← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 3 november 2025, houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiebesluit)

Geldende tekst a fecha 2026-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 juni 2025, nr. WJZ / 99237560;

Gelet op de artikelen 1.4, derde lid, 1.7, tweede en derde lid, 2.2, tweede en derde lid, 2.5, zesde lid, 2.6, zesde lid, 2.18, tweede lid, 2.21, tweede lid, 2.25, tweede en vierde lid, 2.34, vijfde lid, 2.46, tweede lid, 2.50, derde lid, 2.51, tweede lid, 2.53, tweede lid, 2.56, eerste en tweede lid, 2.68, tweede lid, 3.8, derde lid, 3.18, eerste lid, 3.26, eerste en tweede lid, 3.27, vijfde lid, 3.36, eerste lid, 3.40, derde en vierde lid, 3.41, tweede lid, 3.47, tweede en vierde lid, 3.64, tweede lid, 3.74, 3.75, 3.79, 3.85, 3.87, vierde lid, 3.90, 3.96, 3.100, vijfde lid, 3.102, 3.103, tweede lid, 3.107, derde lid, 3.118, vierde lid, 4.4, vierde lid, 4.22, vierde lid, 5.1, tweede lid, 5.12, tweede lid, 5.27, eerste lid, van de Energiewet, artikel 5 van de Metrologiewet en de artikelen 4.3, eerste lid, 5.11, eerste lid, en 5.12, derde lid, van Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 september 2025, nr. W19.25.00151/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 28 oktober 2025, nr. WJZ / 100821074;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. gezamenlijke aansluiting
1.

De minimumaansluitcapaciteit voor een gezamenlijke aansluiting als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, van de wet bedraagt 100 kVA.

2.

Het aantal installaties dat gebruik maakt van een gezamenlijke aansluiting als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, van de wet bedraagt ten hoogste vier.

Artikel 1.3. definitie van energiearmoede ten behoeve van monitoring
1.

Onder energiearmoede wordt verstaan energiearmoede als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking).

2.

Het Centraal bureau voor de statistiek, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek, wordt aangewezen als de instantie, bedoeld in artikel 1.7, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 2. Energiemarkten

Afdeling 2.1. Contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier of actieve afnemer en marktdeelnemer die aggregeert

Artikel 2.1. inhoud leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel
1.

Een leverancier stelt een leveringsovereenkomst of een leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met een eindafnemer op schrift en zorgt ervoor dat de overeenkomst in ieder geval de volgende gegevens bevat:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de maximale hoogte van de waarborgsom die een leverancier kan vragen aan een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming bij het sluiten van een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel.

Artikel 2.2. voordelen bij afsluiten leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel

Een leverancier verstrekt een eindafnemer bij het sluiten van een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel uitsluitend voordelen die geldelijk van aard zijn.

Artikel 2.3. samenvatting leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel

De samenvatting van de belangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, van de wet, bevat in ieder geval:

Artikel 2.4. betalingswijzen leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel
1.

Een leverancier biedt eindafnemers een keuze uit verschillende betalingswijzen en vermeldt de overeengekomen betalingswijze in de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met de eindafnemer.

2.

Een verschil in tarieven en voorwaarden tussen betalingswijzen, houdt uitsluitend verband met het verschil in kosten die die betalingswijzen voor de leverancier met zich brengen.

Artikel 2.5. wijziging van prijzen of voorwaarden leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel
1.

Een leverancier stelt eindafnemers op een transparante en begrijpelijke manier schriftelijk in kennis van elke wijziging van de prijzen voor de levering van elektriciteit of gas of de methode voor vaststelling hiervan, alsmede van de redenen, voorwaarden en de reikwijdte ervan, en geeft daarbij aan of en onder welke voorwaarden de overeenkomst kan worden opgezegd wanneer zij van een dergelijk voornemen in kennis worden gesteld.

2.

Een leverancier stelt eindafnemers op een transparante en begrijpelijke manier schriftelijk in kennis van elk voornemen de aan de overeenkomst verbonden voorwaarden voor de levering van elektriciteit of gas te wijzigen, en wijst hen daarbij, indien van toepassing, op hun recht om de overeenkomst op te zeggen wanneer zij van een dergelijk voornemen in kennis worden gesteld.

3.

Een leverancier informeert eindafnemers over de wijziging van de prijzen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk twee weken, of, indien het een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming betreft, uiterlijk een maand, voordat de wijziging in werking treedt.

Artikel 2.6. registratieplicht leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel

Een leverancier vraagt ten behoeve van de registratie, bedoeld in artikel 2.6, vijfde lid, van de wet, voorafgaand aan het sluiten van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel aan een eindafnemer of deze een huishoudelijke eindafnemer of een micro-onderneming is.

Artikel 2.7. nadere verplichtingen universele dienstverlening

Een leverancier draagt er zorg voor dat bij zijn aanbod voor eindafnemers met een kleine aansluiting in ieder geval kenbaar is:

Artikel 2.8. inhoud en voorwaarden aggregatieovereenkomst
1.

Een marktdeelnemer die aggregeert stelt een aggregatieovereenkomst met een actieve afnemer op schrift en zorgt ervoor dat de aggregatieovereenkomst in ieder geval de volgende gegevens bevat:

2.

Artikel 2.5 is van overeenkomstige toepassing op een aggregatieovereenkomst, met dien verstande dat in plaats van «een leverancier» wordt gelezen »een marktdeelnemer die aggregeert».

Artikel 2.9. opzeggen vraagresponsovereenkomst

Een actieve afnemer kan een vraagresponsovereenkomst beëindigen zonder inachtneming van een opzegtermijn, indien de leveringszekerheid van die actieve afnemer dat vereist.

Afdeling 2.2. Vergunning leveranciers

Artikel 2.10. eisen aan de vergunning
1.

Een vergunningplichtige leverancier beschikt over de op grond van artikel 2.18, eerste lid, van de wet benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten, alsmede over voldoende deskundigheid, indien:

2.

Een vergunningplichtige leverancier is aangesloten bij een instantie tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

4.

Een vergunninghouder geeft de Autoriteit Consument en Markt binnen twee weken alle wijzigingen door van omstandigheden relevant voor de eisen, bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de wet.

5.

In afwijking van het vierde lid geeft een vergunninghouder de Autoriteit Consument en Markt uiterlijk vier weken voorafgaand aan de voorgenomen ingangsdatum van de wijziging of, indien dit later is, zodra hij voornemens is om de wijziging te gaan doorvoeren, de volgende wijzigingen door:

Artikel 2.11. overdragen vergunning
1.

Een aanvraag voor het verkrijgen van toestemming van de Autoriteit Consument en Markt voor de overdracht van een vergunning op grond van artikel 2.21 van de wet, wordt ingediend door de leverancier die voornemens is om de vergunning over te dragen en de leverancier die voornemens is om de vergunning over te nemen gezamenlijk.

2.

De eisen gesteld bij of krachtens artikel 2.18, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet zijn van toepassing op de aanvraag en beoordeling door de Autoriteit Consument en Markt

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

Afdeling 2.3. Maatregelen in het kader van de leveringszekerheid

Artikel 2.12. intrekking vergunning of faillissement
1.

De vergunninghouder dan wel, indien deze failliet is verklaard, de curator, treedt zo spoedig mogelijk na het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 2.24 van de wet, in overleg met de Autoriteit Consument en Markt en met de transmissiesysteembeheerder, met het oog op de leveringszekerheid en de toepassing van deze afdeling.

2.

Een beschikking tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de wet treedt ten hoogste twintig werkdagen na de dag waarop die beschikking is gegeven in werking. De vergunninghouder dan wel de curator geeft na vaststelling van de beschikking tot intrekking van een vergunning daarvan onverwijld schriftelijk bericht aan de eindafnemers met een kleine aansluiting aan wie hij elektriciteit of gas levert.

Artikel 2.13. termijn opschorting overstapmogelijkheid

De termijn waarbinnen een eindafnemer met een kleine aansluiting overeenkomstig artikel 2.25, eerste lid, van de wet niet bevoegd is zijn leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel op te zeggen, eindigt op het moment waarop deze overeenkomst is overgedragen aan een andere vergunninghouder of op het moment waarop deze overeenkomst van rechtswege eindigt en de noodlevering aanvangt.

Artikel 2.14. termijn overdracht overeenkomsten

De termijn voor het overdragen aan een andere vergunninghouder van leveringsovereenkomsten of leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer-handel overeenkomstig artikel 2.25, eerste lid, van de wet, alsmede voor het overdragen van de krachtens artikel 2.10, derde lid, te bepalen gegevens, eindigt op het tijdstip waarop de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt als bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet, maar bedraagt ten hoogste tien werkdagen na de dag waarop de beschikking tot intrekking van de vergunning is gegeven.

Artikel 2.15. besluit tot restverdeling eindafnemers met een kleine aansluiting
1.

De Autoriteit Consument en Markt besluit, indien geldende leveringsovereenkomsten en leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer-handel niet zijn overgedragen overeenkomstig artikel 2.25, eerst lid, van de wet, uiterlijk op de elfde werkdag na de dag waarop de beschikking tot intrekking van een vergunning is gegeven of na het moment van faillissement tot verdeling van de resterende eindafnemers met een kleine aansluiting en wijst noodleveranciers aan.

2.

De vergunninghouder wiens vergunning is ingetrokken, dan wel, indien deze failliet is verklaard, de curator draagt na het besluit tot verdeling de krachtens artikel 2.10, derde lid, te bepalen gegevens van de toegedeelde eindafnemers met een kleine aansluiting die nog een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met de vergunninghouder hebben, onverwijld over aan de transmissiesysteembeheerder.

3.

Een noodleverancier zet de levering van elektriciteit of gas voort aan de aan hem toegedeelde eindafnemers met een kleine aansluiting gedurende zes maanden, of tot het moment waarop binnen deze termijn een door een toegedeelde eindafnemer afgesloten leveringsovereenkomst ingaat.

4.

De noodleverancier verstrekt zo spoedig mogelijk na het moment dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet, in werking treedt, de aan hem toegedeelde eindafnemers met een kleine aansluiting:

Artikel 2.16. wijze van restverdeling
1.

De Autoriteit Consument en Markt verdeelt de resterende eindafnemers met een kleine aansluiting bij het besluit, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, over de overige vergunninghouders naar evenredigheid van het aantal eindafnemers aan wie zij reeds leveren.

2.

Op verzoek van vergunninghouders die deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, kan de Autoriteit Consument en Markt de aan deze vergunninghouders toe te delen eindafnemers met een kleine aansluiting op een andere wijze over hen verdelen.

3.

Een vergunninghouder wordt door de Autoriteit Consument en Markt bij de verdeling van eindafnemers met een kleine aansluiting uitgesloten indien:

4.

Indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de Autoriteit Consument en Markt bij de verdeling van de eindafnemers met een kleine aansluiting in het belang van de leveringszekerheid vergunninghouders met een klein marktaandeel uitsluiten.

Artikel 2.17. voorwaarden noodlevering
1.

De noodleverancier bepaalt zo spoedig mogelijk na aanvang van de noodlevering, doch uiterlijk binnen 5 werkdagen, de hoogte van de door de eindafnemer met een kleine aansluiting gedurende de termijn van zes maanden voor de levering verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, en doet van de hoogte en de samenstelling van de vergoeding onverwijld mededeling aan de Autoriteit Consument en Markt. De noodleverancier kan de hoogte van de verschuldigde vergoeding tussentijds uitsluitend verlagen.

2.

De hoogte van de voor de levering verschuldigde vergoeding ziet uitsluitend op vergoeding van redelijke kosten van de noodlevering voor de vergunninghouder.

3.

De Autoriteit Consument en Markt kan een maximum vaststellen waar de hoogte van de voor de levering verschuldigde vergoeding, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, aan gebonden is. De Autoriteit Consument en Markt baseert de hoogte van het maximum op een vergelijking met het relevante marktaanbod van leveringsovereenkomsten en neemt daarbij de actuele marktomstandigheden en de bijzondere kenmerken van de tijdelijke levering op grond van de wet en de daarmee samenhangende kosten in aanmerking.

4.

Op de noodlevering is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.13, 2.31, 2.42, eerste lid, en 2.43, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder de noodlevering plaatsvindt.

Artikel 2.18. verplichtingen noodleverancier
1.

Een noodleverancier doet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na het moment dat het besluit van verdeling, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet in werking treedt, de aan hem toegedeelde eindafnemers met een kleine aansluiting een aanbod tot het aangaan van een leveringsovereenkomst.

2.

Indien een toegedeelde eindafnemer met een kleine aansluiting niet reageert op het aanbod en er geen leveringsovereenkomst is aangegaan met een andere vergunninghouder, verstrekt de noodleverancier de toegedeelde eindafnemer met een kleine aansluiting ten minste driemaal een schriftelijke herinnering met daarin een aanbod.

3.

De noodleverancier spant zich tot het uiterste in om, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, in persoonlijk contact te treden met de eindafnemer met een kleine aansluiting teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om een leveringsovereenkomst te sluiten en om de beëindiging van de levering van elektriciteit of gas en het buiten werking stellen van de aansluiting of het voor die levering aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt te voorkomen na ommekomst van de termijn van zes maanden, bedoeld in artikel 2.15, derde lid.

4.

De instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting waarbij de noodleverancier ingevolge artikel 2.18, eerste lid, van de wet is aangesloten, is bevoegd tot kennisneming van geschillen ter zake van de uitvoering van een noodlevering.

Artikel 2.19. inkoopovereenkomsten vergunninghouder

Een inkoopovereenkomst van een vergunninghouder ten behoeve van de levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting bevat geen beding tot ontbinding van rechtswege van die overeenkomst ingeval aan de vergunninghouder surseance van betaling is verleend of deze failliet is verklaard, dan wel ingeval diens surseance of faillissement is aangevraagd, dan wel ingeval diens vergunning zal worden ingetrokken, noch bedingen die het de wederpartij mogelijk maken in die gevallen de verbintenis op te zeggen of de nakoming van de verbintenis op te schorten of te ontbinden of onder gewijzigde voorwaarden voort te zetten, tot het moment dat, ingeval van intrekking van een vergunning of faillissement van de vergunninghouder, alle leveringsovereenkomsten met eindafnemers met een kleine aansluiting conform artikel 2.25, eerste lid, van de wet zijn overgedragen aan een andere vergunninghouder dan wel conform artikel 2.25, derde lid, van de wet geacht worden te zijn beëindigd.

Afdeling 2.4. Overige bepalingen

Artikel 2.20. vergelijkingsinstrument

Een vergelijkingsinstrument als bedoeld in artikel 2.68, eerste lid, van de wet wordt op verzoek van de aanbieder van dat vergelijkingsinstrument gecertificeerd, indien het vergelijkingsinstrument voldoet aan de volgende voorwaarden:

Hoofdstuk 3. Beheer van elektriciteits- en gassystemen

Afdeling 3.1. Aanwijzing en inrichting systeembeheerders

Paragraaf 3.1.1. Aanwijzen, certificeren en erkennen van systeembeheerders

Artikel 3.1. intrekken aanwijzing systeembeheerder

Onze Minister kan een aanwijzing als systeembeheerder als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet, intrekken indien:

Artikel 3.2. intrekken erkenning gesloten systeem

De Autoriteit Consument en Markt kan een erkenning als gesloten systeem als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, intrekken indien:

Paragraaf 3.1.2. Bescherming vitale processen

Artikel 3.3. aanwijzing gegevens, hulpmiddelen, materialen, werkmethoden en processen
1.

Bij ministeriële regeling kunnen de in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde gegevens, hulpmiddelen, materialen, werkmethoden of processen worden aangewezen. Dit betreft in ieder geval:

2.

Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kan de vereiste mate van vertrouwelijkheid worden bepaald van de aangewezen gegevens, hulpmiddelen, materialen, werkmethoden en processen en gegevens die daaraan ontleend zijn.

Artikel 3.4. maatregelen ter verzekering van geheimhouding
1.

Een transmissiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of distributiesysteembeheerder treft ten aanzien van de aangewezen gegevens, hulpmiddelen, materialen, werkmethoden of processen waarvoor de vereiste mate van vertrouwelijkheid op grond van artikel 3.3, tweede lid, is bepaald, alle passende en evenredige maatregelen die nodig zijn om geheimhouding ervan te verzekeren.

2.

Deze maatregelen houden onder meer in dat:

3.

Desgevraagd verstrekt de transmissiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of distributiesysteembeheerder aan Onze Minister informatie over de gegevens, hulpmiddelen, materialen, processen of werkmethoden, als bedoeld in artikel 3.3.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, daarbij kan rekening worden gehouden met de verschillen tussen systeembeheerders voor elektriciteit of voor gas.

Afdeling 3.2. Taken transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder

Paragraaf 3.2.1. Vrijstellingen enkelvoudige storingsreserve transmissiesysteem elektriciteit

Artikel 3.5. vrijstelling 220 kV of hoger in normaal bedrijf

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 220 kV of hoger in normaal bedrijf, is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

Artikel 3.6. vrijstelling 220 kV of hoger tijdens onderhoud

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 220 kV of hoger tijdens onderhoud, is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing, indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

Artikel 3.7. vrijstelling 110 tot 220 kV in normaal bedrijf

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 110 tot 220 kV in normaal bedrijf, is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

Artikel 3.8. vrijstelling 110 tot 220 kV tijdens onderhoud
1.

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 110 tot 220 kV tijdens onderhoud, is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, is in een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 110 tot 220 kV tijdens onderhoud de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

Artikel 3.9. vrijstelling tijdens werkzaamheden in bijzondere situaties
1.

De eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, is niet van toepassing in een uitvalsituatie in een deel van een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 110 tot 220 kV tijdens werkzaamheden ter vervanging of toevoeging van een circuit of railsysteem of ter vervanging van de secundaire installatie in het betreffende deel van het transmissiesysteem voor elektriciteit, voor de duur van deze werkzaamheden, doch ten hoogste in totaal twee weken, mits:

2.

De eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, is niet van toepassing in een uitvalsituatie in een deel van een transmissiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van 110 tot en met 380 kV tijdens werkzaamheden ter vervanging of toevoeging van een transformator in het betreffende deel van het transmissiesysteem voor elektriciteit of een transformator naar een systeemonderdeel met een lager spanningsniveau, voor de duur van deze werkzaamheden, doch ten hoogste in totaal vier weken, mits:

3.

Onverminderd het eerste of tweede lid:

Artikel 3.10. vrijstelling verbindingen over een mast en schakelsequenties

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem voor elektriciteit is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op:

Artikel 3.11. vrijstelling systeemonderdelen indien ontheffing is aangevraagd

In een uitvalsituatie in een transmissiesysteem met een spanningsniveau van 110 kV of hoger, is de eis, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, aanhef, van de wet, niet van toepassing indien de uitvalsituatie betrekking heeft op een onderdeel van het systeem waarvoor een ontheffing is aangevraagd als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet, tot de dag na die waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

Paragraaf 3.2.2. Ontheffingen enkelvoudige storingsreserve transmissiesysteem elektriciteit

Artikel 3.12. vereisten aanvraag ontheffing storingsreserve
1.

Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet, omvat:

2.

Indien de aanvraag betrekking heeft op het verlengen van de duur van een ontheffing, omvat de aanvraag tevens een motivering waarom het project voor de investering om aan de norm te voldoen niet is afgerond, waarbij wordt beschreven:

Artikel 3.13. beslistermijn

De Autoriteit Consument en Markt neemt het besluit op de aanvraag tot een ontheffing zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.

Artikel 3.14. voorwaarde ontheffing

Aan de ontheffing wordt de voorwaarde verbonden dat wanneer het systeemonderdeel waarvoor ontheffing wordt verleend ingrijpend wordt gerenoveerd of gemodificeerd, het desbetreffende systeemonderdeel wordt aangepast overeenkomstig de norm in artikel 3.26, eerste lid, van de wet of, indien van toepassing, een vrijstelling in de artikelen 3.5 tot en met 3.11.

Artikel 3.15. reikwijdte en duur ontheffing
1.

Een ontheffing wordt verleend voor een onderdeel van het transmissiesysteem voor elektriciteit dat op 1 januari 2021 niet voldoet aan de norm, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet of, indien van toepassing, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.5 tot en met 3.11, voor ten hoogste de maximale omvang en duur van de onderbreking bij een uitvalsituatie met betrekking tot dat onderdeel op die datum.

2.

De uitvalsituatie waarop de ontheffing betrekking heeft leidt niet tot overschrijding van de operationele veiligheidsgrenzen die zijn vastgesteld bij of krachtens Verordening (EU) 2017/1485 van de Commissie tot vaststelling van richtsnoeren betreffende het beheer van elektriciteitstransmissiesystemen.

3.

Een ontheffing, of een verlenging daarvan, wordt verleend voor ten hoogste:

Artikel 3.16. weigering, intrekking en wijziging ontheffing
1.

De Autoriteit Consument en Markt weigert een ontheffing indien de aanvraag niet voldoet aan de vereisten in artikel 3.15 reikwijdte en duur ontheffing of vrijstelling.

2.

De Autoriteit Consument en Markt kan een verlenging van een ontheffing weigeren indien de aanvrager zich naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt onvoldoende heeft ingespannen om het project voor de investering om aan de norm te voldoen te realiseren.

3.

De Autoriteit Consument en Markt kan een ontheffing of de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen of aanvullen.

4.

De Autoriteit Consument en Markt kan een ontheffing intrekken indien:

Paragraaf 3.2.3. Verplaatsen en verkabelen delen elektriciteitssysteem

Artikel 3.17. aanwijzing bovengrondse delen van systemen

Een door Onze Minister op grond van artikel 3.27, eerste lid, van de wet, aangewezen bovengronds deel van een systeem, wordt op verzoek van een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten verplaatst of vervangen, indien dat deel:

Artikel 3.18. kostenefficiëntie

De op grond van artikel 3.27, eerste lid, van de wet, aan te wijzen bovengrondse delen van systemen worden slechts aangewezen als vervanging of verplaatsing kostenefficiënt is. Bij de aanwijzing kan worden bepaald dat een deel wordt aangewezen voor verplaatsing of voor vervanging.

Artikel 3.19. hoogte van de bijdrage
1.

Een indiener van een verzoek tot verplaatsing of vervanging als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet, of een verzoek tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet, betaalt van de kosten voor de uitvoering van het betreffende verzoek:

2.

In afwijking van het eerste lid betaalt een indiener voor de uitvoering van de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, tezamen, een bedrag dat wordt berekend door € 975.000,– te vermenigvuldigen met het aantal kilometers, afgerond op één cijfer achter de komma, waaruit het aan te leggen deel bestaat, indien dat bedrag lager is dan het bedrag dat de indiener op grond van het eerste lid zou betalen.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van bepaling van de inwonertallen, bedoeld in het eerste lid, en de indexering van het in het tweede lid bedoelde bedrag op bij die regeling te bepalen wijze.

Artikel 3.20. kosten en bestanddelen waarvoor de bijdrage geldt
1.

Als kosten voor de uitvoering van een verzoek tot verplaatsing of vervanging als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet, worden aangemerkt de kosten die de transmissie- of distributiesysteembeheerder na de investeringsbeslissing van de indiener maakt.

2.

Als kosten voor de uitvoering van een verzoek tot het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet, worden aangemerkt de kosten die de transmissie- of distributiesysteembeheerder voorafgaand aan de investeringsbeslissing van de indiener maakt.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de bestanddelen van de uitvoeringskosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de daarop in mindering te brengen kosten of opbrengsten.

Artikel 3.21. volgorde van uitvoering

Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder onvoldoende mensen en middelen beschikbaar heeft om aan alle ontvangen verzoeken tot verplaatsing of vervanging gelijktijdig uitvoering te geven, hanteert de transmissie- of distributiesysteembeheerder de volgorde van binnenkomst van de verzoeken als uitgangspunt voor de volgorde van uitvoering.

Artikel 3.22. procedure aanvraag ontheffing

De aanvraag, bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de wet, bevat een beschrijving waarin wordt onderbouwd dat het vervangen of verplaatsen van dat deel technisch of ruimtelijk niet haalbaar is of strijdig is met het belang van leveringszekerheid.

Paragraaf 3.2.4. Investeringsplan

Artikel 3.23. geldigheidsduur, herziening en tijdstip voorleggen investeringsplan
1.

Een investeringsplan als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet geldt voor een termijn van twee jaren of totdat er een nieuw investeringsplan is vastgesteld.

2.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee legt een ontwerpinvesteringsplan voor aan de Autoriteit Consument en Markt uiterlijk op de eerste dag na 1 januari van een even kalenderjaar die niet een zaterdag of een zondag is.

3.

Indien door onvoorziene omstandigheden binnen de termijn van twee jaren, bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk is om een significante wijziging in de geplande uitbreidings- of vervangingsinvesteringen aan te brengen die ook binnen die termijn werking moet krijgen, wordt het investeringsplan tussentijds herzien. De transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee legt een ontwerpherziening van het investeringsplan zo spoedig mogelijk voor aan de Autoriteit Consument en Markt. Artikel 3.26, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.24. nadere inhoud investeringsplan
1.

De beschrijving en onderbouwing van de noodzakelijke uitbreidings- en vervangingsinvesteringen, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onderdeel a, van de wet, omvat:

2.

De beschrijving en onderbouwing van de congestie- of systeembeheersdiensten die de transmissie- of distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee zal inkopen ter voorkoming van verzwaring van het systeem, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onderdeel b, van de wet omvat:

3.

Het investeringsplan van een transmissie- of distributiesysteembeheerder bevat bij de beschrijving en onderbouwing van de noodzakelijke uitbreidings- en vervangingsinvesteringen, bedoeld in het eerste lid, een beschrijving van de ontwikkelingen in de energiemarkt en andere ontwikkelingen die van invloed zijn op de inrichting van het transmissie- of distributiesysteem, een analyse van deze ontwikkelingen in de vorm van scenario’s voor de eerstkomende vijfentwintig jaar en hoe de noodzakelijke uitbreidings- en vervangingsinvesteringen aansluiten bij deze scenario’s.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de inhoud en inrichting van een investeringsplan en de procedure van totstandkoming van scenario’s, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.25. volgorde uitvoering noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder houdt bij het bepalen van de volgorde van de uitvoering van de noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen rekening met het maatschappelijk belang van de investeringen door een hogere prioriteit toe te kennen aan de uitvoering naar de mate waarin de investeringen een bijdrage leveren aan de transitie naar een duurzame energievoorziening, tenzij de uitvoering van overige wettelijke taken en verplichtingen of de onderlinge samenhang tussen investeringen een andere volgorde rechtvaardigt.

2.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee maakt in het investeringsplan inzichtelijk hoe uitvoering is gegeven aan het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de prioritering van noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen.

Artikel 3.26. consultatie, toetsing, aanpassing en publicatie investeringsplan
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee consulteert een ontwerpinvesteringsplan gedurende een bij ministeriële regeling vast te leggen periode door publicatie van het ontwerpinvesteringsplan op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze.

2.

De transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee voegt de consultatiereacties bij het ontwerpinvesteringsplan en geeft aan hoe deze zijn verwerkt in het ontwerpinvesteringsplan.

3.

De Autoriteit Consument en Markt toetst het ontwerpinvesteringsplan binnen een bij ministeriële regeling vast te leggen termijn nadat het ontwerpinvesteringsplan overeenkomstig artikel 3.35 van de wet is voorgelegd.

4.

Indien het ontwerpinvesteringsplan de Autoriteit Consument en Markt aanleiding geeft tot het opleggen van een bindende gedragslijn als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, van de wet, stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee het investeringsplan niet vast dan nadat het investeringsplan overeenkomstig de gedragslijn is aangepast.

6.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee publiceert het investeringsplan na vaststelling onverwijld op een voor eenieder kenbare en toegankelijke wijze en zendt het aan Onze Minister en de Autoriteit Consument en Markt.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met vierde lid en het zesde lid.

Paragraaf 3.2.5. Aansluiten en transporteren gas en afsluiten

Artikel 3.27. gebieden waar distributiesysteembeheerder voor gas geen kleine aansluitingen hoeft te realiseren
1.

Een distributiesysteembeheerder voor gas kan een verzoek om een kleine aansluiting in een gebied buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 afwijzen wegens het niet onder economische voorwaarden kunnen beheren, onderhouden en ontwikkelen van een distributiesysteem voor gas in dat gebied, tenzij de equivalente uitbreiding van het distributiesysteem voor gas niet groter is dan de acceptabele uitbreiding daarvan, waarbij:

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de equivalente uitbreiding van het distributiesysteem voor gas wordt gecorrigeerd:

Artikel 3.28. afwegingskader aansluiten en transport producenten gas uit hernieuwbare bronnen
1.

Bij de beoordeling of maatregelen als bedoeld in artikel 3.40, vierde lid, van de wet of artikel 3.47, tweede lid, van de wet, economisch verantwoord zijn, weegt de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas de verwachte kosten van maatregelen die hij of een andere distributiesysteembeheerder voor gas of de transmissiesysteembeheerder voor gas moet nemen om de producent van gas uit hernieuwbare bronnen een aanbod voor aansluiting of transport te kunnen doen, af tegen de redelijkerwijs te verwachten hoeveelheid gas uit hernieuwbare bronnen dat door dat aanbod aan de producent ingevoed kan worden op zijn systeem.

2.

Bij de afweging, bedoeld in het eerste lid, neemt de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas in ieder geval in acht:

3.

Indien uit de afweging, als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat verschillende maatregelen economisch verantwoord zijn, hanteren de transmissie- of distributiesysteembeheerders voor gas de meest kostenefficiënte maatregelen.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 3.29. buiten werking stellen en verwijderen aansluiting
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt een aansluiting of een aan een aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt buiten werking in ieder geval indien:

2.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder verwijdert een aansluiting in ieder geval indien de aansluitovereenkomst is beëindigd en:

Paragraaf 3.2.6. Bijzondere taken transmissiesysteembeheerder voor gas

Artikel 3.30. pieklevering
1.

Een transmissiesysteembeheerder voor gas zorgt voor alle voorzieningen op het gebied van gasinkoop, flexibiliteitsdiensten en gastransport op het transmissiesysteem voor gas die nodig zijn om vergunninghouders in staat te stellen de pieklevering te verzorgen voor alle eindafnemers van gas met een kleine aansluiting in Nederland. Deze voorzieningen moeten volstaan om pieklevering te kunnen verzorgen op een dag met een gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur van -17 °C.

2.

Indien transmissiesysteembeheerder voor gas voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, een openbare inkoopprocedure volgt, dient te worden verzekerd dat de voorzieningen:

3.

Een transmissiesysteembeheerder voor gas stelt ter uitvoering van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, gas beschikbaar aan vergunninghouders op de punten waar een verbinding bestaat tussen het transmissiesysteem voor gas en distributiesystemen voor gas.

4.

Een transmissiesysteembeheerder voor gas stelt de totale omvang vast van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, en stelt deze ter beschikking aan vergunninghouders naar rato van hun aantal eindafnemers van gas met een kleine aansluiting.

5.

Een distributiesysteembeheerder voor gas verstrekt aan een transmissiesysteembeheerder voor gas de informatie die nodig is om per vergunninghouder de benodigde omvang van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, te bepalen.

Afdeling 3.3. Verplichtingen systeembeheerders

Paragraaf 3.3.1. Kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen transmissie- en distributiesysteem

Artikel 3.31. kwaliteitsborging
1.

Bij het waarborgen van de kwaliteit van de uitvoering van zijn wettelijke taken en verplichtingen, betrekt de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste de volgende kwaliteitsaspecten: de veiligheid, de betrouwbaarheid van zijn systeem, de productkwaliteit, de kwaliteit van de dienstverlening en de kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan.

2.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder hanteert een doeltreffend kwaliteitsborgingssysteem voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en verplichtingen.

3.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder handelt overeenkomstig de plannen, processen en procedures van het kwaliteitsborgingssysteem.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.32. kwaliteitsplan
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt een kwaliteitsplan vast.

2.

Het kwaliteitsplan bevat ten minste een beschrijving van:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van het kwaliteitsplan.

Artikel 3.33. procedure kwaliteitsplan
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder legt tweejaarlijks een ontwerpkwaliteitsplan voor aan de Autoriteit Consument en Markt en aan Onze Minister.

2.

De Autoriteit Consument en Markt en Onze Minister toetsen binnen twaalf weken nadat het ontwerpkwaliteitsplan is voorgelegd of het kwaliteitsplan voldoet aan de eisen, gesteld bij of krachtens artikel 3.32. Onze Minister toetst het ontwerpkwaliteitsplan enkel op onderdelen waarvoor Onze Minister op grond van artikel 5.18, eerste lid, van de wet is belast met het toezicht op de naleving.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid legt de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit een ontwerpkwaliteitsplan enkel voor aan de Autoriteit Consument en Markt en wordt dat plan enkel getoetst door de Autoriteit Consument en Markt.

4.

Indien het ontwerpkwaliteitsplan de Autoriteit Consument en Markt of Onze Minister aanleiding geeft tot het opleggen van een bindende gedragslijn als bedoeld in artikel 5.20 van de wet, stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder het kwaliteitsplan niet vast dan nadat het kwaliteitsplan overeenkomstig de gedragslijn is aangepast.

5.

De transmissie- of distributiesysteembeheerder publiceert het kwaliteitsplan na vaststelling onverwijld op een geschikte wijze en zendt het aan Onze Minister en de Autoriteit Consument en Markt.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid.

Artikel 3.34. klachten aangeslotenen met kleine aansluiting
1.

Een distributiesysteembeheerder of beheerder van een gesloten systeem voorziet in een transparante, eenvoudige en goedkope procedure voor de behandeling van klachten van aangeslotenen met een kleine aansluiting over het systeembeheer.

2.

De in het eerste lid bedoelde procedure voorziet er voorts in dat:

Artikel 3.35. maatregelen bij voorvallen
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder van een transmissie- of distributiesysteem dat bestemd is of gebruikt wordt voor het transport van gas bij een druk tot en met 16 bar, neemt bij het ontwerp, de aanleg, de ingebruikstelling, de exploitatie, de wijziging, het beheer, het onderhoud en de buitengebruikstelling van een transmissie- of distributiesysteem de technische en organisatorische maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om voorvallen te voorkomen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu kunnen ontstaan.

2.

Indien zich een voorval als bedoeld in het eerste lid voordoet waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan, draagt de transmissie- of distributiesysteembeheerder zorg voor het zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken van de nadelige gevolgen voor de mens en het milieu.

Artikel 3.36. meldingen en registratie van onderbrekingen en voorvallen
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of beheerder van een gesloten systeem draagt er zorg voor dat aangeslotenen op een eenvoudige wijze onderbrekingen in het transport van elektriciteit of gas, afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit of gas, of waarnemingen van gaslucht kunnen melden en maakt aan aangeslotenen bekend op welke wijze deze meldingen kunnen worden gedaan.

2.

Indien zich met betrekking tot een systeem voor gas dat bestemd is of gebruikt wordt voor het transport van gas bij een druk tot en met 16 bar een voorval voordoet of heeft voorgedaan waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt de transmissie- of distributiesysteembeheerder dat voorval bij Onze Minister.

3.

Indien zich met betrekking tot een systeem voor elektriciteit een voorval voordoet of heeft voorgedaan waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt de transmissie- of distributiesysteembeheerder dat voorval bij de Autoriteit Consument en Markt.

4.

De meldingen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden zo spoedig mogelijk gedaan, doch uiterlijk binnen één dag, tenzij bij ministeriële regeling een andere termijn is bepaald.

5.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of beheerder van een gesloten systeem registreert de bij hem gemelde voorvallen, bedoeld in het eerste lid.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 3.37. calamiteitenplan
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder stelt ten minste iedere vijf jaren een calamiteitenplan vast en zendt dit en tussentijdse aanpassingen van het calamiteitenplan ter goedkeuring aan Onze Minister.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan het calamiteitenplan.

3.

Onze Minister beoordeelt of het calamiteitenplan voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, en kan de transmissie- of distributiesysteembeheerder verzoeken het calamiteitenplan aan te passen.

Paragraaf 3.3.2. Verplichtingen systeembeheerders bij overstappen en faillissement leverancier

Artikel 3.38. eisen aan systeembeheerders bij wisseling van leverancier, marktdeelnemer die aggregeert, balanceringsverantwoordelijke of meetverantwoordelijke partij

Als een aangeslotene van leverancier, marktdeelnemer die aggregeert, balanceringsverantwoordelijke, of meetverantwoordelijke partij wisselt, voert de desbetreffende systeembeheerder die wisseling door in zijn register, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels, waarbij in ieder geval regels worden gesteld over de termijn waarbinnen de wisseling moet zijn doorgevoerd en over de bij een verzoek om wisseling te verstrekken gegevens.

Artikel 3.39. voorzieningen transmissie- of distributiesysteembeheerder bij faillissement leverancier
1.

Indien een distributiesysteembeheerder uit de hem ter beschikking staande gegevens redenen heeft om te vermoeden dat de continuïteit van de levering door een vergunninghouder in gevaar komt, meldt hij dat zo spoedig mogelijk aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas en aan de Autoriteit Consument en Markt.

2.

Tot en met tien werkdagen na het tijdstip waarop een beschikking tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de wet is gegeven, of, indien dat korter is, tot het tijdstip waarop een dergelijke beschikking in werking is getreden, is ingetrokken of de Autoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, neemt:

3.

Indien op de elfde dag na het tijdstip waarop een beschikking tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de wet is gegeven deze beschikking niet in werking is getreden of niet is ingetrokken, of indien dat korter is, de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot verdeling als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, neemt:

4.

Een garantstelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, of het derde lid, onderdeel f, vindt plaats op basis van een overeenkomst tussen de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas en de betrokken vergunninghouder dan wel de curator. De garantstellingsovereenkomst wordt aangegaan onder redelijke voorwaarden en bevat een derdenbeding als bedoeld in artikel 253, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dat de wederpartij van de inkoopovereenkomsten, bedoeld in artikel 2.19, bij aanvaarding van het beding het recht geeft om rechtstreekse betaling te vorderen van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas voor de bij hem, ten behoeve van de levering, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, of het derde lid, onderdeel f, indien deze onder de garantstelling moet uitkeren.

Artikel 3.40. informatie voorkomen buitenwerkingstelling aansluiting

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de informatie die een transmissie- of distributiesysteembeheerder een aangeslotene verstrekt met het oog op het voorkomen van buitenwerkingstelling van diens aansluiting of een daaraan toegekend additioneel allocatiepunt op grond van artikel 3.41 van de wet in geval van het faillissement of de intrekking van een vergunning, erkenning of toelating van een marktdeelnemer, balanceringsverantwoordelijke of meetverantwoordelijke partij die op de aansluiting of het additionele allocatiepunt actief is, en de termijn waarbinnen deze informatie wordt verstrekt, in geval van intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet.

Paragraaf 3.3.3. Financieel beheer en boekhouding systeembeheerders

Artikel 3.41. kredietwaardigheid systeembeheerders
1.

Een transmissiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of distributiesysteembeheerder toont zijn kredietwaardigheid aan door middel van een door een erkend kredietbeoordelingsbureau aan hem toegekende kredietwaardigheidsbeoordeling als «investeringswaardig».

2.

Een systeembeheerder als bedoeld in het eerste lid maakt de toekenning van de kredietwaardigheidsbeoordeling bekend binnen een maand nadat deze is afgegeven en stuurt de Autoriteit Consument en Markt een kopie van het ontvangen kredietwaardigheidsbeoordelingsrapport.

3.

In afwijking van het eerste lid, kan een distributiesysteembeheerder met een bij ministeriële regeling te bepalen maximum omzet zijn kredietwaardigheid aantonen door te voldoen aan bij ministeriële regeling vast te stellen financiële ratio’s en tevens een kredietfaciliteit aan te houden die borgt dat er voor twaalf maanden voldoende krediet beschikbaar is om aan de lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Indien de distributiesysteembeheerder gebruik maakt van deze kredietfaciliteit meldt hij dit onverwijld schriftelijk aan de Autoriteit Consument en Markt.

4.

Indien een systeembeheerder als bedoeld in het eerste of derde lid zijn kredietwaardigheid conform de eisen, bedoeld in het eerste of derde lid, niet kan aantonen:

5.

De Autoriteit Consument en Markt kan een systeembeheerder als bedoeld in het eerste of derde lid aanwijzingen geven met betrekking tot de verbetering van het financieel beheer ten behoeve van het herstellen van zijn kredietwaardigheid conform de eisen, bedoeld in het eerste of derde lid.

6.

Een systeembeheerder als bedoeld in het eerste of derde lid voegt jaarlijks in of bij de publicatie van de afzonderlijke boekhouding, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid:

Artikel 3.42. afzonderlijke boekhouding
1.

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, interconnectorsysteembeheerder, LNG-beheerder of gasopslagbeheerder voert voor zijn wettelijke taken en verplichtingen een afzonderlijke boekhouding en laat de bij ministeriële regeling aangeduide onderdelen van deze boekhouding door een onafhankelijk accountant controleren.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de afzonderlijke boekhouding en controle daarvan, bedoeld in het eerste lid, de toelichting bij en de publicatie van deze afzonderlijke boekhouding en het verslag van de controle.

3.

Indien een systeembeheerder, bedoeld in het eerste lid, of de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waartoe deze behoort, op grond van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn jaarrekening niet openbaar hoeft te maken, legt hij een exemplaar daarvan ter inzage op het hoofdkantoor met inachtneming van de termijnen, bedoeld in artikel 394 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Paragraaf 3.3.4. Tarieven en voorwaarden transmissie- en distributiesysteembeheerders

Artikel 3.43. algemene tariefbeginselen transmissie- en distributiesysteembeheerder

Bij de vaststelling van de door de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit toe te passen tarieven, bedoeld in artikel 3.107, eerste lid, van de wet, neemt de Autoriteit Consument en Markt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 3.107 van de wet, het volgende in acht:

Artikel 3.44. bekostiging niet-tariefgereguleerde taken transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee brengt het restant van de voor een jaar vastgestelde totale toegestane vergoeding dat niet wordt gedekt door subsidie, bedoeld in artikel 3.118, vierde lid, van de wet, in rekening bij de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit.

Paragraaf 3.3.5. Verplichtingen beheerders bijzondere systemen

Artikel 3.45. procedure vaststellen indicatie tarieven en voorwaarden gasopslag

Een gasopslagbeheerder voert voorafgaand aan de bekendmaking, bedoeld in artikel. 3.100, vierde lid, van de wet, overleg met representatieve organisaties van systeemgebruikers over de tarieven en voorwaarden.

Artikel 3.46. bekendmaking indicatie tarieven en voorwaarden gasopslag

De bekendmaking van de indicatie van de tarieven en voorwaarden door de gasopslagbeheerder, bedoeld in artikel. 3.100, vierde lid, van de wet, vindt jaarlijks voor 1 oktober plaats.

Artikel 3.47. Toegang gasopslagsystemen
1.

Toegang tot een gasopslagsysteem is in ieder geval technisch of economisch noodzakelijk voor een efficiënte toegang als bedoeld in artikel 3.100, vijfde lid, van de wet, indien toegang tot dit gasopslagsysteem noodzakelijk is voor de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit.

2.

De minister stelt in het belang van het bepalen van de voor de leveringszekerheid benodigde flexibiliteit, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks voor het daaropvolgende opslagjaar, met inachtneming van het overzicht, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, een nationaal vuldoel vast voor op het Nederlands grondgebied gelegen gasopslagsystemen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de noodzakelijkheid voor de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.48. organisatie en besluitvorming gasopslagbeheerder
1.

Indien een gasopslagsysteem voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.103, eerste lid, van de wet, dan voldoet de gasopslagbeheerder tevens aan de volgende eisen:

2.

Een gasopslagbeheerder, als bedoeld in het eerste lid, overlegt een verslag over de uitvoering van het nalevingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt en publiceert dit verslag jaarlijks op een geschikte wijze.

Paragraaf 3.3.6. Schadevergoeding net op zee

Artikel 3.49. recht op schadevergoeding
1.

Een aangeslotene als bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft slechts recht op vergoeding van schade als bedoeld in artikel 3.87, eerste lid, van de wet, indien de funderingen van het windpark zijn aangelegd en, indien het windpark niet gebruiksklaar is, indien de aangeslotene aannemelijk kan maken dat het windpark gebruiksklaar zou zijn geweest als daar niet vanaf was gezien om de schade te beperken.

2.

Onder het voor de ontsluiting van het windpark noodzakelijk deel van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee, bedoeld in artikel 3.87, eerste lid, onderdeel a, van de wet, wordt verstaan:

3.

Onder gemiddeld voor het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee redelijkerwijs noodzakelijk onderhoud als bedoeld in artikel 3.87, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt verstaan:

4.

Een onderhoudsperiode als bedoeld in het derde lid, hoeft niet aaneengesloten te zijn.

5.

Het derde lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op een aangeslotene met een vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee die is verleend voor 14 april 2022 en indien er na 14 april 2022 geen besluit is genomen door Onze Minister tot verlenging van de looptijd van die vergunning.

Artikel 3.50. afstemming over planning van het onderhoud
1.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee stelt een aangeslotene als bedoeld in artikel 3.86, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten minste twee jaar van tevoren op de hoogte van de startdatum van werkzaamheden als bedoeld in 3.49, derde lid, onderdeel b, en geeft daarbij tevens aan wat de planning van die werkzaamheden is.

2.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee zoekt voor het bepalen van de startdatum en planning van de werkzaamheden afstemming met de aangeslotene voordat hij de aangeslotene overeenkomstig het eerste lid op de hoogte stelt van de startdatum en planning van die werkzaamheden.

Artikel 3.51. omvang van de schade
1.

Voor het bepalen van de schade ten gevolge van gederfde of uitgestelde inkomsten worden ingeval van:

2.

Gevolgschade is het totaal van de financiële gevolgen die een causaal verband hebben met de gebeurtenis die een recht op vergoeding van schade doet ontstaan, waaronder in ieder geval zijn begrepen de kosten die de aangeslotene maakt ter beperking van de schade en extra kosten voor materieel, personeel, opslag en zaakschade aan het windpark.

3.

De schade, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt vermeerderd met de wettelijke rente die verschuldigd is voor de tijd die verstrijkt tussen het moment waarop de schade is ontstaan en het moment waarop de schade wordt uitgekeerd.

Artikel 3.52. berekening van de schade
1.

Bij gehele of gedeeltelijke te late oplevering van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee betreft de vergoeding van schade een vergoeding van schade door uitgestelde inkomsten en de gevolgschade, bedoeld in artikel 3.51, tweede lid.

2.

Bij gehele of gedeeltelijke niet-beschikbaarheid van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee wordt de hoogte van de vergoeding van schade berekend door de som van:

3.

De schade door uitgestelde inkomsten wordt berekend door de som van:

4.

De hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee getransporteerd kon worden, wordt bepaald op basis de gemiste elektriciteitsproductie. De gemiste elektriciteitsproductie wordt berekend door de windsnelheid te vermenigvuldigen met het productieprofiel van een windpark vermenigvuldigd met de tijd waarin het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet of verminderd beschikbaar was of, indien voor deze wijze van berekenen onvoldoende gegevens zijn, op een andere wijze. De gemiste elektriciteitsproductie wordt verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die niet kon worden geproduceerd als gevolg van productiebeperkingen van het windpark zelf en, in voorkomend geval, de hoeveelheid elektriciteit die wel getransporteerd kon worden.

5.

Wanneer de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee dit noodzakelijk acht, voegt de aangeslotene bij de berekening van de hoogte van het recht op vergoeding van schade en de gegevens waarop deze berekening is gebaseerd een goedkeurende verklaring van een onafhankelijk accountant bij.

6.

Indien in enig jaar de voor de aangeslotene geldende maximaal te vergoeden elektriciteitsprijs lager is dan het voor dat jaar geldende op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie vastgestelde correctiebedrag voor windenergie op zee, wordt bij de toepassing van het tweede en derde lid de maximaal te vergoeden elektriciteitsprijs gehanteerd.

7.

De maximaal te vergoeden elektriciteitsprijs is het gemiddelde van voor de voor vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin een recht op schadevergoeding ontstaat op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie vastgestelde correctiebedragen voor windenergie op zee met een toeslag van 50 procent.

8.

Indien in enig jaar het voor dat jaar geldende op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie vastgestelde correctiebedrag voor windenergie op zee lager is dan de in artikel 20 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde basiselektriciteitsprijs, wordt bij de toepassing van het tweede en derde lid de in dat artikel bedoelde basiselektriciteitsprijs gehanteerd.

9.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het bepalen van het productieprofiel van het windpark en de gemiste elektriciteitsproductie;

10.

Onze Minister stelt jaarlijks de discontovoet i, bedoeld in het tweede en derde lid, vast.

Hoofdstuk 4. Meten en gegevens

Afdeling 4.1. Erkenning meetverantwoordelijke partij

Artikel 4.1. nadere eisen erkenning meetverantwoordelijke partij
1.

Een meetverantwoordelijke partij voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.50, tweede lid, van de wet, indien de meetverantwoordelijke partij:

2.

Een meetverantwoordelijke partij geeft de Autoriteit Consument en Markt binnen twee weken wijzigingen door van omstandigheden relevant voor de eisen, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de eisen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.2. procedure intrekken erkenning
1.

Indien de Autoriteit Consument en Markt voornemens is de erkenning als meetverantwoordelijke partij in te trekken wegens een andere redenen dan dat de meetverantwoordelijke partij in faillissement of surseance van betaling is verleend, geeft deze de meetverantwoordelijke partij een redelijke termijn om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt niet meer mogelijk is.

2.

Een beschikking tot intrekking van een erkenning als meetverantwoordelijke partij treedt ten hoogste achttien weken na de dag waarop die beschikking is gegeven, in werking. Indien de erkenning wordt ingetrokken vanwege een faillissement of surseance van betaling, bedraagt deze termijn twintig weken.

3.

Indien de Autoriteit Consument en Markt een beschikking neemt tot intrekking van een erkenning, informeert de Autoriteit Consument en Markt onverwijld de transmissie- of distributiesysteembeheerder over dit besluit.

4.

De transmissie- of distributiesysteembeheerder geeft na ontvangst van de beschikking tot intrekking van een erkenning daarvan onverwijld bericht aan de op het allocatiepunt actieve marktdeelnemers. Ook meldt de transmissie- of distributiesysteembeheerder aan de betreffende aangeslotene, bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van de wet of aan diens gemachtigde bij aangetekende brief dat:

Artikel 4.3. termijn contracteren nieuwe meetverantwoordelijke partij
1.

Een aangeslotene als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van de wet, contracteert na ontvangst van de brief bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, een nieuwe meetverantwoordelijke partij:

2.

De overeenkomst met de nieuwe meetverantwoordelijke partij, bedoeld in het eerste lid, treedt in werking uiterlijk achttien weken nadat de beschikking tot intrekking van de erkenning, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, is gegeven.

3.

Indien de erkenning wordt ingetrokken vanwege een faillissement of surseance van betaling, worden twee weken toegevoegd aan de termijn, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.4. tijdelijke voorziening meetgegevens
1.

Nadat de beschikking tot intrekking van de erkenning, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, is gegeven blijft de meetverantwoordelijke partij verantwoordelijk voor de verplichtingen die zijn voorgeschreven bij of krachtens artikel 2.48, afdeling 4.1 en de artikelen 4.7 en 4.11 van de wet tot er een nieuwe meetverantwoordelijke partij op de aansluiting actief is.

2.

De meetverantwoordelijke partij verzamelt, valideert en stelt de laatst beschikbare meetgegevens zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen een maand na inwerkingtreding van het contract van de nieuwe meetverantwoordelijke partij met de aangeslotene, vast. De meetverantwoordelijke partij overhandigt op dat moment aan de aangeslotene de meetgegevens over de afname en de invoeding per dag van de voorgaande vierentwintig maanden en de cumulatieve gegevens van de drie voorafgaande jaren, of de periode sinds de aanvang van het meetcontract indien dit korter is.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien een meetverantwoordelijke partij in faillissement verkeert of aan hem surseance van betaling is verleend.

Artikel 4.5. tijdelijke voorziening meetgegevens bij faillissement of surseance van betaling
1.

Dit artikel is van toepassing indien een meetverantwoordelijke partij in faillissement verkeert of aan hem surseance van betaling is verleend.

2.

De bij de meetverantwoordelijke partij betrokken transmissiesysteembeheerder voor een elektriciteitsaansluiting of distributiesysteembeheerder voor een gasaansluiting draagt voor een grote aansluiting zorg voor een regeling met de betrokken curator of bewindvoerder, om te waarborgen dat de verplichtingen die zijn voorgeschreven bij of krachtens artikel 2.48, afdeling 4.1 en de artikelen 4.7 en 4.11 van de wet worden nageleefd tot er een nieuwe meetverantwoordelijke partij op de aansluiting actief is.

3.

Indien er vanwege overmacht of vanwege een storing van de communicatiefunctionaliteit in de verzending of ontvangst van de meetgegevens geen actuele meetgegevens beschikbaar zijn stelt de transmissiesysteembeheerder, zolang geen nieuwe meetverantwoordelijke partij actief is op de aansluiting, de meetgegevens vast op basis van:

4.

In de periode voordat een nieuwe meetverantwoordelijke partij de meetfunctie heeft overgenomen als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, staat de transmissiesysteembeheerder op verzoek van de betrokken curator of bewindvoerder garant voor de kosten:

5.

De transmissiesysteembeheerder wijst het verzoek voor garantstelling toe, indien de curator of bewindvoerder aantoont dat de bestaande financiële ruimte onvoldoende is voor het verzamelen en aanleveren van gegevens overeenkomstig het eerste lid.

6.

Indien de daadwerkelijke kosten hoger zijn dan bepaald overeenkomstig het vierde lid, onderdeel a, kan de transmissiesysteembeheerder een kostenbepaling ter goedkeuring voorleggen aan de Autoriteit Consument en Markt.

7.

De meetverantwoordelijke partij verzamelt, valideert en stelt de laatst beschikbare meetgegevens zo spoedig mogelijk vast, doch uiterlijk binnen een maand na inwerkingtreding van het contract van de nieuwe meetverantwoordelijke partij met de aangeslotene. De meetverantwoordelijke partij overhandigt op dat moment aan de aangeslotene de meetgegevens over de afname en de invoeding per dag van de voorgaande vierentwintig maanden en de cumulatieve gegevens van de drie voorafgaande jaren, of de periode sinds de aanvang van het meetcontract indien dit korter is.

Artikel 4.6. overdragen erkenning
1.

Een aanvraag voor het verkrijgen van de goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt voor de overdracht van een erkenning op grond van artikel 2.53 van de wet, wordt ingediend door de meetverantwoordelijke partij die voornemens is de erkenning over te dragen en de partij die die meeterkenning voornemens is te ontvangen gezamenlijk.

2.

De eisen in artikel 4.1 zijn van toepassing op de aanvraag en beoordeling van de Autoriteit Consument en Markt, tenzij de erkenning wordt overgedragen aan een meetverantwoordelijke partij met een erkenning als bedoeld in artikel 2.50 van de wet.

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

4.

Indien beoogd wordt de erkenning over te dragen aan een reeds erkende meetverantwoordelijke partij, gaat de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van een rapport over de risico’s voor de continuïteit van de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.50, tweede lid, onderdeel b, van de wet, die verbonden zijn aan de overdracht en, indien nodig, de daarbij behorende mitigerende maatregelen.

Afdeling 4.2. Meetinrichtingen en metingen bij vraagrespons, op additionele allocatiepunten en bij onbemeten aansluitingen

Artikel 4.7. op afstand uitleesbare meetinrichting voorwaarde voor onafhankelijke vraagrespons

Een actieve afnemer die op zijn aansluiting of op een specifiek deel van zijn installatie een vraagresponsovereenkomst sluit met een marktdeelnemer die niet tevens zijn leverancier is, beschikt op of nabij het overdrachtspunt van zijn aansluiting over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld.

Artikel 4.8. geen vraagrespons bij teruglevering aan een derde

Indien een aangeslotene elektriciteit teruglevert aan een marktdeelnemer die niet zijn leverancier is, sluit een marktdeelnemer met deze aangeslotene geen vraagresponsovereenkomst, tenzij de teruglevering geschiedt op een technisch gescheiden allocatiepunt, dat niet elektrisch is gekoppeld met de installatie waarop de vraagresponsdienst wordt geleverd.

Artikel 4.9. inzet submeetinrichting bij vraagrespons
1.

Indien een aangeslotene op een transmissie-, distributie- of gesloten systeem voor elektriciteit gebruik maakt van een submeetinrichting op een deel van zijn installatie ten behoeve van de uitvoering van een vraagresponsovereenkomst, voldoet deze submeetinrichting aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.

2.

De submeetinrichting wordt geïnstalleerd en beheerd door een meetverantwoordelijke partij of submeetverantwoordelijke partij.

3.

De partij die de submeetinrichting installeert en beheert, is tevens verantwoordelijk voor de verzameling, validatie en vaststelling van de meetgegevens voor de betreffende submeetinrichting.

Artikel 4.10. meetinrichting additionele allocatiepunt grote aansluiting
1.

Een aangeslotene met een grote aansluiting op een transmissie-, distributie- of gesloten systeem voor elektriciteit die meer dan één marktdeelnemer contracteert, beschikt op een toegekend additioneel allocatiepunt als bedoeld in artikel 3.44, derde lid, van de wet, over een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.

2.

De aangeslotene draagt er zorg voor dat de communicatiefunctionaliteit van de meetinrichting wordt gebruikt.

Artikel 4.11. meting elektriciteit uit hernieuwbare bronnen
1.

Indien een aangeslotene op een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit met een installatie als bedoeld in artikel 3.63, onderdeel a, van de wet elektriciteit uit hernieuwbare bronnen produceert en de geproduceerde elektriciteit wordt gemeten met een meetinrichting op een andere plaats dan op of nabij het overdrachtspunt, voldoet die meetinrichting aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.

2.

Een distributiesysteembeheerder installeert en beheert een meetinrichting als bedoeld in het eerste lid van een aangeslotene met een kleine aansluiting en verzamelt en valideert de meetgegevens ten aanzien van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en stelt deze vast.

Artikel 4.12. meetinrichting additionele allocatiepunt kleine aansluiting
1.

Een aangeslotene met een kleine aansluiting op een distributiesysteem of gesloten systeem voor elektriciteit beschikt op elk toegekend additioneel allocatiepunt als bedoeld in artikel 3.44, derde lid, van de wet over een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.

2.

De aangeslotene draagt er zorg voor dat de communicatiefunctionaliteit van de meetinrichting administratief is ingeschakeld.

3.

De systeembeheerder die de meetinrichting op het primaire allocatiepunt heeft geïnstalleerd en beheert, installeert en beheert de meetinrichting op een additioneel allocatiepunt.

Artikel 4.13. onbemeten aansluiting
1.

Een distributiesysteembeheerder stelt de invoeding, de onttrekking of het verbruik van elektriciteit of gas vast bij een onbemeten aansluiting als bedoeld in artikel 2.46, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de distributiesysteembeheerder die gegevens vaststelt.

Afdeling 4.3. Erkenning submeetverantwoordelijke partij

Artikel 4.14. erkenning en verplichtingen submeetverantwoordelijke partij
1.

Het is voor een submeetverantwoordelijke partij verboden zonder erkenning als bedoeld in het vierde lid te handelen overeenkomstig artikel 4.9 ten behoeve van de afhandeling van de vraagresponsovereenkomst, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid.

2.

Op een submeetverantwoordelijke partij zijn de artikelen 2.48, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met e en g, 2.49, 2.52 en 4.2 tot en met 4.4 van de wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in de aanhef van artikel 2.48, tweede lid, van de wet bedoelde regels kunnen worden gesteld en dat in artikel 2.49, eerste lid, voor «meetverantwoordelijke partij» wordt gelezen «submeetverantwoordelijke partij».

3.

Een submeetverantwoordelijke partij:

4.

De Autoriteit Consument en Markt verleent een submeetverantwoordelijke partij voor de installatie, het beheer en het meten op aanvraag een erkenning als de submeetverantwoordelijke partij voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid.

5.

De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een erkenning.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 4.15. nadere eisen erkenning submeetverantwoordelijke partij
1.

Een submeetverantwoordelijke partij voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4.14, derde lid, indien de submeetverantwoordelijke partij:

2.

Een submeetverantwoordelijke partij geeft de Autoriteit Consument en Markt binnen twee weken alle wijzigingen door van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.16. procedure intrekken erkenning submeetverantwoordelijke partij
1.

Artikel 2.51, eerst lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op een erkenning als submeetverantwoordelijke partij.

2.

Indien de Autoriteit Consument en Markt voornemens is de erkenning als submeetverantwoordelijke partij in te trekken wegens een andere redenen dan dat de submeetverantwoordelijke partij in faillissement of als surseance van betaling is verleend, geeft deze de submeetverantwoordelijke partij een redelijke termijn om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt niet meer mogelijk is.

3.

Een beschikking tot intrekking van een erkenning als submeetverantwoordelijke partij treedt achttien weken na de dag, waarop die beschikking is gegeven, in werking. Indien de erkenning wordt ingetrokken vanwege een faillissement of surseance van betaling, worden twee weken toegevoegd aan de termijn.

4.

Indien de Autoriteit Consument en Markt een beschikking neemt tot intrekking van een erkenning, informeert de Autoriteit Consument en Markt de transmissie- of distributiesysteembeheerder, of beheerder van een gesloten systeem, over dit besluit.

5.

De submeetverantwoordelijke partij geeft na vaststelling van de beschikking tot intrekking van een erkenning daarvan onverwijld bericht aan de aangeslotene en informeert de aangeslotene over de gevolgen daarvan voor de aangeslotene.

Artikel 4.17. overdragen erkenning submeetverantwoordelijke partij
1.

Een erkenning als submeetverantwoordelijke partij kan slechts worden overgedragen na goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt.

2.

Artikel 4.6 is van overeenkomstige toepassing op het overdragen van een erkenning als submeetverantwoordelijke partij, met dien verstande dat voor «meetverantwoordelijke partij» wordt gelezen «submeetverantwoordelijke partij».

Afdeling 4.4. Beheren en uitwisselen van gegevens

Artikel 4.18. melden incidenten
1.

Een melding van een inbreuk op de beveiliging van gegevens als bedoeld in de artikelen 4.4, eerste lid, of 4.22, eerste lid, van de wet wordt gedaan op een door Onze Minister aangegeven wijze.

2.

Onze Minister kan, na raadpleging van de betrokken partij, het publiek informeren over een gemeld incident als bedoeld in de artikelen 4.4, eerste lid, of 4.22, eerste lid, van de wet, of vorderen dat de betrokken partij dit doet, indien publieke bewustwording nodig is om een incident te voorkomen of een lopend incident te beheersen.

Artikel 4.19. maatregelen ter identificatie, authenticatie en autorisatie
1.

De gegevensuitwisselingsentiteit stelt de identiteit van de partijen, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, van de wet vast aan de hand van:

2.

Voor gevallen waarin toepassing van de identificatiemiddelen, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is, kan bij ministeriële regeling een andere wijze van identificatie worden toegestaan.

Hoofdstuk 5. Uitvoering, toezicht en handhaving

Afdeling 5.1. Uitvoering door Autoriteit Consument en Markt

Artikel 5.1. samenwerking
1.

De Autoriteit Consument en Markt werkt in grensoverschrijdende kwesties samen met:

2.

De Autoriteit Consument en Markt werkt, onder meer teneinde de nationale markten op één of meer geografische gebieden als bedoeld in artikel 12, derde lid, van verordening 715/2009 te integreren en samenwerking tussen een transmissiesysteembeheerder en een buitenlandse transmissiesysteembeheerder in deze gebieden aan te moedigen, samen met instellingen in andere lidstaten van de Europese Unie die op grond van nationale wettelijke regels zijn belast met de toepassing van de regels op het gebied van gas.

Artikel 5.2. monitoring

De Autoriteit Consument en Markt:

Artikel 5.3. publicatie

De Autoriteit Consument en Markt publiceert:

Artikel 5.4. overige taken ACM

De Autoriteit Consument en Markt:

Afdeling 5.2. Uitvoering door Onze Minister

Artikel 5.5. strategische reserve

Indien Onze Minister op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de wet de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit opdraagt tot de inrichting van een strategische reserve als bedoeld in artikel 21, derde lid, van verordening 2019/943, worden bij ministeriële regeling regels gesteld over, in ieder geval:

Afdeling 5.3. Overige bepalingen

Artikel 5.6. retributies minister
1.

De bedragen die verschuldigd zijn op grond van artikel 5.27, eerste lid, van de wet, zijn vaste bedragen.

2.

De hoogte van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, kan verschillen voor de verschillende in artikel 5.27, eerste lid, van de wet, bedoelde beschikkingen.

3.

De hoogte van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

4.

Onze Minister brengt de bedragen, bedoeld in het eerste lid, in rekening en verzendt een beschikking daartoe tegelijk met de bekendmaking van de betreffende beschikking, bedoeld artikel 5.27, eerste lid, van de wet.

5.

In afwijking van het vierde lid brengt de Autoriteit Consument en Markt de bedragen in rekening, voor zover zij namens Onze Minister beschikkingen neemt als bedoeld artikel 5.27, eerste lid, van de wet.

6.

De bedragen die worden gefactureerd door Onze Minister, worden door Onze Minister geïnd en aan Onze Minister betaald.

Artikel 5.7. bewaren en verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve van toezicht op installatie meetinrichting kleine aansluiting
1.

Een distributiesysteembeheerder verstrekt aan Onze Minister de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens met betrekking tot een aangeslotene als bedoeld in artikel 3.53, derde lid, van de wet ten behoeve van het houden van toezicht op het bepaalde in artikel 2.46, eerste en derde lid, en artikel 2.47, eerste lid, van de wet.

2.

Een distributiesysteembeheerder bewaart de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens voor een bij die ministeriële regeling te bepalen termijn, die hij moet verstrekken op grond van het eerste lid, die niet zijn opgenomen in een register als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet.

3.

Een distributiesysteembeheerder verstrekt de gegevens als bedoeld in het eerste lid middels een faciliteit als bedoeld in artikel 4.16, derde lid, van de wet en geeft de gegevensuitwisselingsentiteit ter uitvoering van het vierde lid toegang tot zijn register, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet en de gegevens die hij op grond van het tweede lid bewaart.

4.

De gegevensuitwisselingsentiteit geeft Onze Minister toegang tot en faciliteert de uitwisseling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, middels een faciliteit van de gegevensuitwisselingsentiteit.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 6.1. Wijziging andere besluiten

Artikel 6.1. wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit

Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 6.2. wijziging Asbestverwijderingsbesluit 2005

Wijzigt het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

Artikel 6.3. wijziging Besluit activiteiten leefomgeving

Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.4. wijziging Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen

Wijzigt het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen.

Artikel 6.5. wijziging Besluit bouwwerken leefomgeving

Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 6.6. wijziging Besluit doorberekening kosten ACM

Wijzigt het Besluit doorberekening kosten ACM.

Artikel 6.7. wijziging Besluit energieprestatievergoeding huur

Wijzigt het Besluit energieprestatievergoeding huur.

Artikel 6.8. wijziging Besluit energie vervoer

Wijzigt het Besluit energie vervoer.

Artikel 6.9. wijziging Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma

Wijzigt het Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma.

Artikel 6.10. wijziging Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie

Wijzigt het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.

Artikel 6.11. wijziging Besluit gegevensverwerving CBS

Wijzigt het Besluit gegevensverwerving CBS.

Artikel 6.12. wijziging Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening

Wijzigt het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.

Artikel 6.13. wijziging Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen

Wijzigt het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen.

Artikel 6.14. wijziging Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers

Wijzigt het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers.

Artikel 6.15. wijziging Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen

Wijzgt het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen.

Artikel 6.16. wijziging Besluit politiegegevens

Wijzigt het Besluit politiegegevens.

Artikel 6.17. wijziging Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie.

Artikel 6.18. wijziging Besluit toezicht accountantsorganisaties

Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties.

Artikel 6.19. wijziging Mijnbouwbesluit

Wijzigt het Mijnbouwbesluit.

Artikel 6.20. wijziging Omgevingsbesluit

Wijzigt het Omgevingsbesluit.

Artikel 6.21. wijziging Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

Artikel 6.22. wijziging Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.

Afdeling 6.2. Overgangsrecht en samenloop

Artikel 6.23. overgangsrecht maatregelen ter identificatie, authenticatie en autorisatie

Wijzigt dit besluit.

Artikel 6.24. uitrol meetinrichtingen met communicatiefunctionaliteit

De periode, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet is vanaf de inwerkingtreding van dat artikel tot 1 januari 2027.

Artikel 6.25. overgangsrecht wijziging Omgevingsbesluit

Op aanvragen die voor de inwerkingtreding van artikel 6.4 van dit besluit zijn ingediend is het recht dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van toepassing.

Artikel 6.26. samenloopbepaling beëindiging salderingsregeling voor elektriciteit

Wijzigt dit besluit.

Afdeling 6.3. Slotbepalingen

Artikel 6.27. intrekken besluiten

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Artikel 6.28. inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 6.29. citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Energiebesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.