op:

  • a. de indeling in HSM_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 9 van deze Beleidsregels; en
  • b. de kenmerkindelingen in FKG_C, DKG_C, FDG_C, MHK_C, MVV_C voor vereveningsjaar 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals bepaald door het Zorginstituut ten behoeve van de definitieve vaststelling volgens Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2023.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 9 van deze Beleidsregels, in welke HSM_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HSM_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HSM_C’ in.

Artikel 4.11. MHK_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_C op:

  • a. de indeling in MHK_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 10 van deze Beleidsregels;
  • b. de kosten over 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:
  • –. verpleging en verzorging;
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg; en
  • –. hulpmiddelen;
  • c. de kosten over 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2026, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:
  • –. verpleging en verzorging;
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg; en
  • –. hulpmiddelen;
  • d. de kosten over 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:
  • –. verpleging en verzorging;
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg; en
  • –. hulpmiddelen;
  • e. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2027 aan het Zorginstituut per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de declaraties van alle Wlz-prestaties en het toegekende persoonsgebonden budget in 2026;
  • f. de leeftijd volgens het PKB 2026; en
  • g. het PKB 2025, PKB 2024 en PKB 2023.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 10 van deze Beleidsregels, in welke MHK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_C’ in.

Artikel 4.12. MHK_G

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_G op:

  • a. de indeling in MHK_G-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 11 van deze Beleidsregels;
  • b. de kosten over 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de kosten over 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2026, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten over 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. de kosten over 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2024, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2025 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • f. de kosten over 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • g. de leeftijd volgens het PKB 2026; en
  • h. het PKB 2025, PKB 2024, PKB 2023, PKB 2022 en PKB 2021.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 11 van deze Beleidsregels, in welke MHK_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_G’ in.

Artikel 4.13. MVV_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MVV_C op:

  • a. de indeling in MVV_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 12 van deze Beleidsregels;
  • b. de kosten verpleging en verzorging 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de kosten verpleging en verzorging 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2026, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten verpleging en verzorging 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2027 aan het Zorginstituut per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de declaraties van alle Wlz-prestaties en het toegekende persoonsgebonden budget in 2026;
  • f. de leeftijd volgens het PKB 2026; en
  • g. het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 12 van deze Beleidsregels, in welke MVV_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MVV_C’ in.

Artikel 4.14. HHK_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HHK_C op:

  • a. de indeling in HHK_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 13 van deze Beleidsregels;
  • b. de hulpmiddelenkosten 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de hulpmiddelenkosten 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2026, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2027 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de hulpmiddelenkosten 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
  • e. het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 13 van deze Beleidsregels, in welke HHK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HHK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HHK_C’ in.

Artikel 4.15. AVI

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium AVI op:

  • a. de indeling in AVI-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 14 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2026;
  • c. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2027;
  • d. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2026;
  • e. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers volgens het UWV-bestand met peildatum 30 juni 2026 en de eerdere UWV-bestanden tot en met 2021;
  • f. de studenten en de hoogopgeleiden volgens de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2026;
  • g. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2026;
  • h. het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2026 in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2026; en
  • i. de historische indeling van AVI uit 2021 tot en met 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met i, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 14 van deze Beleidsregels, in welke AVI-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.16. SES

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SES op:

  • a. de indeling in SES-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 15 van deze Beleidsregels;
  • b. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2024;
  • c. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2025 wanneer voor 2024 geen gegevens beschikbaar zijn;
  • d. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2026;
  • e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2026 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2026;
  • f. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2027 aan het Zorginstituut per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de declaraties van alle Wlz-prestaties en het toegekende persoonsgebonden budget in 2026;
  • g. de indeling in DKG_G-klassen zoals beschreven in Artikel 4.6;
  • h. de leeftijd volgens het PKB 2026; en
  • i. het PKB 2025 en PKB 2024.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met i, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 15 van deze Beleidsregels, in welke SES-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.17. PPA

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium PPA op:

  • a. de indeling in PPA-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand PPA dat is opgenomen in Bijlage 16 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2026;
  • c. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2025;
  • d. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2025 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2025;
  • e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2026 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2025;
  • f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2026 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2026; en
  • g. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2027 aan het Zorginstituut per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de declaraties van alle Wlz-prestaties en het toegekende persoonsgebonden budget in 2026.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2026 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 16 van deze Beleidsregels, in welke PPA-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.18. SEI

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SEI op:

  • a. de indeling in SEI-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 17 van deze Beleidsregels;
  • b. het PKB 2026; en
  • c. het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan elkaar en bepaalt daarmee, met inachtneming van de definities in Artikel 1.1, in welke SEI-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.19. REG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_C op:

  • a. de indeling in REG_C-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 18 van deze Beleidsregels; en
  • b. de viercijferige postcode volgens het PKB 2026.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.20. REG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_G op:

  • a. de indeling in REG_G-klassen 2026 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 19 van deze Beleidsregels; en
  • b. de viercijferige postcode volgens het PKB 2026.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.21. Criteriumneutraliteit voor deelbedrag variabele zorgkosten 2026

Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 7, tabel 7.1, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 11, vierde lid, van de Rrv. Het Zorginstituut gaat bij deze herberekening uit van de tabellen uit bijlage 1 van de Rrv.

Artikel 4.22. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2026

1.

Het Zorginstituut bepaalt de variabele zorgkosten 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars op basis van de opgave jaarstaat 2026 per 1 mei 2027 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Rrv.

2.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 4.21 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.24 en 2.25 beschreven rekenwijze.

3.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2026 door de variabele zorgkosten 2026 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 voor het totaal van de verzekerden van alle zorgverzekeraars gezamenlijk.

4.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 met de schalingsfactor.

5.

Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 in het tweede lid. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

7.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product berekend voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2026.

Artikel 4.23. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2026

1.

Het Zorginstituut bepaalt de vaste zorgkosten 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk op basis van de opgave jaarstaat 2026 per 1 mei 2027 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Rrv.

2.

Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2026 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met het gewicht vaste zorgkosten 2026, berekend in Artikel 2.26, eerste lid.

3.

Het Zorginstituut calculeert met inachtneming van artikel 15, vierde lid, van de Rrv per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2026, berekend in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, berekend in het tweede lid.

4.

De som van het product na toepassing van het tweede lid en de nacalculatie op het verschil na toepassing van het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2026.

Artikel 4.24. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026

Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 7, tabel 7.2, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 11, vierde lid, van de Rrv. Het Zorginstituut gaat bij deze herberekening uit van de tabellen uit bijlage 3 van de Rrv.

Artikel 4.25. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026

1.

Het Zorginstituut bepaalt de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars op basis van de opgave jaarstaat 2026 per 1 mei 2027 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Rrv.

2.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 4.24 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.27 en 2.28 beschreven rekenwijze.

3.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor verzekerden van achttien jaar of ouder door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk.

4.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2026 met de schalingsfactor.

5.

Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het tweede lid. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

7.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid.

8.

Voor de bandbreedteregeling voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026:

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het resultaat in het zevende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het resultaat in het zevende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is; en
  • c. past het Zorginstituut artikel 3.16 van het Bzv toe op het zevende lid en betrekt daarbij het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat uit onderdeel b.
9.

Het resultaat uit het achtste lid, onderdeel c wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026.

Artikel 4.26. Criteriumneutraliteit voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026

Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 7, tabel 7.3, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 18, derde lid, van de Rrv.

Artikel 4.27. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026

1.

Het Zorginstituut herberekent de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de gewichten in de tabellen uit bijlage 5 van de Rrv met de op grond van Artikel 4.26 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.29 en 2.30 beschreven rekenwijze.

2.

In afwijking van Artikel 2.30, vierde lid wordt de detentiefactor gebaseerd op de gerealiseerde gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen. Het resultaat wordt aangeduid als de voorlopige herberekende normatieve opbrengst van het eigen risico 2026.

Artikel 4.28. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2026 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2026

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2026 voor de eerste voorlopige vaststelling als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2026, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2026 en het voorlopig herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026.

2.

Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar voor de eerste voorlopige vaststelling door de verzekerden van achttien jaar of ouder 2026 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2026.

3.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2026 per 1 mei 2027 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

4.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2026 voor de eerste voorlopige vaststelling door de som van het herberekende normatieve bedrag 2026, bedoeld in het eerste lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve opbrengst van het eigen risico, bedoeld in Artikel 4.27, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.

5.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2026 in september 2027 voorlopig vast ter hoogte van de in het vierde lid berekende bijdrage.

5 Hoofdstuk V. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar

Artikel 5.1. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2026 uit de opgave jaarstaat 2028 per 1 mei 2029, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.

Artikel 5.2. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2026

1.

Het Zorginstituut voert de correcties door die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast bij de verzekerdenaantallen 2026.

2.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium IBZ_C met:

  • a. de som van de kosten 2026 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2028, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2029 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg;
  • b. de som van de kosten 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2027, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2028 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg;
3.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MHK_C met de kosten over 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2027, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2028 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:

  • –. verpleging en verzorging;
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • –. verloskunde via medisch-specialistische zorg; en
  • –. hulpmiddelen;
4.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MHK_G met de kosten over 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2027, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2028 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

5.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium MVV_C met de kosten verpleging en verzorging 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2027, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2028 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

6.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium HHK_C met de hulpmiddelenkosten 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2027, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2028 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

7.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium AVI met

  • a. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2029; en
  • b. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2026.
8.

Het Zorginstituut herberekent het aantal verzekerden voor het criterium SES met het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2025. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2025, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2026.

9.

Het Zorginstituut past het bepaalde in Artikel 5.1 en 5.2, eerste tot en met achtste lid, toe bij Artikel 5.4, Artikel 5.5, Artikel 5.7 en Artikel 5.8.

Artikel 5.3. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag variabele zorgkosten 2026 op basis van gewichten inclusief HKC

Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 7, tabel 7.1, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 11, vierde lid, van de Rrv.

Artikel 5.4. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2026

1.

Het Zorginstituut bepaalt de variabele zorgkosten 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Rrv.

2.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 5.3 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.24 en 2.25 beschreven rekenwijze.

3.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2026 door de variabele zorgkosten 2026 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 met de schalingsfactor.

5.

Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2026 in het tweede lid. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

7.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product berekend voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid.

8.

Het Zorginstituut past op het resultaat uit het zevende lid hogekostencompensatie toe overeenkomstig artikel 16 van de Rrv. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2026.

Artikel 5.5. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2026

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 4.23.

Artikel 5.6. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 op basis van gewichten inclusief HKC

Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de in bijlage 7, tabel 7.2, van de Rrv, genoemde aanpassingsklassen overeenkomstig de bepalingen in artikel 11, vierde lid, van de Rrv.

Artikel 5.7. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026

1.

Het Zorginstituut bepaalt de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars, met inachtneming van artikel 12, 13 en 14 van de Rrv.

2.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar of ouder 2026 van alle zorgverzekeraars gezamenlijk met de op grond van Artikel 5.6 herberekende gewichten en overeenkomstig de in Artikel 2.27 en 2.28 beschreven rekenwijze.

3.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor verzekerden van achttien jaar of ouder door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor de gezamenlijke zorgverzekeraars te delen door het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 voor het totaal van alle zorgverzekeraars gezamenlijk.

4.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk en voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 met de schalingsfactor.

5.

Het Zorginstituut berekent voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het product berekend in het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het tweede lid. Het Zorginstituut deelt dit bedrag door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

7.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid.

8.

Het Zorginstituut past op het resultaat uit het zevende lid hogekostencompensatie toe overeenkomstig artikel 17 van de Rrv.

9.

Voor de bandbreedteregeling voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026:

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het resultaat in het achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het resultaat in het achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 in het eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is; en
  • c. past het Zorginstituut artikel 3.16 van het Bzv toe op het achtste lid en betrekt daarbij het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat uit onderdeel b.
10.

Het resultaat uit het negende lid, onderdeel c wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026.

Artikel 5.8. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026 overeenkomstig Artikel 4.27.

Artikel 5.9. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2026 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2026

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2026 voor de tweede voorlopige vaststelling als de som van het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2026, het tweede voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2026 en het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026.

2.

Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar of ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2026.

3.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2026 per 1 mei 2027 als gederfde inkomsten 2026 voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

4.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2026 voor de tweede voorlopige vaststelling door de som van het herberekende normatieve bedrag 2026, bedoeld in het eerste lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve opbrengst van het eigen risico, bedoeld in Artikel 5.8, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.

5.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2026 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2029 ter hoogte van de in het vierde lid berekende bijdrage.

6 Hoofdstuk VI. De vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar

Artikel 6.1. Algemene bepaling

1.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage per zorgverzekeraar definitief met inachtneming van de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft gerapporteerd over de declaraties 2025 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2026 uit de jaarstaat 2028.

2.

Het Zorginstituut past het bepaalde in het eerste lid toe bij Artikel 6.2, Artikel 6.3, Artikel 6.4, Artikel 6.5 en Artikel 6.6.

Artikel 6.2. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2026

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.4.

Artikel 6.3. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2026

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.5.

Artikel 6.4. De definitieve herberekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.7.

Artikel 6.5. De definitieve herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026

Het Zorginstituut herberekent definitief de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig Artikel 5.8.

Artikel 6.6. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2026 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2026

1.

Het Zorginstituut berekent de definitieve vereveningsbijdrage 2026 per zorgverzekeraar overeenkomstig de berekeningswijze in Artikel 5.9.

2.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2026 per zorgverzekeraar in april 2030 definitief vast.

7 Hoofdstuk VII. De uitkering voor uitvoeringskosten

Artikel 7.1. Uitvoeringskosten en aanpassing uitvoeringskosten

1.

Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.

2.

Bij de ex ante toekenning van de vereveningsbijdrage en bij de lenteherberekening is de hoogte van deze uitkering het product van het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar en het bedrag in artikel 20 van de Rrv.

3.

Bij de eerste voorlopige vaststelling, tweede voorlopige vaststelling en definitieve vaststelling van de vereveningsbijdrage is de hoogte van deze uitkering het product van het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar en het bedrag in artikel 20 van de Rrv.

8 Hoofdstuk VIII. De betalingen aan de zorgverzekeraars

Artikel 8.1. Betaling

1.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in Artikel 2.31, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:

  • a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2026;
  • b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2026;
  • c. het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026; en
  • d. een aftrekpost voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026.
2.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in Artikel 7.1, eerste lid, gelijktijdig uit met de betaling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.2. Betalingsschema

1.

Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen bedoeld in Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de uitkering, bedoeld in Artikel 8.1, tweede lid.

2.

Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2026, bedoeld in Artikel 2.31, vierde lid, de uitkering, bedoeld in Artikel 8.1, tweede lid en de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026, zoals bepaald in Artikel 2.30, vijfde lid.

3.

Het Zorginstituut deelt het resultaat uit het tweede lid door het resultaat van het eerste lid.

4.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen bedoeld in Artikel 8.1 eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de uitkering bedoeld in Artikel 8.1, tweede lid, met de uitkomst op grond van het derde lid.

5.

De resultaten van het vierde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:

  • a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2026;
  • b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2026;
  • c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2026;
  • d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
6.

Het Zorginstituut vermindert de som van de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met d, met de aftrekpost voor de normatieve opbrengst van het eigen risico 2026, bedoeld in Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel d.

7.

Het Zorginstituut stelt de maandelijks te betalen termijnen vast aan de hand van het op grond van het zesde lid berekende bedrag en het betalingsschema bedoeld in het twaalfde lid.

8.

Het Zorginstituut saldeert de maandelijks te betalen termijnen, bedoeld in het zevende lid, met de resterende te betalen termijnen van de overeenkomstige maand van de op grond van de Beleidsregels risicoverevening 2025 te betalen termijnen.

9.

Het Zorginstituut betaalt de in het achtste lid bedoelde termijnen op de eerste werkdag van de maand.

10.

Indien na de saldering, bedoeld in het achtste lid, de te betalen termijn per maand op enig moment tot een negatief bedrag leidt, stelt het Zorginstituut dit negatieve bedrag vast en vordert het Zorginstituut het bedrag op de eerste werkdag van de betreffende maand in.

11.

Indien de zorgverzekeraar het bedrag bedoeld in het tiende lid niet aan het Zorginstituut heeft betaald, verrekent het Zorginstituut het verschuldigde bedrag met de betalingen aan de zorgverzekeraar totdat het verschuldigde bedrag is voldaan.

12.

Het betalingsschema luidt als volgt:

Bestanddelen betalingen
Variabele en vaste zorgkosten GGZ Uitvoeringskosten Eigen risico opbrengst
Betaalmoment Artikel 8.2 vijfde lid, onder a en b Artikel 8.2 vijfde lid, onder c Artikel 8.2 vijfde lid, onder d Artikel 8.1 eerste lid, onder d
januari 2026 1,46% 1,06% 8,33% 8,37%
februari 2026 2,34% 2,25% 8,33% 9,63%
maart 2026 3,98% 4,00% 8,34% 10,43%
april 2026 5,90% 8,95% 8,33% 11,13%
mei 2026 7,52% 9,56% 8,33% 11,30%
juni 2026 8,10% 9,68% 8,34% 10,93%
juli 2026 8,30% 9,30% 8,33% 7,80%
augustus 2026 8,60% 9,22% 8,33% 6,40%
september 2026 8,84% 9,06% 8,34% 5,60%
oktober 2026 9,15% 9,05% 8,33% 5,00%
november 2026 9,15% 8,96% 8,33% 4,20%
december 2026 8,29% 8,71% 8,34% 3,28%
januari 2027 6,30% 7,00% 0,00% 2,46%
februari 2027 5,05% 2,38% 0,00% 1,65%
maart 2027 3,29% 0,50% 0,00% 1,02%
april 2027 2,22% 0,09% 0,00% 0,53%
mei 2027 1,09% 0,09% 0,00% 0,18%
juni 2027 0,42% 0,08% 0,00% 0,07%
juli 2027 0,00% 0,06% 0,00% 0,02%
augustus 2027 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
september 2027 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
oktober 2027 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
november 2027 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
december 2027 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%
13.

Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.

Artikel 8.3. Aanpassing betalingen

1.

Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2026 op grond van Artikel 3.2 herziet het Zorginstituut voor de eerste keer de te betalen termijnen met de percentages uit Artikel 8.2, twaalfde lid. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.

2.

Bij de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen met de percentages uit Artikel 8.2, twaalfde lid. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.

3.

Bij de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer met de percentages uit Artikel 8.2, twaalfde lid. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.

4.

Bij de definitieve vaststelling van de bijdrage op grond van hoofdstuk VI, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast met de percentages uit Artikel 8.2, twaalfde lid. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.

5.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer aan de zorgverzekeraar.

6.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.

Artikel 8.4. Rente

1.

De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in Artikel 8.3.

2.

De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.

Artikel 8.5. Renteberekening

1.

Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in Artikel 8.3, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.

2.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 8.3, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 8.2 en 8.3, eerste en tweede lid, tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.

3.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 8.3, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 8.2 en 8.3, eerste, tweede en derde lid, tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.

4.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in Artikel 8.3, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, bedoeld in Artikel 8.2 en 8.3 eerste, tweede, derde en vierde lid, tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.

5.

Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens Artikel 8.2, tiende en elfde lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.

6.

Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van Artikel 8.3, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.

7.

Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de daaraan voorafgaande kalendermaand.

8.

De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.

Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.

9.

Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.

9 Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Artikel 9.1. Inwerkingtreding

Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst, en werken terug tot en met 15 oktober 2025.

Artikel 9.2. Citeertitel

Deze Beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels risicoverevening 2026.

Deze Beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 1 tot en met 19 (referentiebestanden). Deze bijlagen worden gepubliceerd op de website www.zorginstituutnederland.nl.

Goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 09.10.2025, kenmerk 4239866-1089811-Z.

Bijlage 1. Referentiebestand L5G vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.5 en Artikel 4.2

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

Bijlage 2. Referentiebestand FKG_C vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.6 en Artikel 4.3

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

Bijlage 3. Referentiebestand FKG_G vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.7 en Artikel 4.4

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

Bijlage 4. Referentiebestand DKG_C vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.8 en Artikel 4.5

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

Bijlage 5. Referentiebestand DKG_G vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.9 en Artikel 4.6

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

Bijlage 6. Referentiebestand FDG_C vereveningsjaar 2026, behorend bij Artikel 2.10 en Artikel 4.7

Gepubliceerd op www.zorginstituutnederland.nl.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)