Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 februari 2026, nr. 61729394, houdende nadere regels voor het organiseren van onderbouwklassen voor praktijkonderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs (Beleidsregel pro/vbo)
Gelet op artikel 9.3 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- medezeggenschapsraad: medezeggenschapsraad als bedoeld in artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- pro: praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de wet;
- school: school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar openbaar of uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.8 van de wet;
- toelaatbaarheidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 2.30 van de wet;
- vbo: voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.7 van de wet;
- zeer zwakke school: zeer zwakke school als bedoeld in artikel 2.94 van de wet.
Artikel 2. Doel en inhoud
Het doel van deze beleidsregel is om pro-scholen in samenwerking met vbo-scholen, in afwijking van de artikelen 2.8 en 2.29 van de wet, de mogelijkheid te geven een onderbouwklas pro/vbo aan te bieden. Daartoe kan de minister op aanvraag toestaan dat een pro-school en een of meerdere vbo-scholen een dergelijke klas inrichten.
De onderbouwklas pro/vbo biedt maatwerk voor leerlingen, van wie bij aanvang van hun eerste leerjaar in het voortgezet onderwijs niet meteen duidelijk is of zij beter tot hun recht komen in het pro dan wel in het vbo.
Artikel 3. Voorwaarden
De bevoegde gezagen van de pro-school en vbo-school of scholen zorgen er gezamenlijk voor dat het onderwijs in de onderbouwklas zo is ingericht, dat:
- a. leerlingen naar de kerndoelen van de onderbouw in het vbo toe kunnen werken;
- b. leerlingen in twee of drie jaar worden voorbereid op basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo als bedoeld in artikel 2.26 van de wet;
- c. het programma aansluit op minstens één van de vbo-profielen die de vbo-school of scholen verzorgt als bedoeld in artikel 2.26 van de wet; en
- d. alle leerlingen staan ingeschreven in het pro en over een toelaatbaarheidsverklaring beschikken.
Het bevoegd gezag van de pro-school beschrijft in samenwerking met het bevoegd gezag van de vbo-school of scholen in de schoolgids:
- a. hoe de pro-school waarborgt dat leerlingen die in staat zijn om door te stromen naar de bovenbouw van het vbo, na twee of drie jaar ook daadwerkelijk in staat zijn dat te doen; en
- b. hoe de begeleiding van de leerlingen die overstappen naar het vbo wordt geregeld.
De onderbouwklas wordt aangeboden op de pro-school. Het onderwijsprogramma kan voor ten hoogste 500 klokuren plaatsvinden op de vbo-school of scholen of gezamenlijk met vbo-leerlingen in één klaslokaal.
Artikel 4. Aanvraag
Het bevoegd gezag van de pro-school dient een aanvraag in bij de minister voor het starten van een onderbouwklas op uiterlijk 31 maart van het daaraan voorafgaande schooljaar.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, omvat:
- a. de contactgegevens van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen;
- b. een bewijsstuk van instemming van de medezeggenschapsraad van de pro-school en vbo-school of scholen; en
- c. een bewijsstuk dat het samenwerkingsverband waartoe de pro-school behoort is geïnformeerd en in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen.
Scholen met het oordeel zeer zwak als bedoeld in artikel 2.94 van de wet komen niet in aanmerking voor de aanvraag voor het aanbieden van de onderbouwklas.
Artikel 5. Beslistermijn
De minister besluit binnen zes weken na afloop van de uiterste aanvraagdatum, bedoeld in artikel 4, eerste lid, op aanvragen tot het starten van een onderbouwklas.
De minister wijst een aanvraag af indien van een van de scholen van de deelnemende bevoegde gezagsorganen blijkens het meest recente inspectierapport, als bedoeld in artikel 20 van de Wet op het onderwijstoezicht, is vastgesteld dat de school het oordeel zeer zwak heeft als bedoeld in artikel 2.94 van de wet.
Artikel 6. Intrekking toestemming
De minister kan de toestemming tot het aanbieden van de onderbouwklas pro/vbo intrekken, indien in een inspectierapport als bedoeld in artikel 20 van de Wet op het onderwijstoezicht, wordt vastgesteld dat de pro-school of vbo-school als zeer zwakke school is beoordeeld als bedoeld in artikel 2.94 van de wet, en de voortzetting van de onderbouwklas naar het oordeel van de minister niet in het belang van de leerlingen zou zijn. De minister raadpleegt de Inspectie van het onderwijs voorafgaand aan het intrekken van de toestemming.
Indien de minister besluit de toestemming in te trekken, nemen de leerlingen op een nader door de Minister te bepalen tijdstip deel aan het reguliere onderwijsprogramma voor pro-scholen.
Artikel 7. Intrekking beleidsregel
De Beleidsregel pilot pro/vbo wordt ingetrokken.
Artikel 8. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 9. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel pro/vbo.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.