Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55067900, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het primair onderwijs (Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling)
Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 71 van de Wet op de expertisecentra;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WPO BES of artikel 1 van de WEC;
- G5-gemeenten: gemeente Amsterdam, gemeente Almere, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam en gemeente Utrecht;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- professionals: personen, die worden ingezet op een school en die niet in het bezit zijn van een bevoegdheid bedoeld in artikel 3 van de WPO of artikel 3 van de WEC;
- school: school als bedoeld in artikel 1 van de WPO of artikel 1 van de WEC;
Artikel 2. Het doel van het experiment
Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken:
- a. wat het afwijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3 onder de aldaar genoemde voorwaarden, bij de deelnemende scholen voor effecten heeft op in ieder geval de thema’s: onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid;
- b. welke randvoorwaarden voorwaardelijk zijn om positieve effecten te verkrijgen; en
- c. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.
Hoofdstuk 2. Experiment
Artikel 3. Het experiment
Het bevoegd gezag van een school die is gevestigd binnen de G5 en deelneemt aan het experiment mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC en daarbij andere onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9, van de WPO en artikel 13 van de WEC aanbieden, indien:
- a. de afwijking niet ziet op onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke oefening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a tot en met c, van de WPO en in artikel 13, eerste lid, onder a tot en met d, van de WEC;
- b. de activiteiten passen binnen de uitgangspunten van het onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC; en
- c. de afwijking in ieder geval niet meer dan in totaal 22 uren per maand omvat van de onderwijstijd, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een school maximaal 27,5 uur per maand afwijken van de artikelen, genoemd in de aanhef van het eerste lid, indien de school heeft gekozen voor wekelijks maximaal 5,5 uren op een vaste dag per week en die vaste dag in de betreffende maand in een vijfde week valt.
Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname
Het bevoegd gezag dat met een school wil deelnemen aan het experiment, genoemd in artikel 3, kan bij de minister een aanvraag doen.
Alleen scholen die liggen in een G5-gemeente kunnen deelnemen aan het experiment.
De aanvraag voor deelname aan het experiment kan worden ingediend in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 13:00 uur bij de minister per e-mail via onderwijstijdpo@minocw.nl. Een bevoegd gezag dat nog niet meedoet aan het experiment kan doorlopend tot uiterlijk 31 mei 2029 13:00 de aanvraag voor deelname indienen. Aanvragen ingediend na 31 mei 2029 13:00 uur worden afgewezen.
Een bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:
- a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;
- b. de instellingscode van de school;
- c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;
- d. een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3;
- e. een lijst van scholen waarmee het bevoegd gezag voornemens is deel te nemen aan het experiment;
- f. de wijze waarop de professionals worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3; en
- g. een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan het experiment Vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd of een ander experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd.
Artikel 5. Selectie en beslistermijn
Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit artikel 4.
De minister besluit uiterlijk 30 juni 2026 op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin, tot deelname aan het experiment. De minister besluit in de daaropvolgende jaren:
- a. uiterlijk op 1 januari op aanvragen ingediend vanaf 1 mei tot en met 30 november; en
- b. uiterlijk op 1 juli op aanvragen ingediend vanaf 1 december tot en met 1 mei.
Artikel 6. Looptijd van het experiment en van de datalevering
Het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. De datalevering ten behoeve van het experiment eindigt op uiterlijk 31 december 2030.
Scholen die deelnemen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.
Artikel 7. Melding plan gereed en beëindiging deelname
Een school van een bevoegd gezag dat deelneemt aan het experiment kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat het bevoegd gezag melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau, genoemd in artikel 8, van het gereed zijn van het plan voor de deelname en na instemming van de medezeggenschapsraad, genoemd in artikel 3 van de WMS. Indien het plan op schoolniveau is verlopen of inhoudelijk wordt gewijzigd, is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.
De melding, genoemd in het eerste lid, bevat in ieder geval:
- a. de naam en nummer van het bevoegd gezag;
- b. de instellingscode van de school;
- c. een experimenteerplan waarin in ieder geval het volgende is opgenomen:
- 1°. Een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en
- 2°. De wijze waarop de professionals worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3; en
- d. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.
Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens, genoemd in het tweede lid, dan wel indien een school de deelname aan het experiment beëindigt, meldt het bevoegd gezag dit bij het onderzoeksbureau. Het onderzoeksbureau geeft dit door aan de minister.
De wijziging of afmelding, genoemd in het derde lid, bevat:
- a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;
- b. instellingscode van de school waarop de afmelding betrekking heeft;
- c. bij afmelding: de reden voor afmelding;
- d. bij afmelding: of de datalevering doorgang vindt na de afmelding.
Artikel 8. Onderzoek en evaluatie
Scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.
Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij wordt onderzocht:
- a. de frequentie van de afwijkingen en het type afwijkingen; en
- b. de impact van het onder a bedoelde op de kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, de omgang met de personeelstekorten, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.
De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, genoemd in artikel 7 en het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 9. Verlenging van het experiment
Indien naar aanleiding van het experiment wordt besloten tot aanpassing van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2, kan de minister besluiten de duur van het experiment, genoemd in artikel 3, te verlengen tot de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke voorschriften.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.
Deze beleidsregel vervalt met ingang van 1 augustus 2031.
Artikel 11. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.