Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 20 november 2025 houdende de vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot het toekennen van een tegemoetkoming in de vorm van een subsidie in natura voor een maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor door het Instituut Mijnbouwschade Groningen in het kader van zijn wettelijke taakuitoefening op grond van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld (Beleidsregel Duurzaam herstel 2026)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 2. Ingangsvoorwaarden tegemoetkoming Duurzaam herstel
1.

Het Instituut kan bij de behandeling van aanvragen om vergoeding van fysieke schade aan een gebouw aan aanvrager naast de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de wet bij separaat besluit een tegemoetkoming toekennen indien:

2.

Het Instituut kan geheel of gedeeltelijk afwijken van het eerste lid, onderdeel c, indien de schade zoals opgenomen in het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, geheel of gedeeltelijk is hersteld nadat de schade is opgenomen, maar voordat het Instituut een besluit heeft genomen op de aanvraag om vergoeding van fysieke schade.

3.

Een tegemoetkoming wordt uitsluitend toegekend op aanvraag. Hiertoe benadert het Instituut een eigenaar van een woning voor het doen van een aanvraag voor een tegemoetkoming nadat het Instituut aan de hand van het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, heeft vastgesteld dat:

4.

De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend namens alle rechthebbenden van het gebouw en bevat ten minste:

5.

Indien dat voor het herstel van het gebrek aan de constructie van de woning noodzakelijk is, kan de aanvraag mede betrekking hebben op een gebouw of deel van een gebouw van dezelfde eigenaar dat constructief met de woning verbonden is, maar geen woning betreft.

Artikel 3. De procedure
1.

Het Instituut deelt aan de aanvrager mee binnen welke termijn de aanvrager een besluit op de aanvraag voor een tegemoetkoming kan verwachten.

2.

Het Instituut nodigt de aanvrager uit voor het verrichten van een schouw, zijnde een visuele inspectie van het vermeende gebrek aan de constructie. Na de schouw en indien noodzakelijk, laat het Instituut constructief onderzoek naar de constructie van het gebouw uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. Het Instituut deelt aan de aanvrager mee op welke termijn het nader constructief onderzoek plaatsvindt. Indien het gebouw tevens is opgenomen in het programma van aanpak, bedoeld in artikel 13g, eerste lid, van de wet, kunnen de schouw en het constructief onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, van de wet.

3.

Het Instituut neemt op basis van de uitkomsten van de schouw of het nader constructief onderzoek een besluit over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming en, indien aan de orde, over de aard en omvang van de herstelmaatregel waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend.

4.

Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is een tegemoetkoming toe te kennen, doet het Instituut een voorstel voor een tegemoetkoming en voor een herstelmaatregel met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregel en het technisch kader. Indien een of meer andere gebouwen constructief verbonden zijn met het gebouw waarvoor een voorstel voor tegemoetkoming wordt gedaan en herstel van het gebrek aan de constructie alleen mogelijk is als ook de constructie van dat andere gebouw of die andere gebouwen wordt hersteld, doet het Instituut het voorstel eveneens aan de eigenaren van dat andere gebouw of die andere gebouwen. Indien het technisch kader is gewijzigd na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut het eerder geldende technisch kader toepassen als dat leidt tot een meer passende herstelmaatregel, mits dit doelmatig is.

5.

Een tegemoetkoming wordt geweigerd indien:

6.

Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is geen tegemoetkoming toe te kennen, stelt het Instituut de eigenaar van het gebouw voorafgaand aan het nemen van een besluit in de gelegenheid binnen een door het Instituut te bepalen termijn een zienswijze te geven op dat voornemen.

Artikel 4. Aard en omvang tegemoetkoming Duurzaam herstel
1.

De tegemoetkoming wordt in de vorm van te treffen maatregelen in natura toegekend. Indien de maatregelen noodzakelijkerwijs mede herstel van schade omvatten waarvoor eerder al een vergoeding is toegekend, wordt de eerder voor die schade toegekende vergoeding niet in mindering gebracht op de tegemoetkoming.

2.

De tegemoetkoming bedraagt 100% van de kosten van de te treffen maatregelen in natura en de kosten die het directe gevolg zijn van het treffen van die maatregelen.

3.

De tegemoetkoming:

4.

Het Instituut kan in afwijking van het derde lid, de waarde van het gebouw op een andere wijze bepalen, indien de WOZ-waarde vanwege de geconstateerde constructieve gebreken aanzienlijk is verlaagd. In dat geval bepaalt het Instituut de waarde van de onroerende zaak als ware er geen constructieve gebreken.

5.

In afwijking van het derde lid, geldt voor Rijksmonumenten geen maximum, tenzij de tegemoetkoming disproportioneel is in verhouding tot de WOZ-waarde van het Rijksmonument.

6.

Indien de WOZ-beschikking bepaalt dat er sprake is van een object dat bestaat uit een woongedeelte en een niet-woongedeelte, kan het Instituut, in afwijking van het derde lid, bepalen dat voor de maximale tegemoetkoming wordt uitgegaan van de waarde van de woning op basis van de WOZ-waarde van het woongedeelte en, indien redelijk, de WOZ-waarde van de niet-woning of een deel daarvan.

Artikel 5. Intrekking Beleidsregel duurzaam herstel en overgangsrecht
1.

De Beleidsregel duurzaam herstel wordt ingetrokken, met dien verstande dat die beleidsregel van toepassing blijft op aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend voor inwerkingtreding van deze beleidsregel, met uitzondering van artikel 5 van die beleidsregel. Artikel 4 van deze beleidsregel is van toepassing op voornoemde aanvragen.

2.

Indien het niet toekennen van Duurzaam herstel aan een woning met een postcode opgenomen in een bijlage van de Beleidsregel duurzaam herstel naar het oordeel van het Instituut leidt tot onaanvaardbare verschillen bij de toekenning van tegemoetkomingen voor Duurzaam herstel, kan het Instituut afwijken van artikel 2, eerste lid, sub b.

Artikel 6. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 7. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel duurzaam herstel 2026.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.