Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2025, nr. 2025-30110 over Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (Besluit omzetbelasting toelichting tabel I)

Type Beleidsregel
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 9, tweede lid, onderdeel a Wet op de omzetbelasting 1968 en Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968;

Besluit:

§ 1. Inleiding

Dit besluit geeft een toelichting op de reikwijdte en toepassing van Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968. In deze tabel zijn goederen en diensten opgenomen waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt.

Dit besluit actualiseert het besluit van 23 december 2024, nr. 2024-35653 (Stcrt. 2024, 41782) met ingang van 1 januari 2026. Er is een aantal tekstuele wijzigingen en nieuwe inhoudelijke aanwijzingen opgenomen.

De relevante inhoudelijke aanwijzingen betreffen:

§ 2. Gebruikte begrippen en afkortingen

Waar in het besluit het begrip ‘levering’ wordt gebruikt, moeten daaronder ook de intracommunautaire verwerving en invoer worden begrepen.

De in dit besluit gehanteerde term ‘aan de hand van het spraakgebruik’ moet worden gelezen als synoniem van ‘naar maatschappelijke opvattingen’.

In dit besluit gebruikte afkortingen:

§ 3. Algemene opmerkingen bij de tabelposten

§ 3.1. Btw-tarief bij invoer

De manier waarop het btw-tarief bij invoer wordt bepaald, is vastgelegd in artikel 20 van de wet. Uit dit artikel blijkt dat voor de bepaling van het btw-tarief de omzetbelastingwetgeving (en niet de douanewetgeving) bepalend is. Het verlaagde btw-tarief bij invoer is van toepassing als de goederen zijn te rangschikken onder één van de posten van Tabel I. De douanewetgeving is alleen van belang als daar uitdrukkelijk bij wordt aangesloten.

§ 3.2. Samengestelde prestaties

§ 3.2.1. Algemeen

Bij transacties die uit meerdere prestaties bestaan (samengestelde prestaties) moet voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van Tabel I eerst worden bepaald of sprake is van één levering, één dienst of van meerdere afzonderlijke prestaties.

Elke prestatie (levering of dienst) moet normaliter als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd. Op dit uitgangspunt bestaan twee uitzonderingen. Er is sprake van één enkele prestatie als (1) een prestatie bijkomend is bij een hoofdprestatie en (2) als prestaties één ondeelbare economische prestatie vormen.5Zie in dit verband HvJ 5 oktober 2023, C-505/22 (Deco Proteste), ECLI:EU:C:2023:731, r.o. 19–24 en de daarin aangehaalde rechtspraak.

Voor de beoordeling of sprake is van één of meer prestaties is het feit dat door de leverancier van de goederen of diensten één prijs in rekening wordt gebracht niet van doorslaggevende betekenis.6Zie in dit verband HvJ 25 februari 1999, C-349/96 (Card Protection Plan), ECLI:EU:C:1999:93, r.o. 31. Het gaat om de zienswijze van de modale consument. Het berekenen van één prijs kan wel een aanwijzing zijn.

Bij een samengestelde prestatie bepalen de meest kenmerkende elementen van die prestatie of het geheel is aan te merken als één enkele prestatie en hoe die prestatie moet worden gekwalificeerd, rekening houdend met de zienswijze van de modale consument.

§ 3.2.2. Bijkomende prestaties bij een hoofdprestatie

Bijkomende prestaties zijn prestaties die voor de modale consument geen doel op zich vormen, maar een middel zijn om de hoofdprestatie optimaal te kunnen gebruiken of om deze zo aantrekkelijk mogelijk te maken. De omstandigheid dat één vaste prijs wordt berekend ongeacht of naast de hoofdprestatie ook andere prestaties worden afgenomen, zal er sneller toe leiden dat die andere prestaties als bijkomende prestaties worden aangemerkt.

Als binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de bijkomende prestatie onderling verschilt, is dat een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende prestatie. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de bijkomende prestatie wordt berekend en voor de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de bijkomende prestatie al dan niet af te nemen.

Als sprake is van één enkele prestatie die bestaat uit twee te onderscheiden elementen waarvan het ene het hoofdelement en het andere het bijkomende element vormt en waarvoor – als zij afzonderlijk werden verricht – verschillende tarieven zouden gelden, moet die enkele prestatie worden belast naar het btw-tarief dat geldt voor de hoofdprestatie.

§ 3.2.3. Eén ondeelbare economische prestatie

Prestaties kunnen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij vanuit de positie van de modale consument, objectief gezien één ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Een aanwijzing daarvoor is dat de prestaties afzonderlijk niet het vereiste praktische nut hebben voor de afnemer.

Eén ondeelbare economische prestatie moet worden belast naar het btw-tarief dat geldt voor de overheersende prestatie. De overheersende prestatie bepaalt het karakter van de prestatie.

§ 3.2.4. Splitsen vergoeding

Bij een samengestelde prestatie tegen één vergoeding die voor de tarieftoepassing in zelfstandige delen moet worden gesplitst, bestaan voor de methode van splitsing de volgende mogelijkheden:7Deze mogelijkheden voor de splitsing van de vergoeding gelden ook wanneer meerdere prestaties tegen één vergoeding worden verricht.

De belastingplichtige moet bij de splitsing van een vergoeding de marktwaardemethode hanteren. Als dat niet mogelijk is of wordt aangetoond dat splitsing op basis van de werkelijke kosten of op basis van een andere methode een objectief en reëel beeld geeft van de vergoeding voor de afzonderlijke prestaties, kan de vergoeding via een andere methode gesplitst worden.8Zie in dit verband HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9108.

§ 4. Bijzondere situaties

§ 4.1. Verpakkingen

Verpakkingen dienen als omhulsel voor (andere) producten. Bij het begrip ‘verpakkingen’ kan worden gedacht aan:

Verpakkingen zijn voor de modale afnemer niet meer dan een onderdeel van de producten die hij koopt. De verpakking gaat op in de levering van het product. Cadeauverpakkingen zijn in de regel een vorm van bijkomend dienstbetoon.

Bijzondere verpakkingen die voor de consument een zelfstandige gebruikswaarde hebben, moeten onder omstandigheden wel afzonderlijk worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verpakking een geldswaarde vertegenwoordigt die gelet op de waarde van het verpakte product aanzienlijk is (en die ook tot uitdrukking komt in de verkoopprijs van de combinatie).

§ 4.2. Verpakte combinaties van goederen

Combinaties van goederen kunnen ook samen verpakt worden aangeboden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een kerstpakket dat een verpakte combinatie vormt van onder post a 1 vallende eet- en drinkwaren (verlaagd btw-tarief), alcoholische dranken (algemeen btw-tarief) en gebruiks- of cadeauartikelen (algemeen btw-tarief). Voor de tarieftoepassing moeten de goederen die tot de combinatie behoren steeds afzonderlijk in aanmerking worden genomen, mits deze goederen ook afzonderlijk voor de modale consument te verkrijgen zijn.

§ 4.3. Candy novelties

’Candy novelties’ bestaan uit een combinatie van goederen waarbij bepaalde goederen onder het verlaagde btw-tarief vallen (meestal snoepgoed) en andere goederen (meestal speelgoed) onder het algemene btw-tarief. Candy novelties worden voor één prijs verkocht en op verschillende manieren aangeboden. Het komt voor dat het snoepgoed in het speelgoed is ‘verpakt’, maar de omgekeerde situatie is ook mogelijk. In een aantal gevallen wordt het snoepgoed en het speelgoed los van elkaar, maar als één combinatie, aangeboden.

Candy novelties hebben betrekking op een breed assortiment goederen waarbij de waarde van de samenstellende delen sterk kan variëren. Bijvoorbeeld:

Voor de tarieftoepassing op een als candy novelty aan te merken combinatie van goederen geldt als uitgangspunt dat de verschillende delen (het snoepgoed en het speelgoed) afzonderlijk worden beoordeeld. Dit geldt niet als de zelfstandigheid van de delen verloren is gegaan of als één der delen ten opzichte van de andere delen zodanig belangrijk is dat de andere delen daarin kunnen worden geacht te zijn opgegaan. Als een ondernemer geen splitsing kan of wil aanbrengen tussen het snoepgoed en het speelgoed, moet de candy novelty worden belast naar het algemene btw-tarief.

Als de verkoopprijs (inclusief btw) van een candy novelty minder dan € 1,50 bedraagt, kan op de levering ervan het verlaagde btw-tarief worden toegepast. Voor deze gevallen wordt er door de in de praktijk opgedane ervaringen van uitgegaan dat het snoepgoed het kenmerkende element van de prestatie is en het bijgeleverde speelgoedfiguurtje alleen is bedoeld om het snoepgoed aantrekkelijker te maken. Dit geldt ook bij grootverpakkingen als de individuele candy novelty als zodanig op de markt wordt gebracht voor een prijs die lager is dan € 1,50.

§ 4.4. Pensionstalling van paarden

De door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bepaalde driedeling in acht nemende, kan de ondernemer uitgaan van de navolgende toedeling van het bedrag dat aan de klant in rekening wordt gebracht voor de pensionstalling van paarden.9Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008BD1421.

Winst beogende ruitersportcentra met pensionstalling met zowel een buiten- als een binnenrijbaan (rijaccommodatie):

10 Bij niet winst beogende ruitersportcentra is het gelegenheid bieden tot sportbeoefening mogelijk vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

Winst beogende ruitersportcentra met pensionstalling met alleen een buitenrijbaan:

11 Zie voorgaande voetnoot 10.

Pensionstalling met alleen stalling en géén rijbaan:

Het betreft hier een met de branche overeengekomen richtlijn. Wanneer een ondernemer van deze richtlijn wenst af te wijken omdat naar zijn mening de bij hem aanwezige situatie wezenlijk afwijkt van de hiervoor opgenomen richtlijnen, dient hij dit aannemelijk te maken.

§ 4.5. Bezorgkosten

Als de ondernemer goederen levert en hij ook degene is die zich verbonden heeft de goederen bij de klant te bezorgen, is voor wat de bezorging betreft sprake van een bijkomende prestatie die opgaat in de levering van de goederen. Bij levering van goederen naar verschillende btw-tarieven moeten de bezorgkosten naar verhouding van de vergoedingen exclusief de bezorgkosten worden toegerekend.

§ 5. Toelichting op de tabelposten

Hierna worden de tabelposten waar nodig toegelicht.

voedingsmiddelen, te weten:

met dien verstande dat tot de voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken;

Het verstrekken van voedingsmiddelen voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf is een dienst. Deze verstrekking valt niet onder post a 1, maar is op grond van post b 12 belast naar het verlaagde btw-tarief.

De verstrekking van voedingsmiddelen in snackbars, snackwagens of bioscoopfoyers vormt een levering van goederen. Als de diensten overheersen waarmee de levering van de eetwaren gepaard gaat, is sprake van een dienst.

De activiteiten van een partyservice zijn aan te merken als diensten, tenzij spijzen worden geleverd zonder verder aanvullende dienstverlening of wanneer de levering van de spijzen het overheersende bestanddeel van de handeling is.12HvJ 10 maart 2011, C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09 (Manfred Bog), ECLI:EU:C:2011:135.

Voor de uitleg van het begrip ‘voedingsmiddelen’ zijn de maatschappelijke opvattingen in combinatie met doel en strekking van de wet leidend.13Zie in dit verband HvJ 1 oktober 2020, C-331/19 (Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2020:786. In de jurisprudentie van het HvJ14HvJ C-331/19 (Staatssecretaris van Financiën), eerder aangehaald. en de HR15HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2082. is bepaald aan welke voorwaarden een product moet voldoen om als voedingsmiddel te worden aangemerkt. Zo moeten de producten:

Producten die bij de verkoop kennelijk niet als voedingsmiddel worden aangeprezen of producten die niet primair als voedingsmiddel worden samengesteld en verkocht, vallen niet onder de post.

De vorm van de voedingsmiddelen is niet van belang; zowel verse, bereide als verduurzaamde voedingsmiddelen vallen onder de post, net als producten die als zodanig pas geschikt zijn voor menselijke consumptie na een bepaalde bewerking (zoals het ontdoen van de schil) of na bereiding (toevoeging van water, koken, opwarmen en dergelijke).

De onderdelen b en c van de post zijn opgenomen om te bereiken dat de in die onderdelen genoemde producten, als zij niet rechtstreeks kunnen worden aangemerkt als eet- en drinkwaren, ook kunnen vallen onder het begrip voedingsmiddelen.

Voorbeelden van eet- en drinkwaren die onder de post vallen zijn:

Producten die een gebruiksfunctie hebben en gemaakt zijn van voedingsstoffen, kunnen onder de post worden gerangschikt wanneer deze producten vanwege de gebruikte voedingsstoffen, naast het gebruiksdoel, samengesteld en bestemd zijn om te worden geconsumeerd.16Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG 209:2024:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Daarbij kan gedacht worden aan eetbare rietjes, die bedoeld zijn om in combinatie met ander eet- en drinkwaar te worden geconsumeerd.

Voorbeelden van goederen die niet onder de post vallen zijn:

In onderdeel b van de post is aangeven dat tot voedingsmiddelen ook worden gerekend producten die kennelijk zijn bestemd om te worden aangewend voor de bereiding van de in onderdeel a van de post bedoelde eet- en drinkwaren en die daarin geheel of ten dele opgaan. Opgaan in veronderstelt een bepaalde mate van vermenging met de overige ingrediënten, waardoor uiteindelijk het eindproduct ontstaat.

Met het begrip bereiding wordt gedoeld op zowel de huishoudelijke als de industriële bereiding van eet- en drinkwaren. Voor de voedingsmiddelenindustrie gaat het om producten als vruchtenpulp, diverse extracten, conserveringsmiddelen en geur-, kleur- en smaakstoffen. Meer in het algemeen kan worden gedacht aan producten als gist, meel, bak- en braadmiddelen, kruiden, specerijen, zout, aroma's en essences.

Bij ingrediënten gaat het om een breed scala aan producten: niet alleen producten die zijn vervaardigd uit natuurlijke grondstoffen maar ook producten die zijn vervaardigd uit chemische grondstoffen. Producten waarvan alleen bepaalde − bijvoorbeeld aromatische − bestanddelen opgaan in de eet- en drinkwaren zijn ook aan te merken als ingrediënten (zoals koffie, thee, kruidnagels en laurierbladeren).

Soms moet binnen een groep producten een onderscheid worden gemaakt tussen producten die kennelijk wél voor menselijke consumptie zijn bestemd (verlaagd btw-tarief) en producten die kennelijk niet voor menselijke consumptie zijn bestemd (algemeen btw-tarief).

Voorbeelden:

Niet onder de post vallen capsules in de vorm van een kunststof ring gevuld met geuraroma die op het mondstuk van een specifiek daarvoor gemaakte drinkfles worden geplaatst. Door de werking van de fles krijgt de gebruiker de ervaring van water met een smaakje. Het aroma uit de capsule gaat niet op in het water en wordt daarmee niet aangewend voor de bereiding van eet- en drinkwaren.

De levering van stikstofcapsules gevuld met lachgas bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren, zoals slagroom, is belast tegen het algemene btw-tarief. Dit op grond van de uitsluiting van distikstofmonoxide van het verlaagde btw-tarief in de algemene aantekening bij Tabel I.

Niet onder de post vallen essentiële oliën (ook wel etherische oliën genoemd) omdat ze gewoonlijk niet zijn bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren. Het gaat hier om sterk geurende oliën, bereid uit kruiden, planten of bomen, die worden gebruikt als luchtverfrisser, bij de lichaamsverzorging en in het kader van aromatherapie.

Ook plantaardige olie die wordt geleverd om te worden gebruikt als motorbrandstof valt niet onder de post.

In onderdeel c is aangegeven dat tot voedingsmiddelen ook worden gerekend producten die zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling op of ter vervanging van de in onderdeel a van de post bedoelde eet- en drinkwaren. Te denken valt aan voedingspreparaten en voedingssupplementen zoals vitaminen, mineralen, kruidenpreparaten, vermageringsproducten, vezeltabletten en synthetische CBD-olie.

Haarlemmerolie, een product dat wordt aangeprezen als een huismiddel ter bestrijding van tal van kwalen en ongemakken bij mens en dier, is vanwege de vele aanwendingsmogelijkheden niet aan te merken als een voedingspreparaat.

Kruidenpreparaten die een aanvulling of vervanging zijn van de in onder post a 1, letter a bedoelde eet- en drinkwaren vallen onder de post. Voorbeelden van kruidenpreparaten die onder de post kunnen vallen zijn:

Bloesem- en bloemenremedies waarmee menselijke emoties worden beïnvloed vallen niet onder de post, omdat deze niet geconsumeerd worden vanwege de voedingsstoffen, maar voor de beïnvloeding van menselijke emotie. Bloesem- en bloemenremedies worden ook niet als voedingsmiddel aangeprezen, samengesteld en verkocht.

Als de hiervoor opgesomde producten in vloeibare vorm worden geleverd, bevatten zij soms alcohol. Als volgens het gebruiksvoorschrift slechts enkele malen per dag een kleine hoeveelheid mag worden ingenomen – bijvoorbeeld enkele druppels of een lepel – worden zij niet als alcoholhoudende dranken aangemerkt.

Kruidenpreparaten die opgelost in alcohol in de handel worden gebracht, vallen niet onder de post. Deze producten worden aangemerkt als alcoholhoudende dranken. Te denken valt aan kruidenwijn en op likeuren lijkende kruidenextracten. Kruidendranken met een alcoholgehalte van niet meer dan 1,2% worden niet aangemerkt als alcoholhoudende dranken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.