Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15968, houdende tijdelijke regels ter stimulering van demonstraties binnen het Maritiem Masterplan 2026 (Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026) [KetenID WGK 028498]

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-02-20
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 4, 6, zesde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, 22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid en 26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van onderzoek naar en demonstraties van duurzame energielijnen teneinde de maritieme sector te verduurzamen en te versterken.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
1.

De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken voor een O&D-project.

2.

Een O&D-project bevat een samenhangend geheel van activiteiten die passen binnen de doelstellingen en kaders van het Maritiem Masterplan en valt onder een van de volgende energielijnen, als genoemd in bijlage 1.

3.

Een O&D-project bestaat uit een fase ontwerpen en ontwikkelen en een fase demonstreren en monitoren.

Artikel 4. Aanvrager
1.

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een samenwerkingsverband.

2.

De penvoerder van een samenwerkingsverband is een Nederlandse onderneming.

3.

Een samenwerkingsverband bevat ten minste twee niet aan elkaar verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening.

4.

Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening verstrekt de aanvrager een overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld.

Artikel 5. Subsidiabele kosten
1.

Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2.

Onder artikel 25, derde lid, onderdeel e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallen ook meerkosten van brandstof voor methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol, en kosten om voor de demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen, voor zover die kosten rechtstreeks uit het project voortvloeien.

3.

Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

Artikel 6. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

3.

Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,– per uur.

Artikel 8. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,– per uur.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

Artikel 9. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt ten hoogste:

2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:

3.

Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 15% uit subsidiëring van meerkosten methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol en ten hoogste 10% uit subsidiëring van kosten om de voor demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen.

4.

Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 20% uit niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.

5.

De subsidie bedraagt ten hoogste € 8 miljoen per project.

6.

De subsidie bedraagt per onderneming, of per groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, ten hoogste 80% van de totaal verleende subsidie aan het project.

7.

Ten minste 50% van de subsidiabele kosten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt gemaakt door Nederlandse ondernemingen.

8.

De subsidiabele kosten bedragen niet minder dan € 25.000,– per deelnemer aan het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Subsidieplafond en wijze van verdelen
1.

Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 in totaal ten hoogste € 33,6 miljoen, met als specifiek subsidieplafond:

2.

De minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen.

3.

Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

4.

Indien het beschikbare bedrag voor een van de in het eerste lid genoemde onderdelen na toepassing van het tweede lid niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag indien mogelijk toegekend aan het eerstvolgende project in de rangschikking binnen het andere onderdeel.

5.

Er wordt slechts aan één project dat valt binnen de energielijnen ammoniak of bio-ethanol, bedoeld in bijlage 1, subsidie verleend.

Artikel 11. Rangschikkingscriteria
1.

De minister kent aan een O&D-project een hoger aantal punten toe naarmate:

2.

De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 20 punten toe.

Artikel 12. Adviescommissie
1.

Er is een Adviescommissie O&D-projecten 2026, die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikking en toekenning van punten op basis van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 11.

2.

De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.

3.

De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd.

Artikel 13. Aanvraagperiode

De aanvraag voor subsidieverlening kan worden ingediend van 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 3 november 2026, 17.00 uur.

Artikel 14. Aanvraag
1.

Een aanvraag om subsidie heeft betrekking op één energielijn.

2.

Een aanvrager dient de aanvraag bij de minister in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.

3.

Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit bevat de aanvraag ten minste:

Artikel 15. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.