Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 19 november 2025, nr. BZ2522260, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Besluit Focus on Freedom)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 6
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 4.2, eerste lid, sub g, en artikel 4.3, eerste lid, sub g, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2, eerste lid, sub g, en artikel 4.3, eerste lid, sub g, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op het thema beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden van religieuze minderheden en lhbtiq+ personen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

1.

Voor het in artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 84.745.000, welke middelen als volgt zijn verdeeld over de volgende thema’s:

2.

Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begrotingen voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

Aanvragen voor een subsidie in het kader van Focus on Freedom worden ingediend in de periode 15 december 2025 om 12.00 uur CET, tot en met 9 maart 2026 om 23.59 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op https://www.government.nl/topics/grant-programmes.

Artikel 4

1.

De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub a, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

2.

De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Focus on Freedom.

Bijlage. Subsidiebeleidskader Focus on Freedom

0. Definities

In dit subsidiebeleidskader (hierna: SBK) wordt verstaan onder:

1 https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/oda-eligibility-and-conditions/DAC-List-of-ODA-Recipients-for-reporting-2024-25-flows.pdf

1. Inleiding, achtergrond en doelstellingen

Dit subsidiebeleidskader Focus on Freedom bevat beleidsregels voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (hierna: SRBZ 2006)3Zie de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juli 2025, nr. BZ2518248, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 inzake subsidieverstrekking voor capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden (Stcrt. 2025, nr. 25027).. Het maakt deel uit van het bredere Focus beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in de periode 2026–2030, dat in totaal acht instrumenten omvat. Een van deze instrumenten is ondergebracht in dit subsidiebeleidskader Focus on Freedom. Voor de uitvoering daarvan is een totaalbedrag van € 85 miljoen beschikbaar, verdeeld over een periode van vijf jaar. Voor een centraal uit te voeren externe evaluatie wordt 0,3% van dit budget gereserveerd, waardoor voor subsidieverlening een bedrag van € 84.745.000 resteert.

1.1. Beleidsachtergrond

Wereldwijd staan de vrijheid van religie en levensovertuiging en de gelijke rechten van lhbtiq+-personen onder toenemende druk. Religieuze minderheden en lhbtiq+-personen worden geconfronteerd met discriminatie, vervolging en geweld. Beide groepen lopen gevaar door discriminerende wetgeving, sociale stigma’s en beperkte toegang tot essentiële diensten en juridische bescherming. Het gebrek aan effectieve bescherming ondermijnt niet alleen de mensenrechten van individuen, maar ook de democratie en rechtsstaat in de landen waar deze problematiek speelt. Daarnaast neemt de beschikbare (internationale) financiering voor maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de bevordering en bescherming van mensenrechten af.

Focus on Freedom sluit aan bij bredere Nederlandse beleidsdoelstellingen, zoals vastgelegd in de Beleidsnota Mensenrechten, Democratie, Internationale Rechtsorde4Beleidsnota Mensenrechten – Democratie – Internationale Rechtsorde (MDIR-nota) en het Beleidskader Mondiaal Multilateralisme5https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2022/12/23/beleidskader-mondiaal-multilateralisme/Beleidskader+Mondiaal+Multilateralisme.pdf, waarin Nederland het belang van een effectief en inclusief multilateraal systeem voor de bescherming van mensenrechten onderstreept.

Dit subsidiebeleidskader zet, als onderdeel van Focus (zie paragraaf 1.2) in op het financieel en door middel van capaciteitsversterking ondersteunen van met name lokale maatschappelijke organisaties zodat zij beter in staat zijn om de benodigde diensten te verlenen en de dialoog te voeren die relevant zijn voor het realiseren van de thematische beleidsdoelen. Daarnaast biedt dit kader de mogelijkheid van subsidiëring van support partners voor activiteiten op het gebied van internationale belangenbehartiging. Internationale belangenbehartiging gebeurt vraaggestuurd en in afstemming met lokale maatschappelijke organisaties, met als doel het bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van het betreffende sub-instrument en beleidsverandering op multilateraal, internationaal en regionaal niveau te bevorderen.

De hoofddoelstellingen van het Focus on Freedom subsidiebeleidskader zijn:

Het subsidiebeleidskader Focus on Freedom bevat met het oog hierop twee sub-instrumenten, die elk zijn toegesneden op een van beide hoofddoelstellingen, met een eigen thematische focus, target communities en geografische reikwijdte. De twee instrumenten zijn:

De hoofdstukken 1 tot en met 7 van dit subsidiebeleidskader zijn op alle twee de sub-instrumenten van toepassing. De instrument-specifieke beleidsachtergronden, doelen, subsidiabele activiteiten, criteria en geografische reikwijdte staan per instrument verder uitgewerkt in de instrument-specifieke hoofdstukken 8 en 9.

1.2. Beleidsprincipes

Het subsidiebeleidskader Focus on Freedom is onderdeel van Focus, het overkoepelende beleidskader van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het gebied van versterking van maatschappelijke organisaties6De kernpunten van dit beleidskader zijn uiteengezet in diverse kamerbrieven, waaronder die van 11 november 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 13), 21 januari 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 55), 20 februari 2025 (Kamerstukken II 2019/2020, 34 952, nr. 87) en 27 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 180, nr. 133).. Binnen Focus gelden beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn op alle instrumenten. Deze beleidsprincipes zijn het referentiekader voor de beoordeling en selectie van de aanvragen, evenals voor de vormgeving van de door de subsidieaanvragers te ontwikkelen en uit te voeren activiteiten.

Het versterken van de vaardigheden en kennis van lokale maatschappelijke organisaties. Dit draagt bij aan zowel de effectiviteit als de efficiëntie van ontwikkelingsinitiatieven en vormt daarom een belangrijk element binnen dit kader. Capaciteitsversterking kan betrekking hebben op uiteenlopende terreinen, zoals programmamanagement, financieel beheer of de bescherming van kwetsbare groepen, en kan worden vormgegeven via bijvoorbeeld training, coaching of kennisuitwisseling. Hierbij wordt aangesloten bij reeds aanwezige lokale capaciteit. Deze benadering is essentieel voor het bevorderen van lokaal eigenaarschap.

Leidend voor het bredere nieuwe beleidskader Focus (waaronder Focus on Freedom valt), is de wens om lokaal eigenaarschap binnen ontwikkelingshulp te stimuleren en te vergroten. Volgens de OESO-DAC betekent dit dat lokale actoren zelf beslissen over de vormgeving en implementatie van ontwikkelingsinitiatieven, waarbij internationale donoren en externe partners, waaronder ook Nederlandse maatschappelijke organisaties, een ondersteunende rol spelen bij het oplossen van de maatschappelijke vraagstukken waar lokale gemeenschappen voor staan. Deze ondersteuning kan onder meer bestaan uit financiële of inhoudelijke capaciteitsversterking, het faciliteren van kennisuitwisseling tussen lokale maatschappelijke organisaties, of het beschikbaar stellen van technologische innovaties en wetenschappelijke inzichten.

Met de sub-instrumenten onder dit SBK beoogt de minister ook bij te dragen aan gendergelijkheid. Dit verhoogt de sociale en economische weerbaarheid van gemeenschappen en versterkt de effectiviteit en relevantie van ontwikkelingshulp.

Aanvragers worden uitgenodigd om in het projectvoorstel een beschrijving en analyse op te nemen van de context van klimaatverandering, inclusief een beoordeling van klimaatrisico’s en klimaatkwetsbaarheden die relevant zijn voor het programma.

Te allen tijde geldt dat Nederland wil voorkomen dat de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan het verergeren van conflicten. Bij alle activiteiten die worden gesubsidieerd, moet daarom rekening worden gehouden met de context waarin deze worden uitgevoerd. Dit houdt in dat activiteiten 1) dusdanig moeten worden ontwikkeld dat bewust negatieve effecten en onbedoelde bijdragen aan conflicten worden vermeden of geminimaliseerd, en 2) dat bewust positieve effecten op de conflictdynamiek worden gecreëerd en kansen voor vrede en inclusie worden versterkt. Risico’s met betrekking tot het verergeren van conflicten moeten in kaart worden gebracht in de contextanalyses.

Dit vereist het vermogen om (i) de operationele context waarin activiteiten plaatsvinden te analyseren en te begrijpen; (ii) dat begrip te vertalen naar consequenties voor activiteiten en interacties met die context; en (iii) conflictsensitiviteit in de hele activiteitscyclus te integreren en te actualiseren. Gelet op het belang dat Nederland hecht aan het onderwerp geestelijke gezondheid en psychosociale ondersteuning als onderdeel van inzet in fragiele staten en conflictgebieden, is het van belang om als onderdeel van conflictsensitiviteit ook mentale gezondheid en psychosociale dimensies en dynamiek mee te nemen in het analyseren en begrijpen van de contexten waarin activiteiten plaatsvinden.

In aansluiting op het beleidsuitgangspunt van conflictsensitiviteit geldt het do no harm-principe: gesubsidieerde activiteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale bevolking, bestaande verhoudingen of bredere ontwikkelingsdoelen. Subsidieontvangers zijn daarom verplicht mogelijke risico’s tijdig te identificeren en maatregelen te treffen om schadelijke effecten te voorkomen of te beperken.

1.3. Rol en verantwoordelijkheden van de Support Partners en In-Country Partners

Dit subsidiebeleidskader maakt gebruik van een intermediaire structuur met ‘support partners’ en ‘in-country partners’ (lokale maatschappelijke organisaties en internationale/regionale maatschappelijke organisaties). De support partner fungeert individueel als aanvrager en subsidieontvanger (niet als onderdeel van een consortium). De selectie van in-country partners vindt plaats tijdens de inceptiefase. Deze structuur en de rollen en verantwoordelijkheden van support- en in-country partners worden in het hiernavolgende uiteen gezet en toegelicht.

1.3.1. Rol en verantwoordelijkheden van de support partner

De support partner:

Nader uitgewerkt houden deze verantwoordelijkheden het volgende in:

De support partner zet de van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen subsidie derhalve in voor alle onderstaande activiteiten:

De drie hoofdactiviteiten van de support partner worden verder toegelicht in hoofdstuk 2. Voorbeelden van projecten die in-country partners kunnen uitvoeren met de financiering die zij ontvangen van de support partner, zijn opgenomen in de instrument-specifieke hoofdstukken (8 en 9).

1.3.2. Rol en verantwoordelijkheden van in-country partners

Binnen dit SBK (zie Definities) wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende typen in-country partners:

Internationale/regionale maatschappelijke organisaties kunnen uitsluitend als in-country partner worden ingezet wanneer de support partner in het betreffende land geen lokaal netwerk en capaciteit heeft om een coördinerende rol te vervullen voor lokale, maatschappelijke organisaties. Deze inzet is beperkt tot één land per aanvraag. In geval van internationale/regionale maatschappelijke organisaties als in-country partner mag de support partner de BZ-subsidie alleen aanwenden voor financiële ondersteuning, niet voor capaciteitsversterking (zie hierboven).

Beide typen in-country organisaties worden via het selectiemechanisme van de support partner geselecteerd en beschikken over relevante thematische en context-specifieke expertise en netwerk. De belangrijkste rollen en verantwoordelijkheden zijn als volgt:

Lokale maatschappelijke organisaties:

Internationale/regionale maatschappelijke organisaties:

1.4. Opbouw van dit subsidiebeleidskader en onderliggende instrumenten

Dit subsidiebeleidskader bestaat uit twee delen:

2. Type activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt

Binnen dit subsidiebeleidskader zijn drie hoofdtypen activiteiten subsidiabel voor de support partner:

2.1. Financieringsactiviteiten

Met behulp van de onder Focus on Freedom aan de support partner verstrekte subsidie geeft de support partner financiële ondersteuning aan in-country partners voor de uitvoering van activiteiten die relevant zijn voor de doelstellingen en thematische prioriteiten van het sub-instrument waaruit subsidie aan de support partner is toegekend. Daarbij kan het gaan om drie soorten activiteiten van in-country partners:

De support partners ontwikkelen selectiemechanismen die passen binnen dit subsidiebeleidskader. Zij geven hierin duidelijke randvoorwaarden en richting. Tegelijk laten zij in-country partners zoveel mogelijk ruimte om eigen keuzes te maken die aansluiten op de lokale context.

Financieringsactiviteiten worden uitgevoerd door de in-country partner met actieve betrokkenheid van leden uit de gemeenschap, grassroots-bewegingen en andere lokale informele structuren. De support partner borgt dit in zijn selectiemechanisme.

2.2. Capaciteitsversterkende activiteiten

De support partner biedt, afgestemd op de behoeften van de lokale maatschappelijke organisaties, ondersteuning bij de versterking van hun capaciteit, gericht op effectievere werking, grotere autonomie en duurzaamheid van zowel de organisatie als de programmatische inzet van de lokale maatschappelijke organisatie. Dit omvat ook het versterken van de capaciteit van lokale maatschappelijke organisaties om in restrictieve contexten gemeenschapsorganisaties te ondersteunen. Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op drie inhoudelijke terreinen:

Deze ondersteuning kan:

Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op:

2.3. Internationale belangenbehartigingsactiviteiten op multilateraal, internationaal en regionaal niveau (vanuit de Support Partner)

De support partner zet de van BZ ontvangen subsidie in voor internationale belangenbehartigingsactiviteiten die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van het betreffende sub-instrument. Deze activiteiten worden door de support partner zelf uitgevoerd en zijn vraaggestuurd. Ze vinden plaats in nauwe afstemming en met actieve betrokkenheid van lokale maatschappelijke organisaties en zijn aanvullend op hun lokale en nationale inzet. Internationale belangenbehartiging draagt bij aan duurzame systeemverandering en beleidsimpact op regionaal en internationaal niveau.

Internationale belangenbehartiging omvat het actief deelnemen aan beleidsprocessen binnen multilaterale, internationale en regionale gremia, zoals VN-organisaties, de Afrikaanse Unie/ASEAN of andere internationale platforms en netwerken waarbinnen wordt samengewerkt aan beleidsdoelstellingen op het thema van het betreffende instrument. Dit met als doel de belangen van een bepaalde groep, beweging, organisatie of netwerk te behartigen en zo structurele oorzaken van armoede, ongelijkheid en onrecht aan te pakken en beleid duurzaam te verbeteren. De support partners vertegenwoordigen hierbij – waar mogelijk – ook de belangen van lokale partners en target communities, met als doel hun positie binnen mondiale beleidsvorming te versterken. Subsidiabele activiteiten kunnen onder meer bestaan uit (niet limitatief):

Deze activiteiten worden uitgevoerd door de support partner zelf, zijn aanvullend op de lokale en nationale inzet van de lokale maatschappelijke organisaties (in de vorm van dialoog) en dragen bij aan duurzame systeemverandering en beleidsimpact op internationaal niveau. Informatieverstrekking over deze activiteiten aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de relevante Nederlandse posten vormt integraal onderdeel van de rapportageverplichting die voortvloeit uit de subsidieverlening. Met deze informatie kan het Ministerie de verbinding maken tussen de eigen multilaterale en bilaterale mensenrechtendiplomatie en de programmatische inzet.

Internationale belangenbehartigingsactiviteiten die gericht zijn op beleidsbeïnvloeding in Nederland, worden niet gefinancierd vanuit de instrumenten van het beleidskader Focus. Deze activiteiten komen niet in aanmerking voor subsidie en subsidies mogen evenmin worden aangewend voor het financieren ervan.

2.4. Financiële vereisten in relatie tot subsidiabele activiteiten

Vereisten voor support partners:

Vereisten voor in-country partners:

Alle bovenstaande vereisten zijn nader uitgewerkt in Annex 4.1 ‘Handleiding budgetmodel’.

2.5. Activiteiten die niet in aanmerking komen voor subsidie

Onder dit subsidiebeleidskader komen niet voor subsidie in aanmerking:

2.6. Specifieke invulling van activiteiten per instrument

De instrumenthoofdstukken 8 en 9 bevatten de specifieke vereisten per instrument, inclusief voorbeelden van dienstverlening en dialoog waarop financiële ondersteuning zich met behulp van subsidie kan richten en voorbeelden van capaciteitsversterking die voor subsidie in aanmerking kan komen.

Subsidieaanvragen dienen te voldoen aan zowel de algemene vereisten (hoofdstukken 1 t/m 7) als de specifieke vereisten per instrument.

2.7. Monitoren Evaluatie en Leren (MEL)

Ook binnen de instrumenten van het beleidskader Focus is het doel van Monitoring, Evaluatie en Leren (MEL) het systematisch volgen van de voortgang, kwaliteit en resultaten van de gefinancierde activiteiten. Dit maakt het mogelijk om continu te leren, waar nodig strategische aanpassingen in het programma door te voeren en verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten.

Voor Focus on Freedom geldt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) verantwoordelijk is voor het laten uitvoeren van een externe, kader-brede baselinestudie en een Mid-Term Evaluatie (MTE). De support partner draagt de verantwoordelijkheid voor het monitoren op output-niveau en leren gedurende de looptijd van de subsidie. Om misverstand te voorkomen: de support partners zijn gedurende de gehele looptijd van de subsidie verantwoordelijk om de rapportageverplichtingen, zoals die opgenomen zullen worden in de subsidieverleningsbeschikkingen, na te leven.

Bij de subsidieaanvraag dient een eerste opzet van de MEL-systematiek te worden ingediend. Hierbij moet ook worden toegelicht hoe deze eerste opzet in de inceptiefase verder zal worden uitgewerkt in samenwerking met in-country partners. Gedurende de inceptiefase faciliteert BZ afstemming tussen de verschillende support partners binnen hetzelfde instrument om waar mogelijk synergie te creëren en indicatoren te harmoniseren.

De systematiek die in de inceptiefase wordt uitgewerkt moet voldoen aan de volgende criteria (hierover zal in de subsidieverleningsbeschikkingen een verplichting worden opgenomen):

2.8. Inceptiefase

Na subsidieverlening start elke geselecteerde support partner met een inceptiefase. Deze fase vangt aan op de startdatum van het subsidietijdvak, zoals vastgelegd in de subsidieverleningsbeschikking. Over deze fase wordt een inceptierapport opgesteld, dat (maximaal) zes maanden na afronding van de inceptiefase wordt ingediend.

In deze periode start de support partner met het toepassen van het in de aanvraag voorgestelde selectiemechanisme, bedoeld om in-country partners te selecteren voor de volledige looptijd van de activiteit. Indien omstandigheden dit vereisen, kunnen in een later stadium nog partners worden aangetrokken. Daarnaast ontwikkelt de support partner samen met de geselecteerde in-country partners het programma van activiteiten. Hierbij worden de beleidsdoelstellingen en thematische kaders van het betreffende instrument in acht genomen. De support partner vervult hierin een faciliterende rol, waarbij de aard en vorm van de ondersteuning in overleg met de in-country partners worden vastgesteld.

Een belangrijk onderdeel van de inceptiefase is het in kaart brengen van de capaciteitsversterkingsbehoeften van de lokale maatschappelijke organisaties. Op basis hiervan wordt gezamenlijk bepaald hoe deze versterking het best kan worden vormgegeven: via directe ondersteuning door de support partner, inzet van externe partijen, of financiering waarmee de in-country partner zelf ondersteuning kan organiseren.

Tevens wordt in deze fase de MEL-systematiek (Monitoring, Evaluatie en Leren) en risicodeling aanpak verder uitgewerkt. Waar relevant faciliteert het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) afstemming tussen support partners binnen hetzelfde instrument, met het oog op het creëren van synergie en het harmoniseren van indicatoren.

De inceptiefase wordt afgesloten met een inceptierapport. Hierin zijn de uitgewerkte programmering, de voorlopige selectie van de in-country partners en de MEL-systematiek opgenomen. Het Ministerie stelt hiervoor een standaardformat beschikbaar. Het inceptierapport wordt uiterlijk zes maanden na de startdatum ingediend. Deze goedkeuring vormt de basis voor de verdere uitvoering van het programma.

Na afronding van de inceptiefase wordt het inceptierapport, uiterlijk zes maanden na aanvang van het subsidietijdvak zoals genoemd in de subsidieverleningsbeschikking, bij het Ministerie ingediend. Bij de subsidieverlening verstrekt het Ministerie een verdere toelichting op de inceptiefase, rapportageverplichtingen van de aanvrager en de hiermee gepaard gaande tijdslijn.

3. Wie kan voor subsidie in aanmerking komen?

Subsidieaanvragen worden eerst getoetst aan de in dit hoofdstuk opgenomen drempelcriteria. Alleen aanvragen die deze toets doorstaan, worden verder beoordeeld (zie hoofdstuk 7).

3.1. Drempelcriteria

Een aanvraag komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan alle onderstaande drempelcriteria is voldaan. Indien aan één of meer van de criteria niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder inhoudelijk (op kwaliteit) beoordeeld.

De aanvrager (support partner) is een maatschappelijke organisatie die zelfstandig een subsidieaanvraag indient.

Gedurende de periode 2022–2024 was minimaal 25% van de totale gemiddelde jaarlijkse inkomsten van de aanvrager afkomstig uit bronnen anders dan inkomsten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit criterium is niet van toepassing op specialistische organisaties en kleine zuidelijke organisaties (zie paragraaf 3.2).

De aanvrager beschikt over een actueel beleid en systeem (toegepast in de afgelopen vijf jaar, peildatum 1 oktober 2025) voor de selectie en monitoring van door hem te ondersteunen in-country partners. Dit systeem ziet toe op de beheersing van risico’s op het gebied van financiën, governance en integriteit bij deze partners, in relatie tot de uitvoering van activiteiten en de besteding van middelen die zij met financiële ondersteuning van de support partner uitvoeren.

De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar niet meer dan de hieronder vastgestelde maxima:

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn gericht op:

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd hebben uitsluitend betrekking op het aantal landen en de geografische focus zoals gespecificeerd in de sub-instrument-specifieke paragrafen 8.2 en 9.2.

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd hebben een looptijd van 60 maanden, gerekend vanaf het moment van subsidieverlening. Deze activiteiten starten met ingang van het subsidietijdvak zoals aangegeven in de subsidieverleningsbeschikking.

Individuele aanvragers komen in het kader van dit subsidiebeleidskader voor maximaal één subsidie in aanmerking. Indien meerdere aanvragen worden ingediend, wordt alleen de eerst ontvangen aanvraag in behandeling genomen; latere aanvragen worden afgewezen.

De aanvraag heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

Naast de bovengenoemde drempelcriteria gelden voor subsidietoekenning ook vereisten met betrekking tot organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid. Deze vereisten, evenals een nadere uitwerking van criterium D.2 inzake de financiële onafhankelijkheid van de aanvrager en criterium D.9b inzake de omvang van een aanvraag, worden in de volgende twee paragrafen toegelicht.

3.2. Financiële onafhankelijkheid aanvragers

Volgens drempelcriterium D.2 geldt als vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie onder het Focus-beleidskader dat van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvragende organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar minimaal 25% afkomstig was uit bronnen *anders* dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Onder ‘inkomsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken’ vallen:

N.B. Organisaties die zelf als penvoerder namens een alliantie/consortium subsidie/een bijdrage hebben ontvangen mogen het deel van de BZ-inkomsten uit deze subsidies en/of bijdragen dat zij rechtstreeks hebben doorgegeven10Onder het ‘doorgeven’ van gelden wordt verstaan het bancair overschrijven van middelen zodat die op de bankrekening van een alliantiepartner komen te staan. aan andere organisaties binnen een alliantie/het consortium, in mindering brengen op dit bedrag.

Aan aanvragers die voldoen aan dit minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ kan op jaarbasis een subsidie of bijdrage verstrekt worden van maximaal het bedrag dat die organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar aan ‘niet-BZ inkomsten’ ontving. Voor de hele looptijd van het programma gaat dit dan om vijf keer dit bedrag in totaal, aangezien subsidies voor vijf jaar worden toegekend; uiteraard zullen ook geen subsidies worden verleend die het plafond zouden overschrijden dat beschikbaar is voor het instrument waaronder subsidie wordt aangevraagd.

Om aan te tonen dat aan de vereiste mate van financiële onafhankelijkheid wordt voldaan dienen aanvragers de door een accountant gecontroleerde jaarrekeningen van 2022, 2023 en 2024 te overleggen. Daar waar dat niet mogelijk is, dient de aanvrager een onderbouwing te geven waarom de jaarrekeningen niet door een accountant zijn gecontroleerd.

N.B. Nadere informatie over de voor dit criterium aan te leveren documentatie bij de aanvraag is te vinden in Annex 2.

Aanvragers die *niet voldoen aan het minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ (i.e. zij halen dus meer dan 75% van hun inkomen uit BZ-subsidies en -bijdragen), komen niet* in aanmerking voor subsidie in het kader van de instrumenten van dit subsidiebeleidskader. Alleen voor organisaties die in aanmerking komen voor maatwerk (zie hierna) geldt deze vereiste niet. Zij kunnen mogelijk ook voor meer subsidie in aanmerking komen dan vijf keer het bedrag dat zij gemiddeld in 2022, 2023 en 2024 aan ‘niet-BZ inkomsten’ hadden.

Voor specialistische organisaties wordt een uitzondering gemaakt op de vereisten voor financiële onafhankelijkheid zoals hierboven toegelicht. Ook kleine, zuidelijke organisaties vallen niet onder dit criterium. Voor beide soorten organisaties geldt dus 1) dat ze niet hoeven te voldoen aan de eis dat gemiddeld minimaal 25% van hun inkomsten in 2022, 2023 en 2024 afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en 2) dat zij per jaar voor méér middelen in aanmerking kunnen komen dan hun gemiddelde jaarlijkse niet-BZ-inkomsten over de afgelopen drie jaar.

3.3. Organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid

Tevens gelden om in aanmerking te kunnen komen de volgende twee vereisten, waarop aanvragers die de drempeltoets hebben gehaald worden beoordeeld:

De werking van deze twee vereisten is gelijk aan de werking van de criteria opgenomen in de drempeltoets: wordt niet aan de vereisten voldaan, dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.

BZ hanteert hiervoor de ORIA (Organizational Risk and Integrity Assessment) of het Partos certificaat. Alleen aanvragers die een positieve beoordeling van de drempelcriteria (zie paragraaf 3.1) hebben ontvangen, worden separaat door BZ uitgenodigd om een ORIA of Partos certificaat aan te leveren. Deze hoeft dus niet te worden meegestuurd met de aanvraag.

Het tijdig aanleveren van een volledig ingevulde ORIA (inclusief bijlagen) en een positieve beoordeling van de verplichte onderdelen van de ORIA is verplicht om voor subsidietoekenning in aanmerking te kunnen komen. Indien een organisatie een nog geldige positief beoordeelde ORIA of een geldig Partos certificaat heeft, moet deze worden aangeleverd.

3.4. Wie komt niet voor subsidie in aanmerking

Niet in aanmerking voor subsidie komen:

4. Beschikbare middelen en de verdeling daarvan

Voor subsidieverlening in het kader van de sub-instrumenten van dit subsidiebeleidskader stelt de Minister van Buitenlandse Zaken een totaalbedrag van € 84.745.00012Voor de uitvoering is een totaalbedrag van € 85 miljoen beschikbaar, verdeeld over een periode van vijf jaar. Voor een centraal uit te voeren externe evaluatie wordt 0,3% van dit budget gereserveerd, waardoor voor subsidieverlening een bedrag van € 84.745.000 resteert. beschikbaar voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030, voor subsidieverlening voor een periode van vijf jaar (60 maanden).13Ter informatie: het subsidietijdvak waarin de te subsidiëren activiteiten moeten worden uitgevoerd start en eindigt later dan het tijdvak waarvoor het subsidieplafond geldt, gelet op de vastgestelde data voor de aanvraag- en besluitvormingsprocedure behorend bij dit subsidiebeleidskader.

Het voor subsidieverlening beschikbare bedrag gedurende de volledige looptijd van vijf jaar is als volgt verdeeld over de sub-instrumenten binnen dit subsidiebeleidskader:

De beschikbare middelen worden per sub-instrument verdeeld via een subsidietender. De rangschikking van de aanvragen wordt vastgesteld volgens de uitkomsten van de beoordeling van de aanvragen aan dit subsidiebeleidskader opgenomen kwalitatieve criteria (zie paragrafen 8.6 en 9.6). Alleen tijdig ingediende en volledige aanvragen die aan de drempelcriteria voldoen, worden op kwaliteit beoordeeld. De beoordeling vindt uitsluitend plaats op basis van de informatie die vóór sluiting van de aanvraagtermijn is ontvangen.

Hoofdstuk 7 bevat algemene bepalingen over beoordeling en selectie. De specifieke verdeelsystematiek van de beschikbare middelen per sub-instrument is uitgewerkt in resp. paragraaf 8.5 en 9.5.

5. Subsidiabele kosten

Slechts de kosten, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en die redelijkerwijs niet uit eigen middelen of op andere wijze kunnen worden bekostigd, zijn subsidiabel.14Artikel 14, eerste lid, Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Activiteiten die reeds zijn gestart voor de datum waarop de aanvraag is ingediend zijn niet subsidiabel, en dus zijn de daarmee gemoeide kosten niet subsidiabel.15Artikel 9 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de bij de aanvraag in te dienen begroting (annex 4.2 bij dit subsidiebeleidskader).

6. Aanvraagprocedure

6.1. Proces en tijdslijnen

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag niet voldoen aan de formele vereisten die op grond van dit subsidiebeleidskader aan aanvragen worden gesteld, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een lagere rangschikking of zelfs afwijzing van de subsidieaanvraag.

Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

Bij het opstellen van de subsidieaanvraag is het kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag of bijlagen niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagformulier – met inbegrip van bijlages – niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

De aanvraag dient te worden opgesteld in de Engelse taal. Bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels dienen voorzien te zijn van een vertaling in het Engels. Additionele informatie (zoals USB-sticks van een organisatie) worden niet meegenomen in de beoordeling van een aanvraag.

Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat aanvragen per e-mail in .pdf-formaat worden ingediend, met daarbij het budget in Excel. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar: DMM-focus@minbuza.nl onder vermelding van aanvraag Focus on Freedom [+ naam sub-instrument] subsidiebeleidskader.

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp-regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst. 16 Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail van 2 van 5 etc.

Eventuele (technische) problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

Indiening van aanvragen per post wordt afgeraden. Indien u daar niettemin voor kiest, of voor indienen in persoon of koerier, neemt u dan tijdig contact op met het Ministerie via het e-mailadres: DMM-focus@minbuza.nl onder vermelding van aanvraag Focus on Freedom [+ naam sub-instrument] subsidiebeleidskader. Houd hierbij rekening met post verzendtermijnen en met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving door BZ en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag door BZ geen post wordt ingeschreven.

Voor het Focus on Freedom subsidiebeleidskader is aan de hand van de Q&A’s bij het subsidiebeleidskader FemFocus reeds een Q&A document opgesteld en openbaar beschikbaar.

Op 17 december vindt van 11:00 tot 12:30 uur een informatiesessie plaats waarin het instrument Focus on Freedom wordt toegelicht. Na deze sessie is er tot en met 9 januari de mogelijkheid om schriftelijk vragen in te dienen. Het streven is om de ingediende vragen uiterlijk op 23 januari te beantwoorden.

Voor meer informatie over de Q&A en informatiesessie wordt verwezen naar: Grant programmes | Government.nl.

6.2. Vereiste documenten bij de aanvraag

Bij het indienen van een aanvraag geldt dat dit volgens de verplichte formats moet worden gedaan. Hieronder volgt een overzicht van deze verplichte documenten en formats.

Bij de subsidieaanvraag dienen de volgende documenten te worden aangeleverd:

De onderstaande bijlagen hoeven alleen te worden aangeleverd door aanvragers die menen in aanmerking te komen voor maatwerk in verband met het drempelcriterium D.2 over financiële onafhankelijkheid (zie uitleg onder paragraaf 3.2). Deze aanvragers sturen de volgende informatie met de aanvraag mee (zie ook het in te vullen formulier in Annex 2):

Voor een specialistische organisatie:****

*Voor een kleine, zuidelijke organisatie:*

7. Beoordelings- en selectieprocedure

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van dit subsidiebeleidskader. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria.

Tijdig ontvangen aanvragen worden behandeld volgens de volgende beoordelings- en selectieprocedure. De aanvrager en de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, dienen allereerst te voldoen aan alle drempelcriteria. De drempelcriteria staan beschreven in paragraaf 3.1 van dit subsidiebeleidskader. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld. De aanvrager ontvangt hierover bericht.

Aanvragers van wie de aanvraag voldoet aan de drempelcriteria ontvangen vanuit BZ bericht hierover. Deze mededeling zal steeds onder voorbehoud zijn gelet het bepaalde in paragraaf 3.3 inzake de nog aan te leveren vereiste documenten voor de Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA), of een geldig Partos certificaat met het oog op de beoordeling aan de criteria over organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid.

Aanvragers die aanspraak maken op maatwerk als specialistische organisatie (zie paragraaf 3.2), wordt gevraagd om uitvoering van de werkzaamheden door de accountant op basis van het accountantsprotocol (Annex 9), wat resulteert in een rapport van overeengekomen specifieke werkzaamheden (Standaard 4400). Dit rapport hoeft nog niet te worden meegestuurd met de aanvraag, maar pas later (zie paragraaf 6.1).

N.B. Goedkeuring van de drempeltoets op basis van de bij de drempeltoets aangeleverde informatie is voorwaardelijk. Indien blijkt dat niet is aangetoond dat aan de vereisten om te worden aangemerkt als specialistische organisatie wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

Een positieve beoordeling van de verplichte onderdelen van de ORIA en, voor organisaties die in aanmerking willen komen voor maatwerk, van bovengenoemd rapport van de accountant is noodzakelijk om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen. BZ voert de ORIA-beoordeling en de beoordeling van het accountantsrapport gelijktijdig uit met de op de drempeltoets volgende inhoudelijke beoordeling van de subsidieaanvraag.

Voor de inhoudelijke beoordeling hanteert BZ kwalitatieve beoordelingscriteria, die zijn opgenomen in de betreffende sub-instrument-hoofdstukken (paragraaf 8.6 en 9.6). De kwalitatieve beoordelingscriteria hebben betrekking op het trackrecord, het projectvoorstel (inclusief budget) en de beleidsprincipes. De puntentoekenning per onderdeel is als volgt:

Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet de algehele kwaliteit van de aanvraag ten minste als ruim voldoende worden beoordeeld. Dit betekent een totaalscore van minimaal 77 punten van de maximaal 110 punten. Daarnaast moet ook ieder afzonderlijk onderdeel ten minste als ruim voldoende worden beoordeeld, blijkend uit de in bovenstaande tabel genoemde te behalen minimumscore. (Let op: om de vereiste minimum score van 77 punten te behalen volstaat het niet om per onderdeel van de aanvraag het minimum aantal punten te behalen). Aanvragen die niet aan deze vereisten ten aanzien van kwaliteit voldoen worden afgewezen.

De verdeelsystematiek van de beschikbare middelen is per specifiek sub-instrument uitgewerkt in resp. paragraaf 8.5 en 9.5.

De besluitvorming zal plaatsvinden met oog voor artikel 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken19wetten.nl – Regeling – Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken – BWBR0018039. De minister kan subsidieverlening weigeren als het verlenen van subsidie niet verenigbaar is met zijn beleid op het gebied van de buitenlandse betrekkingen en de ontwikkelingshulp; het moet daarbij gaan om publiekelijk kenbaar beleid, bijvoorbeeld uit de memorie van toelichting bij de begroting van het Ministerie, uit Kamerstukken of uit beleidsregels op grond van artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

8. Sub-instrument 1: Gelijke rechten voor LHBTIQ+ personen (LHBTIQ+)

8.1. Beleidscontext en doelstelling

Wereldwijd staan de mensenrechten en veiligheid van lhbtiq+-personen steeds meer onder druk. Deze groep wordt in veel landen geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkte toegang tot essentiële diensten. Dit subsidie sub-instrument draagt bij aan het realiseren van betere toegang tot (gelijke) rechten, versterking van de positie van lhbtiq+-personen door lokale maatschappelijke organisaties en overige actoren die zich hiervoor inzetten te steunen, verbeterde toegang tot beschermingsmechanismen en diensten die de fysieke veiligheid van lhbtiq+-personen verbeteren, en het stimuleert de inhoudelijke dialoog met (lokale en nationale) overheden en religieuze en overige actoren.

Het sub-instrument Gelijke rechten voor lhbtiq+-personen (hierna: LHBTIQ+) sluit aan bij de bredere Nederlandse beleidsdoelstellingen zoals vastgelegd in de MDIR-nota20MDIR-nota, 2023 en het Beleidskader Mondiaal Multilateralisme21Beleidskader Mondiaal Multilateralisme, 2023.

De hoofddoelstellingen van dit sub-instrument zijn:

Het sub-instrument draagt daarmee bij aan de duurzame versterking van lokale initiatieven die de positie van lhbtiq+-personen verbeteren op korte en lange termijn. De doelstellingen van dit sub-instrument zijn in lijn met de doelstellingen van het Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid op lhbtiq+, te weten 1) de decriminalisering van homoseksualiteit en/of diverse gender identiteit en expressie; 2) het tegengaan van geweld en discriminatie tegen lhbtiq+-personen; en 3) het bevorderen van sociale acceptatie van lhbtiq+-personen. Dit zijn tevens thema’s waar Nederland decennialange expertise en netwerken op heeft ontwikkeld, en waar Nederlandse bilaterale en multilaterale vertegenwoordigingen diplomatieke capaciteit op hebben.

Voor overige generieke beleidsuitgangspunten, zoals capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties en lokaal geleide ontwikkeling, wordt verwezen naar het overkoepelend deel, paragraaf 1.2.

8.2. Geografische focus

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft voor het sub-instrument Gelijke rechten voor LHBTIQ+ personen een landenlijst vastgesteld, waarop de landen zijn ingedeeld in regio’s. Wegens de gevoeligheid van de thematiek en veiligheidsoverwegingen is nadere informatie over de landenlijst uitsluitend op verzoek beschikbaar via het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DMM-focus@minbuza.nl). Bij een verzoek voor nadere informatie dienen het meest recente jaarverslag en de statuten van de organisatie te worden meegestuurd.

Om in aanmerking te komen voor subsidie binnen het sub-instrument Gelijke rechten voor LHBTIQ+ personen richt de aanvraag zich op minimaal drie en maximaal twintig landen. Minstens 50% van de gekozen landen dient te zijn opgenomen in bovengenoemde landenlijst.22Indien dit vanwege veiligheidsoverwegingen/risico’s in het land zelf aantoonbaar niet mogelijk blijkt binnen de kaders van dit sub-instrument, dient de aanvrager, voor zover mogelijk, maximaal aan te sluiten bij de landenlijst. De aanvrager dient daarbij een robuuste onderbouwing en analyse te geven van deze veiligheidsoverwegingen in een separaat document (max 350 woorden). Overige landen mogen vrij worden gekozen, uitgezonderd Rwanda, mits deze in lijn zijn met de beleidsdoelstellingen zoals beschreven in paragraaf 8.1. Het bevorderen van gelijke rechten voor lhbtiq+ personen is gebaat bij regionale en cross-regionale samenwerking. Ingediende aanvragen die zich richten op zes of meer landen dienen over minimaal twee regio’s, zoals aangegeven op de landenlijst, verspreid te zijn. Aanvragen gericht op minder dan zes landen zijn gericht op één regio of twee regio’s.

Een internationale/regionale maatschappelijke organisatie kan door een support partner slechts in één van de gekozen landen als in-country partner worden ingezet om samenwerking tussen lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen, wanneer de support partner daar zelf geen lokaal netwerk heeft en geen coördinerende rol kan vervullen. In alle overige gekozen landen dient de support partner zelf te beschikken over lokale operationele capaciteit en/of een gevestigd netwerk en wordt uitsluitend samengewerkt met lokale maatschappelijke organisaties.

8.3. Specifieke invulling van subsidiabele activiteiten

Binnen dit instrument wordt van de aanvragers verwacht dat zij financierings- en capaciteitsversterkende activiteiten ontwikkelen en aan internationale belangenbehartiging doen (zie paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3), welke activiteiten dienen bij te dragen aan de doelstellingen van het sub-instrument, zoals beschreven in paragraaf 8.1.

De support partner ondersteunt in-country partners financieel bij de uitvoering van activiteiten die aansluiten bij de beleidsdoelen van dit instrument, zie ook paragraaf 2.1. De in-country partners zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van deze activiteiten. De support partner faciliteert dit door een transparant aanvraagproces op te zetten en te hanteren voor selectie, financiering en begeleiding van de in-country partners.

In het kader van dit instrument kunnen support partners in-country partners financieel steunen bij activiteiten gericht op onder andere (niet limitatief):

Nb.

Financieringsactiviteiten kunnen zien op dienstverlening, dialoog en/of coördinatie en ondersteuning door de internationale/regionale organisaties (zie hoofdstuk 2).

Minimaal 30% van het voor financieringsactiviteiten aangevraagde budget dient te worden besteed aan het financieel ondersteunen van dienstverlening.

De support partner ondersteunt lokale maatschappelijke organisaties bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van lokale maatschappelijke organisaties, en is niet direct gericht op de target communities.

Internationale/regionale organisaties kunnen onder de condities genoemd in paragraaf 1.3 door de support partner of door lokaal maatschappelijke organisaties ingeschakelde derden ondersteunen bij de capaciteitsversterking van lokale maatschappelijke organisaties.

De invulling wordt afgestemd op de behoefte van de lokale maatschappelijke organisaties en is in beginsel overeengekomen in de inceptiefase. Specifieke voorbeelden van capaciteitsversterking binnen dit instrument zijn (niet limitatief):

Trainingen en begeleiding voor allies (zoals lokale beleidsmakers, rechters, advocaten, religieuze actoren) om lhbtiq+-rechten op te nemen in beleid en praktijk.

De support partner voert internationale belangenbehartigingsactiviteiten uit die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in paragrafen 2.3 en 8.1. Deze activiteiten vinden plaats op multilateraal, internationaal en regionaal niveau. De bestedingsruimte voor deze component bedraagt minimaal 12% en maximaal 20% van de totale gevraagde (zie paragraaf 2.4) subsidiemiddelen. In aanvulling op de generieke richtlijnen in paragraaf 2.3 kan hierbij gedacht worden aan:

Nb.

Aanvragers dienen in hun begroting een onderscheid te maken tussen financieringsactiviteiten, capaciteitsversterkende activiteiten en internationale belangenbehartiging vanuit de support partner.

Let op dat bij het opstellen van de projectbegroting (zie ook paragraaf 6.2, onderdeel G) dat de respectievelijke kosten voor de drie in deze paragraaf genoemde activiteiten moeten worden uitgesplitst.

8.4. Subsidieplafond en omvang aanvraag

Het subsidieplafond voor dit sub-instrument (Gelijke rechten voor lhbtiq+ personen) bedraagt € 49.850.000 voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030, voor subsidieverlening voor een periode van vijf jaar (60 maanden).23Ter informatie: het subsidietijdvak waarin de te subsidiëren activiteiten moeten worden uitgevoerd start en eindigt later dan het tijdvak waarvoor het subsidieplafond geldt, gelet op de vastgestelde data voor de aanvraag- en besluitvormingsprocedure behorend bij dit subsidiebeleidskader.

De omvang van een aanvraag bedraagt minimaal 33.3% en maximaal 50% van het voor dit sub-instrument beschikbare budget. Dit betekent dat een aanvraag minimaal € 16.616.000, en maximaal € 24.925.000 bedraagt. Er zullen maximaal 3 subsidies worden verleend onder sub-instrument 1: Gelijke rechten voor lhbtiq+ personen (LHBTIQ+).

8.5. Verdeling van middelen binnen het sub-instrument

In aanvulling op de hoofdstukken 4 en 7 geldt het volgende:

De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit, zoals beschreven in hoofdstuk 4. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 8.6. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn (zie hoofdstuk 7) worden niet meegenomen in deze rangschikking.

De minister besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde (op kwaliteit), totdat het subsidieplafond is uitgeput. De aanvragen die het beste aan de kwalitatieve criteria voldoen, worden als eerste gehonoreerd, mits ze van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn.

Indien het resterende budget niet toereikend is om de eerstvolgende aanvraag in de rangorde volledig te honoreren, zal deze aanvraag slechts gedeeltelijk worden gehonoreerd, namelijk voor zover het resterende budget dit toelaat. Daarbij wordt rekening gehouden met een evenwichtige spreiding van de middelen over de landen waarop aanvragen zijn ontvangen.

Een aanvrager ontvangt een besluit op zijn aanvraag, waarin wordt aangegeven of sprake is van een volledige toekenning, een gedeeltelijke toekenning/gedeeltelijke afwijzing of een volledige afwijzing. Van een gedeeltelijke toekenning kan sprake zijn als de voor dit instrument beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle kwalificerende aanvragen te honoreren en/of ten behoeve van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen over de landen waarop aanvragen zijn ontvangen. Van een afwijzing kan sprake zijn indien de kwaliteit van een aanvraag niet ruim voldoende is

8.6. Specifieke kwalitatieve criteria

De ingediende aanvraag wordt, indien toetsing op de drempelcriteria zoals genoemd in paragraaf 3.1 met positieve uitkomst is afgerond, beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve criteria.

9. Sub-Instrument 2: Vrijheid van Religie en Levensovertuiging (FoRB)

9.1. Beleidscontext en doelstelling

Wereldwijd staat de vrijheid van religie en levensovertuiging in toenemende mate onder druk. Ruim driekwart van de wereldbevolking leeft in landen waar deze vrijheid wordt beperkt. Religieuze minderheden worden vaak geconfronteerd met discriminatie, geweld, sociale uitsluiting en stigmatisering. Wetgeving zoals blasfemiewetten en de beperkte toegang tot essentiële diensten ondermijnen hun positie in de samenleving. Ook mensenrechtenverdedigers die zich inzetten voor religieuze vrijheid lopen steeds vaker risico’s.

Echter ontbreekt het in veel contexten aan goed toegeruste lokale maatschappelijke organisaties en religieuze actoren die deze rechten kunnen beschermen en versterken. Interreligieuze dialoog blijft onderbenut, terwijl het juist in religieus diverse en kwetsbare samenlevingen cruciaal is voor het voorkomen van spanningen, polarisatie en gewelddadig extremisme. Binnen religieuze gemeenschappen krijgen vrouwen, jongeren en lhbtiq+ personen vaak onvoldoende ruimte, en blijven zij uitgesloten van lokale besluitvorming en bescherming.

De wereldorde is in beweging. Geopolitieke spanningen, autoritaire tendensen en conflicten zorgen voor toenemende druk op mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging. In dit krachtenveld groeit het belang van religie als maatschappelijk en politiek factor. Religieuze leiders en gemeenschappen beschikken over gezag en netwerken tot diep in de samenleving. Zij kunnen bijdragen aan het herstellen van vertrouwen, het voorkomen van radicalisering en het bevorderen van sociale cohesie. Tegelijkertijd kunnen traditionele en religieuze normen botsen met universele mensenrechten, zoals gendergelijkheid en seksuele en reproductieve rechten. Dit vraagt om zorgvuldige, kritische dialoog met religieuze actoren, gericht op inclusie en rechtvaardigheid.

De hoofddoelstellingen van dit sub-instrument zijn:

Het sub-instrument Vrijheid van Religie en Levensovertuiging (hierna: FoRB) sluit aan bij de bredere Nederlandse inzet voor mensenrechten, zoals verankerd in de MDIR-nota24MDIR-nota en het Beleidskader Mondiaal Multilateralisme25Beleidskader Mondiaal Multilateralisme, 2023. Structurele samenwerking met religieuze actoren draagt bij aan de effectiviteit en duurzaamheid van het Nederlandse buitenlandbeleid.

Voor overige generieke beleidsuitgangspunten, zoals capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties en lokaal geleide ontwikkeling, wordt verwezen naar het overkoepelend deel, paragraaf 1.2.

9.2. Geografische focus

Algemeen gesteld dienen de activiteiten plaats te vinden in landen waar de noden van religieuze minderheden groot zijn en waar reeds ervaring met FoRB-programmering aanwezig is. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie binnen het FoRB sub-instrument moet een aanvraag betrekking hebben op activiteiten in één of twee van de volgende geografische clusters:

Wanneer een aanvraag betrekking heeft op beide hier genoemde geografische clusters, dient de aanvraag te bestaan uit twee deelaanvragen.

Per cluster worden in de (deel)aanvraag minimaal drie en maximaal zes landen opgenomen. Een aanvraag die bestaat uit twee deelaanvragen (voor beide geografische clusters een) zal dus minimaal zes en maximaal 12 landen betreffen.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft voor het FoRB sub-instrument per geografische cluster een landenlijst vastgesteld. Deze landenlijst betreft de prioritaire landen uit de bredere lijst die in de voetnoot per cluster is opgenomen. Wegens de gevoeligheid van de thematiek is nadere informatie over deze landenlijst uitsluitend op verzoek beschikbaar via het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DMM-focus@minbuza.nl). Bij een verzoek om nadere informatie over de landenlijst dienen het meest recente jaarverslag en de statuten van de organisatie te worden meegestuurd.

Elke (deel)aanvraag moet betrekking hebben op drie van de landen die zijn opgenomen in een van bovengenoemde landenlijsten. Daarnaast kunnen per (deel)aanvraag maximaal drie extra landen worden toegevoegd. De keuze voor deze aanvullende landen is vrij, mits deze landen binnen het geografische cluster vallen (zoals gespecificeerd in de voetnoot) waarvoor de aanvraag wordt ingediend.

Een internationale/regionale maatschappelijke organisatie kan per deelaanvraag door een support partner slechts in één van de gekozen landen worden ingezet om samenwerking tussen lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen, wanneer de support partner daar zelf geen lokaal netwerk heeft en geen coördinerende rol kan vervullen. In alle overige gekozen landen dient de support partner zelf te beschikken over lokale operationele capaciteit en/of een gevestigd netwerk en wordt uitsluitend samengewerkt met lokale maatschappelijke organisaties.

9.3. Specifieke invulling van subsidiabele activiteiten

Binnen dit deelinstrument wordt van de aanvragers verwacht dat zij financierings- en capaciteitsversterkende activiteiten ontwikkelen (zie paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3) en aan internationale belangenbehartiging doen, welke activiteiten dienen bij te dragen aan de doelstellingen van het instrument, zoals beschreven in paragraaf 9.1.

De support partner ondersteunt in-country partners financieel bij de uitvoering van activiteiten die aansluiten bij de beleidsdoelen van dit instrument, zie ook paragraaf 2.1. De in-country partners zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van deze activiteiten. De support partner faciliteert dit door een transparant aanvraagproces op te zetten en te hanteren voor selectie, financiering en begeleiding van de in-country partners.

In het kader van dit instrument kunnen support partners in-country partners financieel steunen bij activiteiten gericht op onder andere (niet limitatief):

Nb.

Financieringsactiviteiten kunnen zien op dienstverlening, dialoog en/of coördinatie en ondersteuning door de internationale/regionale organisaties (zie hoofdstuk 2).

Minimaal 30% van het voor financieringsactiviteiten aangevraagde budget dient te worden besteed aan het financieel ondersteunen van dienstverlening.

De support partner ondersteunt lokale maatschappelijke organisaties bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van lokale maatschappelijke organisaties, en is niet direct gericht op de target communities.

Internationale/regionale organisaties kunnen onder de condities genoemd in paragraaf 1.3 als door de support partner of door lokaal maatschappelijke organisaties ingeschakelde derden ondersteunen bij de capaciteitsversterking van lokale maatschappelijke organisaties.

De invulling wordt afgestemd op de behoefte van de lokale maatschappelijke organisaties en is in beginsel overeengekomen in de inceptiefase. Specifieke voorbeelden van capaciteitsversterking binnen dit instrument zijn (niet limitatief):

De support partner voert internationale belangenbehartigingsactiviteiten uit die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in paragrafen 2.3 en 9.1. Deze activiteiten vinden plaats op multilateraal, internationaal en regionaal niveau in afstemming en met nauwe betrokkenheid van de in-country partner. De bestedingsruimte voor deze component bedraagt minimaal 12% en maximaal 20% van de totaal gevraagde subsidiebedrag. In aanvulling op de generieke richtlijnen in paragraaf 2.3 kan hierbij gedacht worden aan:

Nb.

Aanvragers dienen in hun begroting een onderscheid te maken tussen financieringsactiviteiten, capaciteitsversterkende activiteiten en internationale belangenbehartiging vanuit de support partner.

Let op dat bij het opstellen van de projectbegroting (zie ook paragraaf 6.2 onderdeel G) de respectievelijke kosten voor de drie in deze paragraaf genoemde activiteiten moeten worden uitgesplitst.

9.4. Subsidieplafond en omvang aanvraag

Het subsidieplafond voor dit FoRB-instrument bedraagt € 34.895.000 voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030, voor subsidieverlening voor een periode van vijf jaar (60 maanden).28Ter informatie: het subsidietijdvak waarin de te subsidiëren activiteiten moeten worden uitgevoerd start en eindigt later dan het tijdvak waarvoor het subsidieplafond geldt, gelet op de vastgestelde data voor de aanvraag- en besluitvormingsprocedure behorend bij dit subsidiebeleidskader.

Binnen een aanvraag voor dit instrument kan een voorstel worden ingediend voor één of twee geografische clusters. Wanneer een aanvraag betrekking heeft op twee geografische clusters, wordt dit beschouwd als een aanvraag met twee deelaanvragen.

De geografische clusters zijn:

Vraagt een aanvrager subsidie aan voor activiteiten in beide geografische clusters, dan dient zijn aanvraag dus te bestaan uit twee deelaanvragen.

De omvang van een (deel)aanvraag voor een geografisch cluster bedraagt 50% van het voor dit instrument (Vrijheid van Religie en Levensovertuiging – FoRB) beschikbare budget van € 34.895.000. Dit betekent dat de omvang van een (deel)aanvraag € 17.447.500 bedraagt.

Wanneer een aanvraag betrekking heeft op beide geografische clusters (zowel Sub-Sahara Afrika en Noord-Afrika als het Midden-Oosten en Azië), wordt dit beschouwd als één aanvraag met twee deelaanvragen. De totale omvang van de aanvraag bedraagt in dit geval 100% van het beschikbare budget (€ 34.895.000).

9.5. Verdeling beschikbare middelen binnen het sub-instrument

In aanvulling op de hoofdstukken 4 en 7 geldt het volgende:

De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit, zoals beschreven in hoofdstuk 4. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 9.6.

De kwalitatieve beoordeling van aanvragen vindt plaats per geografisch cluster (zie paragraaf 9.2). Voor elke (deel-)aanvraag voor een geografisch cluster wordt één eindscore toegekend op basis van de vastgestelde beoordelingscriteria. Indien sprake is van een aanvraag met twee geografische clusters, ontvangt iedere deelaanvraag een afzonderlijke eindscore. Alle (deel-)aanvragen worden vervolgens per geografisch cluster gerangschikt op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn (zie hoofdstuk 7) worden niet meegenomen in deze rangschikking.

De minister besluit per geografisch cluster tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde (op kwaliteit), waarbij per regio de best scorende (deel-)aanvraag wordt gehonoreerd, mits deze van ten minste ruim voldoende kwaliteit is.

Indien in een bepaald geografisch cluster geen (deel-)aanvragen van ruim voldoende kwaliteit zijn ontvangen, wordt geen subsidie verleend voor activiteiten in het betreffende geografische cluster; er zullen dan meer middelen beschikbaar zijn voor subsidieverlening voor activiteiten in andere geografische clusters. Een aanvrager ontvangt een besluit op zijn aanvraag, waarin wordt aangegeven of sprake is van een volledige toekenning, een gedeeltelijke toekenning/gedeeltelijke afwijzing, of een volledige afwijzing.

Van een (gedeeltelijke) afwijzing is sprake:

9.6. Specifieke kwalitatieve criteria

De ingediende aanvraag wordt, indien toetsing op de drempelcriteria zoals genoemd in paragraaf 3.1 met positieve uitkomst is afgerond, beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve criteria (in geval van deelaanvragen: per deelaanvraag).

10. Rapportage- en andere subsidieverplichtingen

Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.

Deze verplichtingen zullen onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten, en op verplichtingen over verantwoordingsrapportages, zoals inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages.

Indien na de looptijd van de beschikking middelen over zijn, zullen deze – tenzij het subsidietijdvak wordt verlengd – terugvloeien naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierover zal een verplichting worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.

11. Administratieve lasten

De administratieve lasten voor de uitvoering van dit subsidiebeleidskader bedragen € 75.000 voor de totale subsidieperiode. Administratieve lasten zijn de lasten die gepaard gaan met informatieverplichtingen in verband met het doen van de aanvraag en in geval subsidie wordt verstrekt het voldoen aan de daaraan verbonden verantwoordingsverplichtingen. Uitgaande van de inschatting dat maximaal 60 organisaties een aanvraag indienen die kan worden gehonoreerd, is het bedrag 60 x € 75.000, wat neerkomt op 5,3 procent van het totale subsidiebudget.

Bij de totstandkoming van het subsidiebeleidskader is kritisch bezien dat ten eerste de criteria voor de subsidieaanvragers en de beoogde resultaten helder zijn geformuleerd en ten tweede duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de financiering en verantwoording van de toegekende subsidies plaatsvindt. Hiermee moet een aanvrager de afweging kunnen maken of met de indiening van een subsidieaanvraag kans bestaat op een toekenning. Het Ministerie beoogt op deze wijze de administratieve lasten voor de subsidieaanvragers tot een minimum te beperken.

Annexes

Annexes die met het SBK worden gepubliceerd:

Annex 1: Aanvraagformulier (volgens verplicht format)

Annex 2: Toelichting en invulformulier om aan te tonen dat wordt voldaan aan het drempelcriterium financiële onafhankelijkheid (inclusief maatwerk)

Annex 3.1: Projectvoorstel incl. beleidsprincipes ‘Lhbtiq+’

Annex 3.2: Projectvoorstel incl. beleidsprincipes ‘ForB’

Annex 4.1: Handleiding budgetmodel

Annex 4.2: Budgetmodel format Excel

Annex 5: Track record

Annex 6: Landenlijst

Annex 7: Corporate rates

Annex 8: Max. bezoldigingsbedragen

Annex 9: Accountantsprotocol

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2https://www.government.nl/topics/grant-programmes.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)