Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 november 2025, nr. 2025-23416 over het fonds voor gemene rekening en een transparant fonds (Fondsenbesluit 2025)

Type Beleidsregel
Publication 2025-12-03
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

1. Inleiding

Dit besluit vervangt het besluit van 27 november 2024, nr. 2024-9447 (Stcrt. 2024, 38389). De wijzigingen ten opzichte van het besluit van 27 november 2024 staan toegelicht in onderdeel 1.1. hierna.

Artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst met ingang van 1 januari 2025) geeft een deels nieuwe definitie van het fonds voor gemene rekening.

Met ingang van 1 januari 2025 is het zogenoemde toestemmingsvereiste ten aanzien van de verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid vervallen in de definitie. Het toestemmingsvereiste is daarmee niet langer een onderscheidend criterium voor de zelfstandige vennootschapsbelastingplicht van een fonds voor gemene rekening. Een nieuw onderscheidend criterium is dat een fonds voor gemene rekening moet zijn aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst met ingang van 1 januari 2025) geeft een definitie van een transparant fonds. Een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, is een transparant fonds als het geen fonds voor gemene rekening is. Het verschil met een fonds voor gemene rekening is dat een fonds voor gemene rekening twee aanvullende kenmerken heeft; de koppeling met artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zoals hiervoor genoemd, en de eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Daarbij worden bewijzen van deelgerechtigdheid niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.

In dit besluit is beleid opgenomen over het fonds voor gemene rekening en het transparante fonds en dit besluit dient mede ter verduidelijking voor de kwalificatie fonds voor gemene rekening of transparant fonds.

Dit besluit is gebaseerd op het thans geldende recht. Naar aanleiding van de motie van het lid Van Eijk zijn medio 2025 drie knelpunten in kaart gebracht. Voor twee van deze knelpunten wordt momenteel onderzocht op welke wijze zij kunnen worden opgelost, waarbij een wijziging van de wetgeving tot de mogelijke oplossingsrichtingen behoort.1Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 159.

1.1. Wijzigingen

De wijzigingen ten opzichte van het besluit van 27 november 2024, nr. 2024-9447 (Stcrt. 2024, 38389) betreffen het volgende:

De overige wijzigingen zijn redactioneel en niet inhoudelijk van aard.

1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen

1.3. Opbouw van dit besluit

De indeling van het besluit volgt de definitie van het FGR: een fonds (onderdeel 2); ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden, door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden (onderdeel 3); mits dit fonds wordt aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft (onderdeel 4) en de deelgerechtigdheid in dit fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid (onderdeel 5). Daarnaast gaat onderdeel 6 in op de voorrangsregel die bepaalt dat als een fonds als FGR kwalificeert en tevens als transparante rechtsvorm, de kwalificatie als FGR voorgaat. Onderdeel 7 geeft een nadere uitleg over het omgekeerd hybride lichaam.

2. Een fonds

’Fonds voor gemene rekening’ en ‘transparant fonds’ zijn fiscale begrippen en komen als zodanig niet voor in het Nederlandse civiele recht. Beide begrippen staan voor een contractueel samenwerkingsverband met doorgaans een (zelfstandige) bewaarder en een (zelfstandige) beheerder. De beheerder van een FGR heeft naast rechtspersoonlijkheid ook een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), of is daarvan vrijgesteld.2Op grond van artikel 1:13a of 2:66a Wft. Met het gebruik van het woord fonds komt tot uitdrukking dat er veelal sprake is van een afgescheiden vermogen.

Als de beheerder het samenwerkingsverband bij de AFM heeft geregistreerd als beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten (hetzij met een AFM-vergunning, hetzij onder de vrijstelling van artikel 1:13a of 2:66a Wft), wordt aangenomen dat sprake is van een fonds.

3. Ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden

Zowel een FGR als een transparant fonds is een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden. Deelname vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid.

3.1. Doel: ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen

De activiteiten van een fonds zijn gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigden. Deze beleggingsvoordelen ontstaan uit het vermogen van twee of meer deelgerechtigden dat, met een (of meerdere) gemeenschappelijke beleggingsdoel(en), feitelijk is bijeengebracht. Bij dit doel moet het gaan om voordelen die worden behaald door het collectief beleggen. Dat wil zeggen dat het samenbrengen van de vermogens is gericht op het behalen van een synergetisch effect of risicospreiding. Hieruit volgt dat de gerichtheid op het behalen van louter fiscale voordelen niet kwalificeert als een dergelijk doel.

3.2. Meer dan één deelgerechtigde

De termen 'voor gemene rekening' (Wet VPB) en 'collectief' in collectief beleggen (Wft) zijn in dit verband synoniemen en betekenen dat sprake moet zijn van meer dan één deelgerechtigde.3Kamerstukken II 2023/24, 36 423, nr. 3, p. 13.

Een fonds met slechts één deelgerechtigde kan daarom niet worden aangemerkt als een FGR of transparant fonds.4HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115. Vorenstaande laat onverlet dat een beleggingsfonds het karakter van FGR of transparant fonds niet verliest, indien is beoogd dat er meerdere deelgerechtigden zijn, maar de bewijzen van deelgerechtigdheid in het fondsvermogen voor korte tijd in één hand komen.

3.3. Beleggen of anderszins aanwenden van gelden

Het begrip beleggen wordt fiscaalrechtelijk uitgelegd. Dit betekent kort gezegd dat het bezit van vermogen is gericht op het rendement en de waardestijging die bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht. Voor de vraag of sprake is van beleggen, en dus niet van ondernemen, wordt aangesloten bij de criteria die daarvoor in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Met het zinsdeel ‘anderszins aanwenden van gelden’ wordt slechts een uitbreiding gegeven van het begrip beleggen. Dit zinsdeel betekent niet dat de activiteiten van het FGR of het transparant fonds een materiële onderneming mogen vormen.

3.3.1. Beleggen in een cv

Een cv is in beginsel fiscaal transparant. Dit betekent dat de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een cv worden toegerekend aan de participanten naar rato van hun gerechtigdheid (artikel 2.14bis Wet IB 2001).5Zie ook HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1086, r.o. 4.2.3.

Dit toerekenen houdt echter niet in dat een commanditair vennoot, die participeert in een cv die een onderneming drijft, ook zelf een onderneming drijft.6HR 30 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2992. In het geval dat een fonds als participant een commanditair belang heeft in een ondernemende cv, leidt dit er dus niet automatisch toe dat het fonds zelf een onderneming drijft. Dit fonds kan daardoor voldoen aan de beleggingseis en kwalificeren als FGR.7Vergelijk kennisgroepstandpunt KG:011:2025:7, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Zie hiervoor onder 3.3.

3.3.2. Beleggen in leningen

Er zijn fondsen die geldleningen verstrekken aan ondernemingen, waarbij het niet gaat om geldleningen waarmee direct of indirect invloed wordt of kan worden uitgeoefend op het dagelijks beleid van die onderneming of om geldleningen die een winstdelend karakter hebben. De vraag is of het verstrekken van leningen door deze fondsen als beleggen kwalificeert zoals bedoeld in de definitie van fgr.

Of sprake is van beleggen wordt beoordeeld naar de relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval. Het verstrekken van bovengenoemde leningen kwalificeert in ieder geval als beleggen zoals bedoeld in de definitie van het fgr, indien het fonds in de prospectus de volgende voorwaarden, of daarmee materieel bezien vergelijkbare voorwaarden, heeft opgenomen en ook feitelijk daar naar handelt:

In het geval dat niet (meer) aan alle bovengenoemde fondsvoorwaarden is voldaan, betekent dit niet automatisch dat het verstrekken van de leningen niet (meer) kwalificeert als beleggen. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, onder meer aan de hand van de betreffende fondsvoorwaarden. Hiertoe kan vooroverleg plaatsvinden.12Zie Besluit Fiscaal Bestuursrecht.

Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat voor de overige activiteiten van het fonds afzonderlijk beoordeeld zal moeten worden of die als beleggen kwalificeren. Dit betekent dat als (een van die) overige activiteiten van het fonds kwalificeren als ondernemen, het fonds geen FGR is.

4. Mits dit fonds wordt aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft

Een belangrijke voorwaarde die met ingang van 2025 in de definitie van het FGR is opgenomen, is dat het fonds moet worden aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft. De definities hiervan volgen uit geïmplementeerde EU-richtlijnen. Zie in dit verband Richtlijn 2009/65/EG respectievelijk Richtlijn 2011/61/EU. Voor de beoordeling of een naar het recht van een EU-lidstaat opgerichte of aangegane rechtsvorm aan dit criterium voldoet, is de implementatie van deze richtlijnen in het recht van de betreffende lidstaat relevant.

Onderdeel 4.1 beschrijft de duiding van beleggingsinstelling in de zin van artikel 1:1 Wft. Hierbij wordt ingegaan op het onderscheid dat de Wft maakt tussen enerzijds maatschappijen (beleggingsmaatschappijen en maatschappijen voor collectieve beleggingen in effecten) en anderzijds fondsen (beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve beleggingen in effecten). Onderdeel 4.2. gaat over fondsen binnen een reeds bestaande groep. In onderdeel 4.3. wordt uitleg gegeven over de beoordeling van een fonds dat is gevestigd in Nederland en in onderdeel 4.4. wordt uitleg gegeven over de beoordeling van een beleggingsinstelling die is gevestigd in een andere EU-lidstaat dan Nederland.

4.1. Beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 Wft

Een beleggingsinstelling kan enerzijds een maatschappij (beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten) en anderzijds een fonds (beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten) zijn. Een maatschappij in de zin van artikel 1:1 Wft is altijd een rechtspersoon.

In de nieuwe definitie van het FGR worden alleen de beleggingsfondsen en de fondsen voor collectieve belegging in effecten als FGR aangemerkt. De reden hiervoor is dat (Nederlandse) beleggingsmaatschappijen en maatschappijen voor collectieve belegging in effecten rechtspersonen zijn en daardoor al eerder in de opsomming van de vennootschapsbelastingplichtige lichamen in de Wet VPB zijn opgenomen.

Dit houdt ook in dat de vereisten die in de Wft (en de hiervoor genoemde richtlijnen) worden gesteld aan beleggingsinstellingen en instellingen voor collectieve belegging in effecten, eveneens van toepassing zijn op beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten. Dit sluit ook aan bij de oorspronkelijke ratio van de vennootschapsbelastingplicht van het FGR, waardoor het beleggen via beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten dezelfde fiscale behandeling krijgt als het beleggen via een beleggingsinstelling met de rechtsvorm naamloze vennootschap of besloten vennootschap.13Kamerstukken II 2023/24, 36 423, nr. 3, p. 4 en p. 13–14.

4.2. Wft en fonds met familieleden

Wanneer een fonds uitsluitend kapitaal ophaalt binnen een reeds bestaande groep familieleden, valt dit buiten de definitie van collectief beleggen en dus buiten de reikwijdte van de Wft. De Belastingdienst volgt hierbij het oordeel van de AFM.

4.3. Beoordeling beleggingsfonds in Nederland: vergunning of vrijstelling

De AFM beoordeelt via de aanmelding van de beheerder van een fonds dat in Nederland is gevestigd, of dat fonds voldoet aan de vereisten zoals vastgelegd in de Wft. Het is aan het fonds om aannemelijk te maken dat aan deze vereisten wordt voldaan en het fonds daarmee moet worden aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van de vergunning van de AFM (artikel 2:65 en 2:69b Wft).

In bepaalde gevallen kan de beheerder van een fonds zijn vrijgesteld van de vergunningplicht (artikel 1:13a, 1:13b en 2:66a Wft). In sommige situaties kan de belastingplichtige de registratie bij de AFM, onder het zogenoemde registratieregime14Zie https://www.afm.nl/nl-nl/sector/beleggingsinstellingen/aifm/registratieregime., overleggen.

4.4. Beoordeling beleggingsinstelling binnen de EU: vergunning of vrijstelling

Voor een fonds dat binnen de EU (buiten Nederland) is gevestigd, geldt dat vergelijkbare informatie van de toezichthouder in het desbetreffende land beschikbaar moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld een registratie of vergunning zijn die vergelijkbaar is met die van de AFM.

Wanneer een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU-lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG niet wordt aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten en een rechtsvorm bezit die niet vergelijkbaar is met een nv of bv, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid, Wet Vpb aan te merken als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 Wft.15Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:211:2024:12, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. In dit standpunt is geen aandacht besteed aan de mogelijke vergelijkbaarheid met andere in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen rechtspersonen, in een voorkomend geval wordt dit onderzocht.

5. De deelgerechtigdheid in dit fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid

Onderdeel van de definitie van het FGR is dat de bewijzen van deelgerechtigdheid verhandelbaar moeten zijn. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een FGR als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Onder een vervreemding aan een derde wordt mede begrepen de verkoop aan een groepsmaatschappij of de verkoop aan bloed- en aanverwanten.

5.1. Verhandelbaarheid inbegrepen in definitie van de Wft

De verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid is al inbegrepen in de definities van de Wft. Als sprake is van een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in art. 1:1 Wft, wordt het fonds daarom geacht verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid te hebben.

5.2. Inkoopfonds: niet-verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.