Beleidsregel Budgettair kader Wlz 2026
Grondslag
Gelet op artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen.
Gelet op artikel 49e, zevende lid, van de Wmg verdeelt de NZa het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgestelde bedrag dat beschikbaar is voor het verlenen van zorg in natura (zin) over de (zorgkantoor)regio’s als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Gelet op artikel 49e, zesde lid, van de Wmg informeert de NZa de Minister van VWS over relevante ontwikkelingen met betrekking tot de in dat artikel bedoelde landelijke bedragen voor zin, alsmede de regionale bedragen voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten (pgb) en voor de overige uitvoeringskosten.
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:
- basisbudget: Wlz-kader, stand kader 2025, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 en het indicatieve Wlz-kader voor de jaren 2027-2030 van 16 september 2025 (kenmerk 4208786-1087253-LZ; hierna: Definitieve kaderbrief Wlz 2026). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2025 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget.
- bruteringseffect: het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond, binnen de contracteerruimte, binnen de overige uitvoeringskosten of van overige uitvoeringskosten naar zin is deze brutering niet van toepassing.
- budgettair kader Wlz: het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, eerste lid, van de Wmg. Het kader heeft betrekking op zin als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz, de verstrekking van pgb zoals bedoeld in dat artikel en op de overige uitvoeringskosten, en is beschikbaar is voor Wlz-uitvoerders/zorgkantoren.
- contracteerruimte: het totale financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, derde lid, onderdeel a van de Wmg, en beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zin te contracteren bij zorgaanbieders. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen (artikel 4) en geoormerkte middelen (artikel 8).
- gehonoreerde productieafspraak: De productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleidsregels en regelingen van de NZa.
- maximaal beschikbare bedrag persoonsgebonden budgetten: het totale financiële kader dat beschikbaar is voor zorgkantoren voor de verlening van persoonsgebonden budgetten.
- netto kader: financieel beschikbare kader, waarbij gecorrigeerd is voor de bruteringseffecten. De middelen die beschikbaar zijn voor pgb zijn vermenigvuldigd met 86% en worden opgeteld bij de middelen voor zin om tot een netto kader te komen.
- overige uitvoeringskosten: het beschikbare financiële kader dat de Minister van VWS bij ministeriële regeling vaststelt op grond van artikel 49e, derde lid, onderdeel c van de Wmg, waarmee zorgkantoren de inkoop kunnen bekostigen van cliëntondersteuning en van preventieve maatregelen zoals beschreven in artikel 4.2.4, vijfde respectievelijk zesde lid van de Wlz, alsook de inkoop van cliëntondersteuning en de cliëntenvertrouwenspersoon, zoals opgenomen in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c respectievelijk d, van de Wlz.
- persoonsgebonden budget: een subsidie van een zorgkantoor waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens artikel 3.3.3 van de Wlz en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen.
- productieafspraak: het totaalbedrag van de afspraken met betrekking tot de prestaties en tarieven ten laste van de contracteerruimte die door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder zijn overeengekomen in de budgetronde of herschikkingsronde.
- regiobudget: budget dat een zorgkantoor toegewezen krijgt om in de betreffende regio de zorg in te kopen,pgb’s toe te kennen en de overige uitvoeringskosten te bekostigen. tweezijdige aanvragen; eenzijdige aanvragen: waar in deze beleidsregel wordt gesproken van een tweezijdige aanvraag, bedoelt de NZa dat: Indieningen anders dan tweezijdig beschouwt de NZa als eenzijdig.
- –. zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder gezamenlijk eensluidend indienen; zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder hebben overeenstemming;
- –. zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder ieder afzonderlijk indienen en de indieningen eensluidend zijn; zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder hebben overeenstemming.
- verdeelmodel Wlz:1In de technische bijlage bij de beleidsregel worden het verdeelmodel Wlz en het flankerend beleid in detail beschreven. verdeelsleutel waarbij de gemiddelde uitstaande indicaties met peilmoment 1 mei t-2, 1 juni t-2, 1 juli t-2, 1 augustus t-2, 1 september t-2, 1 oktober t-2, 1 november t-2, 1 december t-2, 1 januari t-1, 1 februari t-1, 1 maart t-1, 1 april t-1 per zorgkantoorregio worden gewogen voor zorgzwaarte door de uitstaande indicaties te vermenigvuldigen met de waarde van de bijbehorende zorgprofielen. De waarde van de zorgprofielen wordt gebaseerd op de gerealiseerde productie van 2024 die naar prijspeil 2026 is gebracht. Tevens wordt rekening gehouden met de verzilvering van de uitstaande indicaties. De uitkomst van het verdeelmodel Wlz leidt tot een budgetaandeel (percentage) van die regio dat als verdeelsleutel wordt gebruikt voor de verdeling van het netto budgettair kader over de regio’s (zie artikel 5). flankerend beleid2In de technische bijlage bij de beleidsregel worden het verdeelmodel Wlz en het flankerend beleid in detail beschreven. regeling waarbij negatieve modeleffecten gemaximeerd worden op 0,5% per jaar. Allereerst wordt vastgesteld of het toepassen van flankerend beleid noodzakelijk is. Hiertoe wordt middels een parallelle doorrekening de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t met alle modelaanpassingen vergeleken met de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t zonder modelaanpassingen. Als de daling in absoluut bedrag voor een zorgkantoorhouder groter dan 0,5% is, dan is er noodzaak voor het toepassen van flankerend beleid. Als flankerend beleid op basis van modelaanpassingen noodzakelijk is, compenseert het model zorgkantoorhouders met een negatief effect lager dan -0,5% door evenredig budget te minderen bij de andere zorgkantoorhouders. De bijdrage aan het flankerend beleid wordt bepaald o.b.v. de delta tussen de grenswaarde voor flankerend beleid en de uitkomst van het verdeelmodel in jaar t met alle modelaanpassingen.
- Wlz-uitvoerdersbudget: som van de regiobudgetten van de regio’s waarvoor een Wlz-uitvoerder op grond van het Besluit aanwijzing zorgkantoren is aangewezen als zorgkantoor.
- Wlz-uitvoerder: de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig artikel 4.1.1 van de Wlz heeft aangemeld voor de uitvoering van die wet, daaronder begrepen de met toepassing van artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen Wlz-uitvoerder.
- zin: zorg in natura is de door een zorgkantoor gecontracteerde zorg ten behoeve van Wlz-cliënten.
- zorgaanbieder zonder initiële budgetafspraken: een nieuwe zorgaanbieder die na 15 november 2025 een overeenkomst sluit met een zorgkantoor en zorg wil leveren in 2026.
- zorgkantoor: een ingevolge artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz voor een bepaalde regio aangewezen Wlz-uitvoerder. Het zorgkantoor is voor alle verzekerden die wonen in de regio waarvoor hij is aangewezen, belast met de verstrekking van het pgb, alsmede met de administratie of controle van de aan die verzekerden verleende zorg.
- zorgkantoorhouder: Wlz-uitvoerder die voor één of meer regio’s is aangewezen als zorgkantoor. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel voorkomen en die niet hierboven worden vermeld, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz.
Artikel 2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is om de regionale verdeling van de contracteerruimte vast te stellen, waarbinnen de Wlz-uitvoerders/ zorgkantoren voor het jaar 2026 zorg in natura kunnen contracteren. Daarnaast wordt in deze beleidsregel, op grond van artikel 49e, lid 6 van de Wmg, de informerende rol van de NZa richting de minister vastgelegd ten aanzien van de in dat artikel bedoelde landelijke bedragen voor zin, alsmede de regionale bedragen voor pgb en voor de overige uitvoeringskosten. Verder geeft deze beleidsregel aan op welke manier middelen overgeheveld kunnen worden tussen de verschillende financiële kaders. Tot slot geeft deze beleidsregel aan op welke wijze de verwerking van de gemaakte productieafspraken in de budgetronde en herschikkingsronde in de budgetten van de zorgaanbieders plaatsvindt.
Artikel 3. Reikwijdte
Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) die wordt geleverd door zorgaanbieders.
Artikel 4. Toedeling en opbouw budgettair kader 2026
De Minister van VWS heeft het macrobedrag voor de contracteerruimte voor zin, pgb en de overige uitvoeringskosten vastgesteld in de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 (kenmerk 4208786-1087253-LZ).
Het budgettair kader Wlz voor het jaar 2026 bedraagt € 41.059 miljoen. Dit bedrag is als volgt verdeeld:
- −. De contracteerruimte voor zin betreft € 36.337 miljoen.
- −. De geoormerkte ruimte binnen de contracteerruimte zin voor innovatie bedraagt € 20 miljoen.
- −. Het beschikbare bedrag voor pgb’s betreft € 4.626 miljoen.
- −. Het budget voor overige uitvoeringskosten bedraagt € 96 miljoen.
- −. De herverdelingsmiddelen bedragen € 390 miljoen.
- a. Het startpunt van het Wlz kader 2026 is het benodigd Wlz kader 2025. Ten opzichte van de Definitieve kaderbrief 2025 is het kader 2025 op grond van de Meerjarige voorlopige kaderbrief 2026–2030 (kenmerk: 4154805-1085543-LZ) en de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 (kenmerk: 4208786-1087253-LZ) geactualiseerd.VWS stelt de herverdelingsmiddelen ad € 360 miljoen die voor 2025 waren gereserveerd niet meer beschikbaar als extra middelen. Daarnaast is er voor het Wlz kader 2026 een extra kader bijgekomen voor overige uitvoeringskosten. De basis voor het kader van 2026 is de verwachte benutting van het Wlz-kader 2025. VWS gaat hierbij uit van de julibrief 2025 van de NZa. Het benodigde Wlz-kader 2025 bedraagt € 38.258.
- b. Netto groei en loon- en prijsbijstelling 2026
Het startpunt gebaseerd op het Wlz kader 2025 zoals genoemd onder a. wordt, op basis van de Definitieve kaderbrief Wlz 2026, verhoogd met middelen voor netto groei en loon- en prijsbijstelling 2026. De netto groei bedraagt € 1.704 miljoen en voor loon- en prijsbijstelling € 1.487 miljoen.
Het door de Minister van VWS beschikbaar gestelde bedrag voor pgb’s wordt gebruteerd tot middelen zin en opgeteld bij het voor zin beschikbaar gestelde bedrag, om zo tot een netto Wlz kader te komen. Dit kader wordt volgens artikel 5 toegedeeld aan de regio’s. Wlz uitvoerder/zorgkantoren kunnen tot 15 november 2025 aangegeven wat het aandeel pgb moet zijn (zie artikel 9). Dit aandeel wordt vervolgens weer gebruteerd (bruteringseffect).
Artikel 5. Verdeling budgettair kader zin en pgb over de regio’s
Het in artikel 4, derde lid beschreven Wlz kader wordt als volgt over de regio’s verdeeld.
- a. Eerst wordt het voorlopige pgb kader verdeeld over de regio’s door het procentuele aandeel in het bruto pgb kader 2025 (exclusief incidentele middelen en incidentele overhevelingen) van 15 juni 2025 te vermenigvuldigen met 97% van het voorlopige pgb kader 2026. Het voorlopige pgb kader 2026 wordt gebaseerd op basis van de Meerjarige voorlopige kaderbrief 2026–2030 van 10 juli 2025 (kenmerk 4154805-1085543-LZ). Vervolgens wordt de voorlopige contracteerruimte verdeeld over de regio’s door het regiobudget 2026 te verminderen met 0.86 maal voorlopige pgb kader. Het regiobudget 2026 bestaat uit het procentuele aandeel in het bruto Wlz kader 2025 (exclusief incidentele middelen en incidentele overhevelingen), vermenigvuldigd met 97% van het geschoonde Wlz kader 2026. Het geschoonde Wlz kader 2026 is het voorlopige netto Wlz kader 2026 exclusief herverdelingsmiddelen. Het voorlopige netto Wlz kader 2026 wordt gebaseerd op basis van de Meerjarige voorlopige kaderbrief 2026–2030 van 10 juli 2025.
- b. Bij de definitieve verdeling (oktober 2025) wordt de verdeling volgens lid 1 onder a gecorrigeerd voor verdeelmodel Wlz en flankerend beleid. Hiertoe worden de volgende stappen doorlopen:
-
- Op het netto Wlz-kader 2026 wordt het verdeelmodel en flankerend beleid toegepast3In de technische bijlage bij de beleidsregel wordt het verdeelmodel Wlz en het flankerend beleid in detail beschreven. Het netto Wlz kader 2026 wordt gebaseerd op basis van de Definitieve kaderbrief Wlz 2026. Het flankerend beleid wordt op zorgkantoorhouderniveau uitgevoerd.
-
- De berekende procentuele mutatie per zorgkantoorhouder die volgt uit het verdeelmodel en/of flankerend beleid wordt toegepast op de onderliggende zorgkantoorregio’s van de desbetreffende zorgkantoorhouder.
-
- Het netto kader Wlz 2026 wordt vervolgens toegedeeld naar zin en pgb volgens artikel 6.
Er is € 390 miljoen beschikbaar aan herverdelingsmiddelen 2026. De NZa zal de Minister van VWS in 2026 informeren over de ontwikkelingen in het licht van de toereikendheid van het kader. Deze middelen worden zo nodig ingezet om budgettaire knelpunten in 2026 op te lossen.
Indien er in 2026 herverdelingsmiddelen ter beschikking komen, wordt van deze herverdelingsmiddelen € 11 miljoen apart gehouden tot 1 september 2026. Deze middelen zijn bedoeld voor tekorten die leiden tot schrijnende gevallen in geval van absolute krimp van budget bij een zorgkantoor4In de technische bijlage bij de beleidsregel wordt dit beschreven..
Artikel 6. Toedeling budgettair kader naar zin en pgb
De uitkomst van artikel 5, eerste lid onder b, stap 1 t/m 3 is een netto kader per regio.
Om aan te sluiten bij de kaderbrief wordt dit netto kader gebruteerd door de NZa en verdeeld over de contracteerruimte voor zin, het pgb-kader. Eerst wordt het macro pgb kader verdeeld over de regio’s. Hiervoor wordt, per regio, het regionale pgb kader gedeeld door het macro pgb kader, om de procentuele verdeling te bepalen. Het betreft hier het regionale pgb kader en het macro pgb kader van jaar t-1 op peilmoment 15 september t-1. Deze verdeling wordt vermenigvuldigd met het bruto pgb kader van jaar 2026. Vervolgens wordt de contracteerruimte voor zin bepaald door het netto kader te verminderen met 0,86 maal het toegekende pgb kader.
Vervolgens kunnen Wlz-uitvoerders tot 15 november jaar t-1 aangeven of zij deze initiële verdeling willen aanpassen. Na 15 november jaar t-1 kan overgeheveld worden conform de systematiek van artikel 9 en 10. Bij verschuivingen tussen zin en pgb en van overige uitvoeringskosten naar pgb neemt de NZa de bruteringsregels in acht. De NZa stelt hiervoor een format beschikbaar.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.