Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 november 2025, nr. 2025-10381 over inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang (Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025)
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en Hoofdstuk 4 en artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
1. Inleiding
Dit besluit vervangt het besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139 (Stcrt. 2018, 15751).
In het besluit is een nieuw hoofdstuk 3. Inkomen uit aanmerkelijk belang opgenomen met daarin een nieuw onderdeel 3.1. Vererfd aanmerkelijk belang en binnen 24 maanden afboeking reguliere voordelen op verkrijgingsprijs. Hierin staan beleidsstandpunten over de toepassing van artikel 4.12a Wet IB 2001.
Aan hoofdstuk 4. Reguliere voordelen (nieuwe nummering) zijn toegevoegd een onderdeel 4.3. Forfaitair voordeel uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en buitenlandse beleggingslichamen en een onderdeel 4.4. Fictief regulier voordeel. Hierin zijn beleidsstandpunten opgenomen over de toepassing van het forfaitair rendement en het fictief regulier voordeel (artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, en volgende, Wet IB 2001).
De volgende onderdelen in het besluit zijn nieuw, gewijzigd, dan wel verduidelijkt. Daarnaast zijn een drietal technische onvolkomenheden hersteld.
De volgende onderdelen (nummering volgens het besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139) zijn niet langer opgenomen.
Deze onderdelen zijn niet langer opgenomen in verband met het vervallen van de dienstbetrekkingeis per 1 januari 2025 (Stb. 2025/504). Voor de toepassing van de doorschuiving bij schenking in de jaren vóór 1 januari 2025 blijven voornoemde onderdelen gelden.
Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wel zijn redactionele wijzigingen aangebracht.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Het begrip aanmerkelijk belang
2.1. Overschrijding 5%-bezitscriterium bij beleggingsinstelling
Belastingplichtigen die aandelen willen verwerven in een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet VPB 1969, zullen er doorgaans voor zorgen dat hun belang beneden de 5%-grens blijft, zodat het aandelenbezit niet als een aanmerkelijk belang wordt aangemerkt. Bij de introductie van een fiscale beleggingsinstelling die zich tot een breed publiek wendt, zal het belang dat een belastingplichtige in een dergelijk fonds verkrijgt, afhankelijk zijn van het succes van de introductie. Als de intekening op de aandelenemissie tegenvalt, kan de situatie zich voordoen dat een belastingplichtige zonder dat hij dit beoogt, 5% of meer van het geplaatste aandelenkapitaal verkrijgt.
Ook tijdens het bestaan van een fiscale beleggingsinstelling kan zich – bijvoorbeeld door een plotselinge daling van de omvang van het aandelenkapitaal van de beleggingsinstelling – de situatie voordoen dat het belang van een belastingplichtige onbedoeld stijgt tot 5% of meer. Dit heeft tot gevolg dat dit bezit wordt aangemerkt als een aanmerkelijk belang. Dit kan – bij een niet beursgenoteerde beleggingsinstelling – ook tot gevolg hebben dat de desbetreffende vennootschap niet langer als een fiscale beleggingsinstelling zou worden aangemerkt.
Gelet op het feit dat in bovenvermelde situaties ongewild een aanmerkelijkbelangpositie kan ontstaan, ben ik onder voorwaarden bereid in de uitvoeringssfeer een praktische oplossing te bieden voor situaties waarbij sprake is van een dergelijke tijdelijke ongewilde overschrijding van de 5%-grens.
Onder de hierna te stellen voorwaarden keur ik goed dat in geval van een dergelijke tijdelijke overschrijding van het 5%-criterium, de belastingplichtige geacht wordt geen aanmerkelijk belang in de fiscale beleggingsinstelling te hebben gehad.
2.2. Verschillende soorten aandelen
Als een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, heeft de belastingplichtige een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen aandeelhouder is. Er is sprake van verschillende soorten aandelen zowel bij vermogensrechtelijke verschillen tussen de aandelen als wanneer tussen de verschillende soorten aandelen uitsluitend een verschil bestaat met betrekking tot de besluitvorming omtrent uitkeringen van winst of vermogen van de vennootschap (zie HR 16 december 2011, nr. 10/00158, ECLI:NL:HR:2011:BN7252 en ECLI:NL:HR:2011:BU8233).
Voor de bepaling of sprake is van een aanmerkelijkbelangsoort zijn, inherent aan de aanmerkelijkbelangheffing, uitsluitend aan het aandeel verbonden rechten en plichten van belang. Met andere woorden uitsluitend de statuten van de vennootschap bepalen of er verschillende soorten aandelen zijn (zie onder andere Kamerstukken I 2011/12, 31 058, nr. C). Gelet hierop vormen aandelen die via een stichting administratiekantoor zijn gecertificeerd, geen aparte soort aandelen ten opzichte van de niet gecertificeerde aandelen in dezelfde vennootschap. Certificering van aandelen geschiedt namelijk niet via de statuten van de vennootschap maar via administratievoorwaarden waarin de rechten en plichten van de certificaathouder en de stichting zijn vastgelegd. De certificaathouder heeft voor de aanmerkelijkbelangregeling wel een direct belang in de vennootschap.
3. Inkomen uit aanmerkelijk belang
3.1. Vererfd aanmerkelijk belang en binnen 24 maanden afboeking reguliere voordelen op verkrijgingsprijs
3.1.1. Vererfd aanmerkelijk belang en verkrijging krachtens erfrecht
Ingeval een belastingplichtige aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht heeft verkregen, hoeft belastingplichtige op verzoek, onder voorwaarden en tot een bepaald bedrag, binnen 24 maanden na overlijden van de erflater genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen of uit aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang te rekenen (artikel 4.12a Wet IB 2001).
Voor de vraag tot welk bedrag belastingplichtige van deze faciliteit gebruik kan maken, is bepalend de mate waarin het aanmerkelijk belang krachtens erfrecht wordt verkregen. Het erfdeel van de belastingplichtige/erfgenaam is dus niet enkel bepalend.
Indien een erflater meer dan één erfgenaam achterlaat en de wettelijke verdeling niet van toepassing is, ontstaat een onverdeeldheid. De nalatenschap moet vervolgens worden verdeeld. Ook hetgeen belastingplichtige bij de verdeling van de nalatenschap verkrijgt, verkrijgt belastingplichtige krachtens erfrecht.
Tot de nalatenschap van X behoren onder meer alle aandelen in X BV. Ter zake van de overgang krachtens erfrecht is bij X € 90.000 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. X heeft drie erfgenamen, A, B en C, die ieder voor 1/3 deel zijn gerechtigd tot de nalatenschap. Bij de verdeling van de nalatenschap krijgen A en B ieder 50% van de aandelen in X BV toebedeeld; C krijgt een ander vermogensbestanddeel uit de nalatenschap. Daarna en binnen 24 maanden na overlijden van X, keert X BV dividend uit van in totaal € 90.000. A en B kunnen ieder voor € 45.000 een verzoek doen om dit dividend niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang te rekenen.1Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2025:10, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
3.1.2. Volgtijdelijk overlijden en dividenduitkering binnen twee jaar na eerste overlijden (eerste erflater)
In een situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder (eerste erflater) overlijdt en binnen 24 maanden daarna diens erfgenaam (tweede erflater) overlijdt, waardoor een dividenduitkering aan de tweede erflater niet is geformaliseerd, heb ik onder voorwaarden goedgekeurd dat de erfgenaam van de tweede erflater de regeling van artikel 4.12a Wet IB 2001 mag toepassen ter grootte van het bedrag dat bij de eerste erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.
Ik keur op basis van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat in de omschreven situatie gebruik kan worden gemaakt van artikel 4.12a Wet IB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden.
Z houdt alle aandelen in Z BV. Z overlijdt op 1 december 2023. X erft van Z de aandelen in Z BV. X wil Z BV dividend laten uitkeren en wil daarbij gebruik maken van de regeling van artikel 4.12a Wet IB 2001. X heeft hierover gemaild met diens adviseur. De adviseur heeft vervolgens een conceptbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders opgesteld waarin de algemene vergadering van aandeelhouders besluit tot het doen van de dividenduitkering. X overlijdt op 1 augustus 2025 en heeft als gevolg daarvan de dividenduitkering niet kunnen formaliseren. Y is erfgenaam van X en erft de aandelen in Z BV. Y kan aan de hand van de mail van X aan de adviseur en het conceptbesluit aannemelijk maken dat X een aanvang had gemaakt met het uitkeren van het dividend en kan zo voldoen aan voorwaarde 2 van de goedkeuring.
Bovenstaande goedkeuring laat onverlet dat de erfgenaam van de tweede erflater binnen 24 maanden na het overlijden van de tweede erflater een regulier voordeel buiten aanmerking mag laten, voor zover dit regulier voordeel niet uitgaat boven het bedrag dat bij de tweede erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen nog kunnen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen van dezelfde soort van de erfgenaam van de tweede erflater.
3.1.3. Vererfd aanmerkelijke belang en toerekening inkomen uit aanmerkelijk belang aan partner van erflater
Een van de voorwaarden voor toepassing van de faciliteit van artikel 4.12a Wet IB 2001 is dat ter zake van de overgang krachtens erfrecht bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. In geval dit inkomen niet in aanmerking is genomen bij de erflater maar op grond van artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 bij diens partner, kan de erfgenaam de faciliteit van artikel 4.12a Wet IB 2001 toch toepassen gelet op doel en strekking van de faciliteit. Uiteraard mits daarbij wordt voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 4.12a Wet IB 2001, waaronder de begrenzing tot het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.2Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2024:19, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Ingeval het inkomen in aanmerking is genomen bij de partner van erflater, is dat bedrag van de begrenzing het bedrag dat bij erflater en diens partner in aanmerking is genomen.
4. Reguliere voordelen
4.1. Terugbetaling aandelenkapitaal zonder nominale waarde
Een terugbetaling van kapitaal op aandelen zonder nominale waarde (bijvoorbeeld door een Belgische nv aan een in Nederland woonachtige aandeelhouder) is belast als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Er wordt namelijk niet aan alle vereisten voldaan voor een onbelaste teruggaaf van wat op aandelen is gestort (artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Eén van die vereisten is dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging wordt verlaagd. Hieraan wordt niet voldaan als de aandelen geen nominale waarde hebben. Ook een terugbetaling van agio of informeel kapitaal is onder die omstandigheden belast als regulier voordeel. Voor de volledigheid merk ik op dat een belaste terugbetaling niet leidt tot een verlaging van de verkrijgingsprijs.
4.2. Onzakelijke lening en borg in de aanmerkelijkbelangsfeer
Een geldlening kan onder omstandigheden als een onzakelijke lening worden aangemerkt (zie onder andere HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Zie verder het besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.2.1. tot en met 8.2.4.
Als een vennootschap een onzakelijke lening aan haar aanmerkelijkbelanghouder verstrekt, een onzakelijke lening omhoog, kan de kwijtschelding van deze lening leiden tot een winstuitdeling aan deze aandeelhouder. Dat kan zich, afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, voordoen als de vennootschap het onzakelijke debiteurenrisico dat is verbonden aan deze lening heeft aanvaard in het belang van deze aandeelhouder. Als vervolgens vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichtingen zal voldoen bijvoorbeeld in geval van (materiële) kwijtschelding, is mogelijk sprake van een winstuitdeling aan de aanmerkelijkbelanghouder (HR 28 februari 2014, nr. 12/03526 ECLI:NL:HR:2014:417).
Een uitdeling kan zich eveneens voordoen ingeval van een onzakelijke lening tussen zustervennootschappen, een onzakelijke lening opzij, in welke vennootschappen een aandeelhouder een aanmerkelijk belang heeft.
Er moet rente in aanmerking worden genomen, ook in geval sprake is van een onzakelijke lening tussen een aandeelhouder en zijn vennootschap. Die rente kan uit praktisch oogpunt worden gesteld op het bedrag dat de debiteur zou moeten vergoeden indien hij met een borgstelling van de aandeelhouder onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen (zie HR 25 november 2011, nr. 08/05323, r.o. 3.3.2. en r.o. 3.3.4., ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Als sprake is van een onzakelijke lening van de aanmerkelijkbelanghouder aan diens vennootschap, een onzakelijke lening omlaag, en blijkt dat door de vennootschap een hogere rentevergoeding is betaald dan uit voorgaande praktische regel volgt, dan wordt dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als winstuitdeling aan de aandeelhouder aangemerkt. Is een lagere rente betaald, dan kan sprake zijn van een storting van informeel kapitaal. Als sprake is van een onzakelijke lening omhoog en blijkt dat door de aanmerkelijkbelanghouder een hogere rentevergoeding is betaald dan uit voorgaande praktische regel volgt, dan kan dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als informele kapitaalstorting worden aangemerkt. Is een lagere rente betaald, dan wordt dit deel van de rente (verschil betaalde rente en borgstellingsanaloge rente) als winstuitdeling aan de aandeelhouder aangemerkt.
Een vergoeding van de vennootschap aan de aanmerkelijkbelanghouder in verband met een onzakelijke borgstelling door die aanmerkelijkbelanghouder ten behoeve van die vennootschap zijn bij deze aanmerkelijkbelanghouder belast als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Omdat deze borgstelling zich in de kapitaalsfeer bevindt, wordt de borgstellingsvergoeding fiscaal aangemerkt als regulier voordeel en mist artikel 3.92, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001 daarom toepassing. Zie ook besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.3.1. Voor de vennootschap geldt dat genoemde vergoeding niet aftrekbaar is.
4.3. Forfaitair voordeel uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en buitenlandse beleggingslichamen
4.3.1. Forfaitair voordeel bij aandelen in blote eigendom en vruchtgebruik
Bij aandelen in blote eigendom en aandelen met een recht van vruchtgebruik in een vennootschap als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 moet zowel de blooteigenaar als de vruchtgebruiker van de aandelen een forfaitair voordeel in aanmerking nemen. De grondslag voor de berekening van het forfaitair voordeel is de waarde in het economisch verkeer van de blote eigendom onderscheidenlijk het recht van vruchtgebruik van deze aandelen per begin van het kalenderjaar.
Dividenden die de vennootschap in dat jaar uitkeert aan de vruchtgebruiker worden als regulier voordeel bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen. Dit regulier voordeel vermindert de omvang van diens forfaitair voordeel, maar niet verder dan tot nihil (artikel 4.14a, eerste lid, Wet IB 2001).
Voor zover bij de vruchtgebruiker het regulier voordeel uit hoofde van de dividenden hoger is dan het bedrag waarmee diens forfaitair voordeel kan worden verminderd, kan op grond van een redelijke wetstoepassing het meerdere in mindering worden gebracht bij de bepaling van het forfaitaire voordeel van de blooteigenaar, maar niet verder dan tot nihil.3Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:10, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
4.3.2. Forfaitair voordeel bij immigratie of emigratie in de loop van het jaar
Als een natuurlijk persoon met aandelen in of winstbewijzen van een niet in Nederland gevestigde vennootschap als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 in de loop van het jaar naar Nederland immigreert, is de grondslag voor de berekening van het forfaitair voordeel de waarde in het economisch verkeer van die aandelen of winstbewijzen bij het begin van dat jaar. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omvang van het forfaitair voordeel naar tijdsgelang wordt berekend. Hierbij worden gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd.4Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:003:2023:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Bij emigratie in de loop van een jaar van een natuurlijk persoon met aandelen in of winstbewijzen van een vrijgestelde beleggingsinstelling of buitenlands beleggingslichaam als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 brengt, als Nederland geen heffingsrecht meer heeft, een redelijke wetstoepassing eveneens mee dat het forfaitair voordeel wordt berekend naar tijdsgelang. Ook hierbij worden gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.