Besluit van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2025, nr. WJZ/102570452, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025)
Handelende met instemming van de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst;
Gezien de schriftelijke instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken, en de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, allen functionarissen van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- b. secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
- c. plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
- d. hoofden van dienst:
- 1°. de directeur-generaal Economie en Digitalisering;
- 2°. de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
- 3°. de directeur-generaal Realisatie Groene Groei;
- 4°. de directeur-generaal Klimaat en Energie;
- 5°. de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken;
- 6°. de directeur Europese en Internationale Zaken;
- 7°. de directeur Financieel-Economische Zaken;
- 8°. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken;
- 9°. de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering;
- 10°. de directeur Communicatie;
- 11°. de directeur Informatievoorziening;
- 12°. de directeur Mens en Organisatie;
- 13°. de programmadirecteur van de programmadirectie Klaar voor de toekomst;
- 14°. de secretaris-directeur van de Wetenschappelijke Klimaatraad;
- 15°. de directeur van het Centraal Planbureau;
- 16°. de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering;
- 17°. de inspecteur-generaal der mijnen;
- 18°. de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- 19°. de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur;
- e. P&O-aangelegenheden: aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget;
- f. CAO Rijk: laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren, werkzaam binnen de sector Rijk.
Artikel 2
De organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage.
Artikel 3
Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:
- a. de Koning en het Kabinet van de Koning;
- b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges;
- c. een minister of een staatssecretaris;
- d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;
- e. de Raad van State, behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
- f. de Algemene Rekenkamer behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
- g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, met uitzondering van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR);
- h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.
§ 2. Mandaat, volmacht en machtiging aan ondergeschikten
Artikel 4
Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
- a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
- b. het vaststellen van personeelsreglementen als bedoeld in paragraaf 1.1 van de CAO Rijk;
- c. het, voor zover van toepassing, vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
- d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst:
- 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of;
- 2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld;
- e. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst;
- f. het vaststellen van de formatie en personeelsbudgetten van het kerndepartement van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
- g. het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een werknemer bij het kerndepartement, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017;
- h. aangelegenheden op het gebied van de Wet open overheid, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften;
- i. het uitoefenen van bevoegdheden namens de Staat der Nederlanden in zijn hoedanigheid van aandeelhouder of die voortvloeien uit de zeggenschap over rechtspersonen;
- j. het invulling geven aan de eigenaarsrol, voor zover hiervoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst, richting in ieder geval:
- 1°. de Autoriteit Consument en Markt;
- 2°. de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur;
- 3°. het Centraal Bureau voor de Statistiek;
- 4°. het Centraal Planbureau;
- 5°. de Dienst ICT Uitvoering;
- 6°. de Kamer van Koophandel;
- 7°. de Raad voor Accreditatie;
- 8°. de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- 9°. de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
- k. aangelegenheden op het gebied van de Wet normering topinkomens, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften;
- l. aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
- m. aangelegenheden op het gebied van de Algemene verordening gegevensbescherming, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is;
- n. het in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken aanwijzen van functies, die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden als vertrouwensfunctie.
Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, behoren in ieder geval:
- a. het vaststellen van de organisatie en formatie van:
- 1°. het directoraat-generaal Economie en Digitalisering;
- 2°. het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
- 3°. het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei;
- 4°. het directoraat-generaal Klimaat en Energie;
- 5°. de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken;
- 6°. de directie Europese en Internationale Zaken;
- 7°. de directie Financieel-Economische Zaken;
- 8°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken;
- 9°. de directie Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering;
- 10°. de directie Communicatie;
- 11°. de directie Informatievoorziening;
- 12°. de directie Mens en Organisatie;
- b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
- c. het vaststellen van interne circulaires;
- d. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
- e. het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van werknemers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, betreffende:
- 1°. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
- 2°. het toekennen van een hogere salarisschaal;
- 3°. het verlenen van langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk;
- 4°. het opdragen van een andere functie;
- 5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
- 6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van het Van Werk Naar Werk beleid (VWNW);
- 7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van het VWNW;
- 8°. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000;
- 9°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
- 10°. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere situaties te sluiten, waarbij wordt afgeweken van hetgeen is geregeld in de CAO Rijk.
Onder eigenaarsrol in de zin van het eerste lid, onderdeel j, wordt in ieder geval verstaan:
- a. het toezien op de bedrijfsvoering van de organisatie binnen de planning- en controlcyclus, en
- b. het uitoefenen van bevoegdheden:
- 1°. inzake de benoeming, goedkeuring van benoemingen, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen, zelfstandige bestuursorganen, colleges en commissies;
- 2°. op grond van de organieke regelingen van rechtspersonen, de Comptabiliteitswet 2016, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de Kaderwet adviescolleges, de Regeling agentschappen 2024, de Aanwijzingen voor de Planbureaus of de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties.
Artikel 5
Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
- a. het sturing geven aan de organisatie en bedrijfsvoeringsaspecten waaronder het vaststellen van de begroting op de apparaatskosten en personeelsbudgetten;
- b. het beslissen over gemeenschappelijke en generieke ICT-vraagstukken van het ministerie;
- c. het sturing geven aan en bewaken van de uitvoering van departementale taakstellingen;
- d. het begeleiden van transitie- en organisatietrajecten die voortvloeien uit wijzigingen binnen de organisatie;
- e. het optreden als Chief Information Officer (CIO) zoals bedoeld in het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021;
- f. het sturing geven aan inbreng in projecten die voortvloeien uit het overleg tussen secretarissen-generaal;
- g. het vertegenwoordigen van het ministerie in interdepartementale gremia, waaronder de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst en het CIO-beraad;
- h. het vorderen van opgaven en inlichtingen op grond van artikel 5.3 van de Wet normering topinkomens, het handhaven, bedoeld in de artikelen 5.4, 5.5. en 5.6 van die wet, ten aanzien van de in artikel 1 van die wet bedoelde rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen en de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de voorgaande bevoegdheid;
- i. het zorg dragen voor aangelegenheden op het gebied van de Wet open overheid, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
- j. het zorg dragen voor aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
- k. het zorg dragen voor aangelegenheden op het gebied van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is;
- l. het zorg dragen voor aangelegenheden op het gebied van de Archiefwet 1995, voor zover niet behorend tot een hoofd van dienst, waaronder het voor het gehele ministerie vaststellen van beheersregels als bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 en het vaststellen van selectielijsten als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995 en het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden bij de overbrenging als bedoeld in artikel 15 van de Archiefwet 1995;
- m. het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een werknemer bij het kerndepartement, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017;
- n. het inschrijven in een machtigingenregister als bedoeld in het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten van: en hun machtigingenbeheerders;
- –. het kerndepartement, bedoeld in paragraaf I, tweede lid, van de Bijlage Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
- –. het Centraal Planbureau;
- –. de Autoriteit Consument en Markt;
- o. het verstrekken van ketenmachtigingen als bedoeld in het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten door registratie in het machtigingenregister, op naam van het kerndepartement, en van de buitendiensten, bedoeld in paragraaf I, derde lid, van de Bijlage Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, aan agentschappen of aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen;
- p. het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van werknemers voor wie salarisschaal 1 tot en met 14 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, betreffende:
- 1°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
- 2°. het met wederzijds goedvinden beëindigen van een arbeidsovereenkomst, voor zover dit gepaard gaat met een financiële regeling waarin een geldelijke tegemoetkoming wordt verstrekt, anders of hoger dan die, bedoeld in artikel 7:673, tweede lid, en 7:671b, achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.